Eerste Adventspredicaties in de Bisschoppelijke woning.

Wij publiceren de integrale tekst van de eerste adventspreek die werd gehouden in het Vatikaan, in aanwezigheid van de Paus en zijn medewerkers van de Romeinse Curie. Deze preek werd gehouden door de prediker van de Bisschoppelijke woning, pater R. Cantalamessa, OFM Cap. (Orde der Minderbroeders-capucijnen)

 

Het geloof in Jezus Christus nu en in het begin van de Kerk.

 

Hoogheilige Vader, ik voel de nood om op dit ogenblik twee dingen te doen: U te danken voor het vertrouwen dat U in mij gesteld hebt door mij te vragen mijn taak als prediker van de Bisschoppelijke woning verder uit te oefenen en U mijn totale gehoorzaamheid en trouw uit te drukken, U als opvolger van Petrus.

Ik geloof dat de mooiste manier om het begin van een pontificaat te begroeten is, te herinneren aan de daad waarop Christus de primaat Petrus heeft gefundeerd. Simon wordt Kephas, Petrus, op het ogenblik dat hij, dankzij de openbaring van de Vader, zijn geloof belijdt in de goddelijke oorsprong van Jezus. “Op deze rots – zo parafraseert Sint Augustinus de woorden van Christus – zal ik het geloof bouwen dat ik in u belijd heb. Ik zal mijn Kerk bouwen op het feit dat je gezegd hebt :Ik ben de Christus, de zoon van de levende God.”

Ik dacht als thema voor deze adventspreek te kiezen:

 

 “Het geloof in Jezus Christus”.

 

In deze eerste meditatie zou ik willen trachten de situatie te schetsen die blijkt die van onze maatschappij te zijn, op het gebied van het geloof in Jezus Christus en het hulpmiddel dat het Woord Gods ons aanbiedt om er tegenaan te kijken.

Tijdens onze volgende ontmoetingen zullen wij nadenken over wat het geloof in J. Chr. ons zegt over Johannes, Paulus, het Concilie van Nicea en het geloof van Maria, Zijn moeder.

 

1. Aanwezigheid – afwezigheid van Christus.

 

Welke rol speelt Jezus in onze maatschappij en in onze cultuur? Ik denk dat we hier mogen spreken van een aanwezigheid – afwezigheid van Christus. Op een bepaald niveau – dat van de massamedia in het algemeen – is Jezus Christus zeer aanwezig; Hij is zelfs een “Superstar” als men de titel van een beroemde musicale komedie over Hem gelooft.

In een eindeloze reeks verhalen, films en boeken manipuleren schrijvers de figuur van Christus. Ze gebruiken daarbij dikwijls het voorwendsel van nieuwe, spookachtige, historische documenten. De “Da Vinci Code” is de laatste episode en de meest agressieve van een lange reeks. Het is thans een mode geworden, een literair genre. Men speculeert over de grote weerklank van de naam Jezus en over wat Hij vertegenwoordigt voor een groot deel van de mensheid, om zich een uitgebreide publiciteit aan lage prijs te verzekeren.

Dit is literair parsitisme.

Men kan dus in zekere zin zeggen dat J. Chr. Zeer aanwezig is in onze cultuur. Maar wanneer wij het domein van het geloof beschouwen, waartoe Hij op de eerste plaats behoort, dan bemerken wij daar een onrustwekkende afwezigheid, ja zelfs een weigering van Zijn Persoon.

Allereerst op theologisch gebied.
Een zekere theologische strekking houdt vol dat Christus niet zou gekomen zijn voor het heil van de Joden (voor wie het voldoende zou zijn trouw te blijven aan die oude alliantie), maar alleen voor het heil van de gentils (= niet-joden).

Een andere strekking houdt vol dat Hij ook niet nodig zou zijn voor het heil van de gentils, omdat zij, dank zij hun godsdienst, een directe verhouding hebben met het eeuwige Logos en het niet nodig hebben te gaan door het Vleesgeworden Woord en zijn Paasmysterie. Uiteindelijk vraagt men zich af voor wie Christus dan wel nodig is!?

Wat men opmerkt in de maatschappij in het algemeen, ook bij hen die zich bestempelen als “gelovige christenen” is nog zorgwekkender. Waarin geloven zij werkelijk, die zich “gelovige christenen” noemen in Europa en elders? Misschien geloven zij in het bestaan van een Opperwezen, een Schepper. Ze geloven dat er een hiernamaals is. Maar het gaat hier om een godsgeloof en niet om een christelijk geloof.

Als men rekening houdt met het fameuze onderscheid van Karl Barth, spreekt men daar van godsdienst en niet van geloof. Meerdere sociologische enquêtes brengen dit feit ook aan het licht in landen met een oude christelijke traditie, zoals de streek vanwaar ik afkomstig ben, “Les Marches”. In de praktijk is Jezus Christus afwezig in dit type van religiositeit.

De dialoog tussen wetenschap en geloof, opnieuw uiterst actueel, leidt ons onwillekeurig ertoe Jezus tussen haakjes te zetten. De dialoog heeft inderdaad als onderwerp God, de Schepper. De historische figuur van Jezus van Nazareth heeft er geen plaats. Hetzelfde doet zich voor in de dialoog met de filosofie die de voorkeur geeft aan metafysische concepten, eerder dan aan de historische realiteit.

Wat gebeurt op de Arcopagus in Athene ter gelegenheid van de preek van Paulus, is zich aan het herhalen op wereldvlak. Zolang de apostel sprak over God “die de wereld geschapen heeft en alles wat erop leeft”, luisterden de Atheense geleerden met aandacht. Wanneer hij begon te spreken over Jezus Christus “die uit de doden is opgestaan”, antwoordden ze heel beleefd: “Daarover horen we je een volgende keer.” (Ac. 17, 22-30)

Het is voldoende het Oude Testament te bekijken om te begrijpen hoever we verwijderd zijn van de oorspronkelijke betekenis van het woord “geloof” in het Nieuwe Testament. Voor Paulus, het geloof dat de zondaars rechtvaardigt en de Heilige Geest verleent (Ga. 3,2), met andere woorden het geloof dat redding brengt, is het geloof in Jezus Christus, in Zijn Paasmysterie van dood en verrijzenis.

Ook voor Johannes is het geloof dat “de dood overwint” het geloof in Jezus Christus. “Wie is de winnaar van de wereld tenzij hij die gelooft dat Jezus Christus de Zoon van God is?” (1. Ju .5, 4-5)

Tegenover deze nieuwe situatie is onze eerste taak, vóór alles, een grote akte van geloof. “Houd moed. Ik heb wel degelijk de wereld overwonnen” (Ju. 16,33) zegt Jezus ons. Hij heeft niet alleen de wereld van Zijn tijd overwonnen maar de wereld van altijd. We moeten dus niet bang zijn of gelaten.

De eeuwige voorspellingen over het onvermijdelijke einde van de Kerk en van het christendom in de toekomstige technologische maatschappij doen mij lachen. Wij, wij hebben een veel geloofwaardiger voorspelling: “Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen nooit vergaan.” (Mt. 24,35)

Maar we mogen niet inert blijven. We moeten een inspanning doen om op een geschikte manier de uitdaging aan te gaan waarmee het geloof in Christus vandaag heeft af te rekenen.

Om de post-christelijke wereld opnieuw te evangeliseren is het noodzakelijk denk ik, de weg te kennen die de apostelen gevolgd hebben om de pre-christelijke tijd te evangeliseren. Het gaat om twee situaties die veel gemeenschappelijke punten hebben.
Dat is wat ik nu zou willen belichten:
■ Hoe gebeurde de eerste evangelisatie?
■ Welke weg heeft het geloof in Christus gevolgd om de wereld te veroveren?


2. Kerygma (=prediking) en didache (=een vroeg-christelijk geschrift/onderricht).

 

Alle schrijvers van het Oude Testament veronderstellen het bestaan en de kennis, vanwege de lezers, van een gemeenschappelijke traditie (paradosis) die teruggaat tot de aardse Jezus. Deze traditie toont twee aspecten of twee samenstellingen: één genoemd predikatie of aankondiging (kerygma), die bekend maakt wat God verricht heeft in Jezus van Nazareth en een composante, genoemd “onderricht” (didache), die de ethische normen aantoont teneinde de gelovigen op een juiste manier te kennen te geven hoe te handelen.

Verscheidene epistels van Paulus weerspiegelen deze indeling want ze bevatten een eerste Kerygmatische gedeelte, waaruit een tweede deel voortvloeit met een tot deugd opwekkend of praktisch karakter.

De prediking of het kerygma wordt “evangelo” genoemd; het onderricht of didache daarentegen wordt “de wet” genoemd, of het gebod van Christus, dat wordt samengevat in de liefde. Deze twee dingen, het eerste – het kerygma of evangelie, is waar de oorsprong van de Kerk ligt. Het tweede – de wet of de liefde – die ontspringt uit het eerste, is het traject voor een morale levensweg voor de Kerk, die het geloof van de Kerk vorm geeft.

In deze zin onderscheidt de apostel zijn taak als “vader” in het geloof t.o.v. de Korinthiërs van de taak van de “pedagogen” die na hem kwamen. “Ik ben het die, door het Evangelie, jullie verwekt heeft in Christus Jezus.” (1. Co 4,15)

Het geloof als dusdanig wordt bijgevolg slechts geboren in aanwezigheid van het Kerygma of de aankondiging. “En, hoe kan men geloven – schrijft de apostel wanneer hij spreekt over het geloof in Christus – zonder dat men eerst hoort?” “En hoe kan men horen zonder dat iemand verkondigt?” (Rm. 10, 4) Letterlijk: “Zonder dat iemand het kerygma verkondigt.” (Choris Keryssontos) En hij besluit: “Het geloof ontstaat uit wat men hoort zeggen en wat men hoort zeggen komt van het woord van Christus” (Rom. 10, 17), t.t.z. het “evangelie” of het kerygma.

In het boek “Inleiding tot het christendom” heeft de Heilige Vader Benedictus XVI, toen professor in de theologie, de diepe implicaties in het licht gesteld. Hij schrijft: “In de formule: het geloof wordt geboren in het luisteren”, wordt het fundamentele onderscheid tussen geloof en filosofie duidelijk aan het licht gebracht. In het geloof is er een prioriteit van het woord op de gedachte. In de filosofie komt de gedachte voor het woord. Ze is dus het product van een reflectie die men daarna tracht te vertalen in woorden. Het geloof daarentegen benadert de mens altijd van buitenaf… Het gaat niet om een element bedacht door een persoon, maar een element dat hem werd gezegd, dat tot hem komt onder een vorm van “niet bedacht” en van “niet denkbaar” en dat hem onmiddellijk in vraag stelt en tot inzet uitnodigt.

Het geloof komt dus van het luisteren naar de prediking. Maar wat is nu juist het voorwerp van die prediking? Men weet dat op de lippen van Jezus het grote nieuws, dat als achtergrond dient voor zijn parabels en waaruit al zijn onderricht is ontstaan, is:
“Het Rijk Gods is tot u gekomen!”
Maar wat is de inhoud van de prediking op de lippen van de apostelen? Het werk van God in Jezus van Nazareth! Het is waar, maar er is nog iets kleiners, dat de kiemkern is van alles en dat, in verhouding tot de rest, als de ploegschaar is, dat soort zwaard dat geplaatst wordt vóór de ploeg om als eerste de grond te splijten en zo de ploeg toelaat een vore te trekken en de aarde om te keren.

Deze beperkte kern is de uitroep: “Jezus is de Heer!” Het mysterie van dit woord is zo dat het niet kan worden uitgesproken tenzij “met de Heilige Geest”. (1 Co 12, 3)

Op zijn eentje geeft het toegang tot het heil aan wie gelooft in de verrijzenis. “Inderdaad, als uw lippen belijden dat Jezus de Heer is en als je hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zal je gered worden.” (Rm. 10, 9)

Zoals de vaargeul van een mooi schip - zegt Charles Péguy – breder wordt om uiteindelijk te verdwijnen en zich te verliezen, maar begint met een punt dat het punt van het schip is, zo ook – zou ik eraan toevoegen – wordt de prediking van de Kerk steeds breder en breder totdat ze een immens doctrinaal bouwwerk uitmaakt, maar begint met een punt en dit punt is het kerygma: “Jezus is de Heer!”

De uitroep: “Het Rijk Gods is daar!” in de prediking van Jezus komt dus in de prediking van de apostelen overeen met de uitroep: “Jezus is de Heer!” Er is dus geen enkele tegenstelling maar een perfecte continuïteit tussen Jezus die predikt en de gepredikte Jezus. Want zeggen: “Jezus is de Heer!” is gelijk aan zeggen dat, in Jezus, gekruisigd en verrezen, uiteindelijk het rijk en de soevereiniteit van God op de wereld zich heeft voltrokken.

Wij moeten goed akkoord gaan om niet te vallen in een onwerkelijke reconstructie van de apostolische prediking. Na Pinksteren trekken de apostelen niet door de wereld terwijl ze alleen maar verkondigen:”Jezus is de Heer!” Wat ze deden als ze voor de eerste keer het geloof verkondigden in een bepaald milieu, was eerder direct naar het hart van het evangelie gaan en twee dingen verkondigen: Jezus is gestorven – Jezus is verrezen. En het motief van deze twee dingen: Hij is gestorven “voor onze zonden”, Hij is verrezen “voor onze gerechtigheid.” (cf. 1 Co 15, 4; Rm.4, 25)

Pakkend herhaalt Petrus in de Handelingen der Apostelen keer op keer aan degenen die luisteren: “Jullie hebben Jezus van Nazareth doen sterven, God heeft Hem doen verrijzen en heeft Hem gemaakt tot Heer en Christus.”

De aankondiging van “Jezus is de Heer!” is dus slechts de conclusie, nu eens impliciet, dan weer expliciet van deze korte geschiedenis, steeds levendig en opnieuw verteld, zelfs zo substantieel identiek en tegelijkertijd datgene waarin deze geschiedenis zich samenvat en de luisteraar doet handelen. Jezus Christus “heeft zich volledig blootgegeven, gehoorzaam tot de dood, tot de dood op het Kruis. Daarom heeft God Hem verheven opdat iedere tong zou verkondigen dat de Heer, Jezus Christus is.” (Ph. 2, 6-11)

De verkondiging “Jezus is de Heer!” bestaat dus niet op zichzelf maar maakt op een bepaalde manier de ziel uit van de prediking; ze is de zon die haar verlicht. Ze bewerstelligt een soort communie met de geschiedenis van de Christenen doorheen de “hostie” van het woord en doet denken, naar analogie, aan de communie die zich voltrekt met het lichaam van Christus doorheen de hostie van brood in de Eucharistie.

Het geloof ontdekken is de ogen onverwacht en verwonderd openen voor dit licht. Terwijl hij het moment van het gesprek terug voor de geest roept, beschrijft Tertullianus het als een soort grote, donkere uterus vol onwetendheid, huiverend naar het licht van de Waarheid. Het was zoals het ontluiken van een nieuwe wereld; het eerste epistel van Paulus beschrijft het als een “doorgang van de duisternis naar het wonderbaarlijk licht.” (1 P. 2,9; Co1,1255)

Het kerygma heeft, zoals de exegeet Heinrich Schlier uitlegt, een assertief en autoritair karakter, niet deductief of dialectisch, d.w.z. dat het niet moet gerechtvaardigd worden met filosofische of apologetische redeneringen: men aanvaardt het of men aanvaardt het niet. Het gaat niet over iets waarover men kan beschikken, want het beschikt zelf over alles. Het kan niet door iemand gesticht worden, want het is God zelf die het sticht en het is het kerygma zelf dat vervolgens de grond van het bestaan bepaalt.

In de 2° eeuw schrijft de heidense filosoof Celsus verontwaardigd: ““De christenen gedragen zich zoals degenen die geloven zonder reden. Sommigen onder hen willen zelfs geen reden geven of krijgen, rond datgene waaraan ze geloven en gebruiken formuleringen zoals “discuteer niet, maar geloof, het geloof zal je redden”. De wijsheid van deze eeuw is een kwaad en de dwaasheid is een goed.””

Celsus, (die voor ons buitengewoon dicht staat bij de moderne voorstanders van de zwakke gedachte) zou eigenlijk willen dat de christenen hun geloof uitdrukken op een dialectische manier, d.w.z. door ze voor alles te onderwerpen aan onderzoek en discussie, zodat het aldus zou passen in een algemeen kader, dat aanvaard kan worden met inbegrip van het filosofisch plan, met een inspanning van zelf-begrip van de mens en van de wereld die steeds voorlopig en open zal blijven.

Natuurlijk trof de weigering van de christenen om bewijzen te leveren en om discussies aan te gaan niet het geheel van de weg van het geloof, maar alleen het begin ervan. De christenen, zelfs in die periode, ontvluchtten de confrontatie niet en ook niet het feit “gelijk te geven van hun hoop” ook aan de Grieken. (cf. 1P 3, 15) (…) Ze dachten alleen dat het geloof zelf niet kon geboren worden uit deze confrontatie, maar ze moest voorafgaan als het werk van de Geest en niet van het verstand. De confrontatie kon hooguit het geloof voorbereiden en, eens aanvaard, er de “gerechtigheid” van tonen.

Oorspronkelijk onderscheidde het kerygma, zoals we gezien hebben, zich van het onderricht (didache), zoals van de catechese. Deze laatsten spitsen zich toe op het vormen van het geloof en op de vrijwaring van de zuiverheid ervan, terwijl het kerygma zich erop toespitst het geloof op te wekken. Het heeft als het ware een explosief karakter; het gelijkt meer op het zaadje dat een boom doet ontstaan, op het rijpe fruit aan de boom die in het christendom opgebouwd is door de liefde. Het kerygma wordt absoluut niet bekomen door concentratie of samenvatting alsof het het hart was van de traditie; het staat afzonderlijk of eerder aan het begin. Vandaaruit ontwikkelt zich al de rest, met inbegrip van de vier evangelies.

Op dit punt had een evolutie plaats ten gevolge van de situatie van de Kerk. In de mate dat men naar een christelijk regime gaat, waarin alles wat ons omringt christelijk is of zich christelijk beschouwt, voelt men minder het belang van de initiale keuze waardoor men christen wordt, temeer omdat het doopsel sowieso aan kinderen wordt toegediend, die niet bij machte zijn een dergelijke keuze te maken.

Wat vooral de nadruk krijgt bij het geloof is niet zozeer het beginmoment, het wonder van de ontdekking van het geloof, maar wel de diepte en de orthodoxie van de inhoud van het geloof zelf.

 

3. Het Kerygma herontdekken.

 

Deze situatie heeft heden ten dage een grote invloed op de evangelisatie. De Kerken die een grote dogmatische en theologische traditie hebben (zoals de katholieke Kerk bij uitmuntendheid), lopen het gevaar in het nadeel gesteld te worden indien ze onder het immense patrimonium van doctrine, wetten en instellingen, niet de primordiale kern terugvinden die in staat is zelf het geloof op te wekken.

Zich voorstellen aan de mens van vandaag, die heel dikwijls Christus niet kent met de draagwijdte van deze doctrine, is hetzelfde als een van die zware brokaat koorkappen, die men vroeger gebruikte, leggen op de schouders van een kind. We zijn meer voorbereid, door ons verleden, om “pastores” (herders) te zijn, eerder dan “vissers” van mensen, t.t.z. dat wij beter voorbereid zijn om de mensen die naar de kerk komen, te voeden, eerder dan om nieuwe mensen naar de kerk te brengen of om degenen die zich verwijderd hebben, of leven aan de rand van de kerk, weer op te vissen.

Dit is één van de redenen waarom in bepaalde delen van de wereld zoveel katholieken de katholieke kerk de rug toekeren voor andere christelijke werkelijkheden. Ze worden aangetrokken door een eenvoudige en doeltreffende aankondiging die hen onmiddellijk in contact brengt met Christus en hen de kracht van Zijn geest doet ervaren.

Wij moeten ons zeker verheugen over het feit dat deze personen een doorleefd geloof hebben teruggevonden, maar het is droevig dat ze daarom de Kerk hebben verlaten. Met alle respect en waardering die we moeten tonen voor deze christelijke gemeenschappen, die niet allemaal sekten zijn (met sommige onderhoudt de Kerk sinds jaren een oecumenisch contact, wat ze zeker niet zou doen met sekten!); men moet erkennen dat zij niet de middelen hebben waarover de katholieke Kerk beschikt om personen te leiden naar de volmaaktheid van het christelijk leven.

Voor een aantal onder hen blijft alles, van het begin tot het einde, draaien rond de eerste bekering, wat men de nieuwe geboorte noemt, daar waar dit voor ons, katholieken, slechts het begin van het christelijk leven is. Daarna moeten de catechese komen en de spirituele vooruitgang die trekt doorheen de verloochening van zichzelf, de nacht van het geloof, het kruis, tot aan de verrijzenis.

De katholieke Kerk bezit een uitermate rijke spiritualiteit, een ontelbaar aantal heiligen, de leerstellige autoriteit en vooral de sacramenten.

Het is dus noodzakelijk dat ons, tenminste eenmaal, de fundamentele aankondiging wordt voorgesteld op een duidelijke en essentiële manier, niet alleen aan de catechumenen maar aan allen, vermits de meerderheid van de huidige christenen niet via het catechumenaat is gegaan.

Sommige nieuwe kerkbewegingen stellen vandaag een genade voor de Kerk op, precies omdat ze de plek zijn waar volwassenen uiteindelijk de gelegenheid hebben te luisteren naar het kerygma, hun doopsel te hernieuwen, in geweten te kiezen dat Christus, Heer en persoonlijke Redder is en zich actief te engageren in het leven van hun Kerk.

De verkondiging van Jezus als Heer zou moeten een ereplaats vinden in alle krachtige momenten van het christelijk leven. De meest gunstige gelegenheden zijn misschien begrafenissen omdat de mens zich ondervraagt in het aanschijn van de dood, het hart geopend houdt, minder verstrooid is dan bij andere gelegenheden. Het christelijke kerygma is het enige dat de mens een woord kan geven dat opgewassen is tegen de vraag van de dood.

Het kerygma weerklinkt op het plechtigste ogenblik van iedere mis :”Wij verkondigen Uw dood, Heer Jezus, en wij vieren Uw Verrijzenis, wij wachten op Uw komst in glorie.” Maar geïsoleerd blijft deze verkondiging een simpele vorm van toejuiching. Er werd gezegd dat de evangelies passieverhalen waren voorafgegaan door een lange inleiding (M.Köhler). Maar eigenaardig genoeg wordt het oorspronkelijk en belangrijkste deel van het evangelie het minst gelezen, behalve op Palmzondag, waar er geen tijd overblijft om een homilie te houden door de duur van de lezing en de plechtigheid van de ritus.

Nu er geen populaire missies meer worden gehouden zoals vroeger, is het mogelijk dat een christen nooit in zijn leven een preek hoort over de passie. En toch is het juist deze preek die in het algemeen de verstarde harten opent.

We hebben dit kunnen zien bij het vertonen van de film van Mel Gibson : De passie van Christus. Er zijn gevallen waar gevangenen, die steeds bleven ontkennen dat ze schuldig waren, spontaan hun fouten hebben toegegeven na het zien van deze film.

 

4. Jezus kiezen als Heer.

 

We zijn vertrokken van de vraag : “Welke plaats neemt Christus in, in de huidige samenleving?” Maar wij mogen niet afsluiten zonder ons de belangrijkste vraag te stellen in een context als deze: “Welke plaats bekleedt Jezus in mijn leven?” Laat ons terugdenken aan de dialoog tussen Jezus en de discipelen in Caesarea: “Volgens de mensen, wie is de Mensenzoon?... Maar voor jullie, wie ben ik?” (Mt.16, 13-15) Het voornaamste voor Jezus is niet wat de mensen over Hem denken, maar wat zijn naaste discipelen over Hem denken.

Hierboven heb ik verwezen naar de objectieve rede die het belang uitlegt van de verkondiging van Christus als Heer in het Nieuwe Testament: Ze maakt de zaligmakende gebeurtenissen, waaraan ze herinnert, aanwezig en werkzaam. Er bestaat echter ook een subjectieve rede die existentieel is.

Zeggen “Jezus is de Heer” betekent een beslissing nemen, het voor die Iemand opnemen. Het is alsof je zegt: “Jezus is “mijn” Heer; ik erken Hem alle recht op mij, ik geef Hem de teugels van mijn leven in handen; ik wil niet langer leven “voor mezelf” maar “voor Hem” die gestorven en verrezen is voor mij.” (cf.2 Co5, 15)

Jezus verkondigen als zijn eigen Heer betekent Hem ons hele “zijn” toevertrouwen, het evangelie laten doordringen in alles wat we doen. Dat betekent; om een zin te herhalen van de geëerde Johannes-Paulus II: “De deuren wagenwijd openzetten op Christus.”

Het is mij overkomen dat ik ontvangen werd in families en dat ik zag wat er gebeurde als men aan de deur belde en een onverwacht bezoek werd aangekondigd. De vrouw des huizes haastte zich om de kamers, in wanorde, met een onopgemaakt bed, te sluiten, om de gast te brengen naar de aantrekkelijkste plaats. Met Jezus moet men het tegengestelde doen: Juist de “plaatsen in wanorde” van het leven openen, vooral de plaats met de intenties…,voor wie werken we en waarom doen we het?

In deze adventsperiode is dit de beste manier om een warm en aantrekkelijk bedje klaar te maken voor Christus die komt op Kerstmis.