2016-01-26 Vastenboodschap van paus Franciscus

"Ik wil liever barmhartigheid dan offers” (Mt. 9,13)


Rome (ZENIT.org)

 

 

Aswoensdag 2014

 

« Laten wij deze voor bekering gunstige Vastentijd niet tevergeefs aan ons voorbijgaan! Dat vragen wij op de moederlijke voorspraak van de Maagd Maria”, verklaart paus Franciscus in zijn boodschap voor de Vasten 2016.
« Ik wil liever barmhartigheid dan offers » (Mt. 9,13). Werken van barmhartigheid op de weg van het Jubeljaar”: dat is namelijk de titel van de Vastenboodschap 2016 van paus Franciscus, in het kader van het Jubeljaar van de Barmhartigheid. Hij is gedateerd op 4 oktober, feest van de heilige Franciscus van Assisi.
De boodschap, gewijd aan werken van barmhartigheid en het Jubeljaar, werd vandaag, dinsdag 26 januari in het Vaticaan voorgesteld door Mgr. Francesco Montenegro, aartsbisschop van Agrigento (Sicilië) en lid van de Pauselijke Raad Cor Unum, Mgr. Giampietro Dal Toso, secretaris van hetzelfde dicasterium en Mgr Segundo Tejado Munoz, ondersecretaris.
De paus nodigt de gedoopten uit tot bekering : « Lazarus die aan de deur van zijn huis bedelt (cf Lc. 16,20-21), beeld van Christus die in de armen bedelt om onze bekering”. En om bekering tot lichamelijke en geestelijke  werken van barmhartigheid, die niet gewoon ‘goede werken’ zijn.
De Vasten zal dit jaar gaan van woensdag 10 februari, Aswoensdag, tot zondag 27 maart, Paaszondag.

 

Maria, icoon van een Kerk die evangeliseert omdat zij zelf geëvangeliseerd is

 

In de Bulle voor het Jubeljaar vroeg ik “de Vasten van dit Jubeljaar intenser te beleven als een sterke tijd om Gods barmhartigheid te roemen en te ervaren” (Misericordiae vultus, n. 17). Door de oproep naar Gods woord te luisteren en het initiatief “24 uren voor de Heer”, heb ik de voorrang willen benadrukken van het biddend luisteren naar het woord, meer bepaald van het profetisch woord. Gods barmhartigheid is zeker een verkondiging aan de wereld: niettemin is elke christen geroepen ze persoonlijk te ervaren. Daarom zal ik in deze Vastentijd Missionarissen van de Barmhartigheid uitzenden opdat zij voor iedereen een concreet teken zouden zijn van Gods nabijheid en vergeving.

Omdat Zij de Blijde Boodschap aanvaard had die de aartsengel Gabriël verkondigd had, bezingt Maria in Haar Magnificat profetisch de barmhartigheid waarmee God Haar gekozen had. De Maagd van Nazareth, die als bruid aan Jozef beloofd was, wordt zo de volmaakte icoon van de Kerk die evangeliseert want zij werd en blijft onophoudelijk geëvangeliseerd door de werking van de Heilige Geest die Haar maagdelijke schoot vruchtbaar maakte. In de profetische traditie – en reeds op ethymologisch vlak – is barmhartigheid nauw verbonden met de moederlijke schoot (rahamim) en met gulle, trouwe en meevoelende  goedheid (hesed) die in echtelijke en ouderlijke relaties wordt beoefend.

 

Het verbond van God met de mensen : een geschiedenis van barmhartigheid


Het mysterie van de Goddelijke barmhartigheid onthult zich in de geschiedenis van het Verbond tussen God en Zijn volk Israël. God toont zich inderdaad altijd rijk aan erbarmen, bereid om het volk in alle omstandigheden te overladen met diepe tederheid en medelijden, vooral in de meest dramatische ogenblikken wanneer de band van het Verbond door ontrouw verbroken wordt en het Verbond steviger in gerechtigheid en waarheid dient bekrachtigd te worden. Wij staan hier tegenover een waarlijk liefdesdrama waarin God de rol speelt van vader en bedrogen echtgenoot, en Israël van ontrouwe zoon of dochter en bruid. Het zijn vertrouwde beelden, zoals wij ze zien in Hosea (cf Hos. 1-2), die uitdrukken hoezeer God zich aan Zijn volk wil binden.

Dit liefdesdrama bereikt zijn hoogtepunt wanneer de Zoon mens wordt. God giet Zijn grenzenloze barmhartigheid zodanig in Hem uit, dat Hij van Hem de “belichaamde Barmhartigheid” maakt (Misericordiae Vultus, n. 8). Als mens is Jezus van Nazareth een zoon van Israël in de volle betekenis van het woord. Zozeer dat Hij dit volmaakte luisteren naar God volmaakt belichaamt, een luisteren dat van elke jood gevraagd wordt door de Shema, tot op vandaag, de kern van het Verbond van God met Israël: “Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten” (Deut. 6,4-5). De Zoon van God is de Bruidegom die alles in het werk stelt om de liefde van Zijn Bruid te winnen. Hij is met haar verbonden door Zijn onvoorwaardelijke liefde die zich manifesteert in de eeuwige bruiloft met haar.

Dit is het trillende hart van het apostolisch kerygma waar de Goddelijke barmhartigheid een centrale en fundamentele plaats inneemt. Zij is “de schoonheid van Gods heilbrengende liefde die zichtbaar wordt in de gestorven en verrezen Jezus Christus (apost. Exhort. Evangelii gaudium, n. 36), de eerste verkondiging « die steeds opnieuw op verschillende manieren moet beluisterd worden en in de catechese steeds opnieuw verkondigd” (ibid., nr. 164). Barmhartigheid “illustreert Gods houding tegenover de zondaar en biedt hem een nieuwe mogelijkheid tot berouw, bekering en geloof” (Misericordiae vultus, n. 21), die zo de relatie met Hem werkelijk herstelt. In Jezus Christus wil God de zondige mens bereiken tot in zijn grootste ontsporing, precies daar waar hij verdwaald is en zich van Hem heeft verwijderd. En dat doet Hij in de hoop uiteindelijk het versteende hart van Zijn bruid te kunnen raken.

 

Werken van barmhartigheid


Gods barmhartigheid transformeert het mensenhart en laat hem trouwe liefde ervaren die hem bekwaam maakt op zijn beurt barmhartig te zijn. Het is telkens opnieuw een wonder dat de Goddelijke barmhartigheid zich in het leven van ieder van ons kan uitstorten door ons aan te sporen tot liefde voor de naaste en tot wat de traditie van de Kerk lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid noemt. Zij herinneren ons eraan dat ons geloof zich vertaalt in concrete en dagelijkse daden, bestemd om onze naaste lichamelijk en geestelijk te helpen en waarover wij geoordeeld zullen worden: hem voeden, bezoeken, troosten, onderrichten. Daarom was het mijn wens dat “het christenvolk in het Jubeljaar zou nadenken over de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid. Het zal een manier zijn om ons geweten wakker te schudden dat dikwijls ingeslapen is ten overstaan van het drama van de armoede en om steeds dieper door te dringen tot de kern van het Evangelie, waar de armen de bevoorrechte bestemmelingen van de Goddelijke barmhartigheid zijn” (ibid., nr. 15).

In de persoon van de arme wordt het lichaam van Christus namelijk « opnieuw zichtbaar als gefolterd, gewond, gegeseld, hongerig, verdwaald … Zijn lichaam om door ons erkend, aangeraakt en verzorgd te worden” (ibid.). Een ongehoord en ergerniswekkend mysterie dat het lijden van het onschuldig Lam in de geschiedenis verder zet, de struik die vurig brandt door een belangloze liefde en tegenover dewelke wij in navolging van Mozes niets anders kunnen dan onze sandalen uittrekken (cf Ex. 3,5); des temeer wanneer deze arme onze broeder of zuster in Christus is die lijdt omwille van zijn of haar geloof.

Tegenover deze liefde, sterk als de dood (cf Hoogl. 8,6), is de meest ellendige arme degene die niet aanvaardt zich als dusdanig te erkennen. Hij denkt rijk te zijn maar is in feite de armste onder de armen. En als hij zo is, is het omdat hij slaaf is van de zonde die hem ertoe aanzet rijkdom en macht niet te gebruiken om God en de anderen te dienen, maar om in hem de diepste overtuiging te verstikken dat ook hij niets anders is dan een arme bedelaar. Hoe groter de macht en rijkdom waarover hij beschikt, des te groter is het gevaar dat deze verblinding bedrieglijk wordt. Het gaat zo ver dat hij de arme Lazarus die aan de deur van zijn huis bedelt, (cf Lc. 16,20-21) - beeld van Christus die in de armen bedelt om onze bekering - zelfs niet meer wil zien. Lazarus is de gelegenheid die God ons biedt om ons te bekeren en die wij misschien niet zien.

Deze verblinding gaat gepaard met een hoogmoedige waan van almacht, waarin op een duistere manier het duivelse “gij zult gelijk worden aan God” (cf Gen. 3,5) weerklinkt, dat aan de wortel ligt van elke zonde. Een dergelijke waan kan eveneens een sociaal en politiek fenomeen worden, zoals de totalitaire regimes van de 20e eeuw aantoonden en momenteel de ideologieën van het eenrichtingsdenken en van de technowetenschap die beweren God te kunnen herleiden tot iets  onbeduidend en de mensen tot een manipuleerbare massa. Dit kan op onze dagen eveneens geïllustreerd worden door zondige structuren verbonden aan een verkeerd ontwikkelingsmodel dat gebaseerd is op de afgoderij van het geld dat de rijkste mensen en samenlevingen onverschillig maakt voor het lot van de armen, en die de deur voor hen sluiten en hen zelfs weigeren te zien.

De Vasten van dit Jubeljaar is dus voor iedereen een gunstige tijd die toelaat eindelijk uit onze existentiële vervreemding te treden door het beluisteren van het woord en door werken van barmhartigheid. Terwijl wij door de lichamelijke werken het lichaam van Christus aanraken in onze broeders en zusters die nood hebben aan voedsel, kleding, onderdak, bezoek, geestelijke werken, wordt onze conditie van zondaar rechtstreekser geraakt door onderricht, vergeving, vermaning, gebed. Daarom mogen lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid nooit gescheiden worden. Het is namelijk juist door het lichaam van Jezus Christus in de meest behoeftigen aan te raken dat de zondaar de gave kan ontvangen van het besef zelf niets anders te zijn dan een arme bedelaar.

Dank zij deze weg hebben «trotsen van hart », “machtigen” en “rijken” over wie het Magnificat spreekt, de mogelijkheid te erkennen dat ook zij onverdiend door de gekruisigde Christus bemind worden, die ook voor hen gestorven en verrezen is. Deze liefde is het enige antwoord op deze dorst naar oneindig geluk en liefde die de mens ten onrechte denkt te kunnen lessen door middel van de afgoden van kennis, macht en bezit. Doch steeds bestaat het gevaar dat trotsen van hart, rijken en machtigen door zich steeds meer hermetisch af te sluiten voor Christus, die in de persoon van de arme op de deur van hun hart blijft kloppen, tenslotte zichzelf veroordelen tot het wegzinken in de eeuwige afgrond van eenzaamheid die de hel is. Dan klinken voor hen evenals voor ons allen opnieuw de brandende woorden van Abraham: “Zij hebben Mozes en de profeten, laat ze naar hen luisteren!” (Lc. 16,29). Dit doeltreffend luisteren zal ons het best voorbereiden op de definitieve overwinning op de zonde en op de dood van de reeds verrezen Bruidegom, die Zijn toekomstige bruid verlangt te zuiveren in afwachting van Zijn wederkomst.

Laten wij deze voor bekering gunstige Vastentijd niet tevergeefs aan ons voorbijgaan! Dat vragen wij op de moederlijke voorspraak van de Maagd Maria, die als eerste, ten overstaan van de grootheid van de Goddelijke barmhartigheid waarvan Zij belangloos genoten heeft, Haar eigen kleinheid heeft erkend (cf. Lc 1,48) door zich de nederige dienstmaagd van de Heer te noemen (cf. Lc 1,38).

 

Vaticaan, 4 oktober 2015
Feest van de heilige Franciscus van Assisi
FRANCISCUS

 

Vert. Maranatha-gemeenschap