2e Adventspreek 2008

 

“Geloof je?” De godheid van Jezus in het evangelie van Johannes

 

“Als je niet gelooft dat “IK Ben”…”

 

Eens vierde ik de Eucharistie in een slotklooster. Het was Paastijd. Het evangelie was een passus uit het Johannes, waarin Jezus verschillende keren herhaalt : “Ik ben” : “Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zul gij in uw zonden sterven.” “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben …”. “ Voor Abraham werd, ben Ik” (Joh. 8, 24;28;58). De woorden “Ik Ben” hebben een ster doen opgaan. Dat wordt aangeduid door het feit dat beide woorden tegen elke grammaticale regel in met een hoofdletter beginnen. Er is daarenboven zeker nog een andere reden, die nog mysterievoller is. Deze woorden hebben in mij een licht doen schijnen. Het was niet alleen de Christus van 2000 jaar geleden die ze uitsprak; het was de Christus die verrezen is en leeft, die opnieuw,op dit eigenste ogenblik en voor ons zijn Ego Eimi, “Ik Ben!” uitsprak. Deze woorden kregen een kosmische weerklank. Het was niet alleen maar een eenvoudige geloofsontroering; het was een van die aangrijpende momenten die in het hart een onuitwisbare herinnering nalaten nadat zij voorbij zijn.

Ik ben met deze persoonlijke herinnering begonnen, want het thema van deze meditatie is het geloof in Jezus Christus in het Evangelie van Johannes, en over de woorden “Ik Ben” als hoogste uitdrukking van dit geloof. De hedendaagse commentaren over het vierde Evangelie zijn unaniem : zij zien allemaal in de woorden van Jezus een allusie op de naam van God, zoals die geuit wordt in bv. Jes. 43,10 : “Gij moet inzien en in Mij geloven dat ik het ben.”

Augustinus bracht dit woord van Jezus in verband met de openbaring van de Naam van God in Exodus 3,14. Hij trok daaruit deze conclusie : “De woorden : ‘Als je niet gelooft dat Ik Ben’ wille, eenvoudig dit zeggen : “Ja, als jullie niet geloven dat ik God ben, zullen jullie in je zonden sterven.”

Je zou kunnen antwoorden dat dit de woorden van Johannes zijn, dat zij latere ontwikkelingen van het geloof uitdrukken, en niet de woorden zoals die uitgesproken werden door Jezus. Maar daar ligt juist de vraag. Deze woorden zijn echt de woorden van Jezus. Zeker, het zijn de woorden van de verrezen Jezus die voortaan leeft en spreekt “in de Geest”. Maar het is altijd Jezus, Jezus van Nazaret.

Tegenwoordig maakt men een gewoonte van om een onderscheid te maken tussen de ‘authentieke woorden’ van Jezus in het Evangelie, en de ‘niet authentieke woorden”. Men maakt een onderscheid tussen de woorden die Jezus echt uitsprak tijdens zijn leven, en de woorden die de apostelen na zijn dood aan Hem toeschreven. Maar dit onderscheid is heel ambigu en geldt niet voor Jezus, zoals in het geval van een gewone menselijke auteur.

Het is klaar : het gaat er niet om het menselijk en historisch karakter van de geschriften van het Nieuw Testament in twijfel te trekken. Evenmin wil ik de verschillen van de literaire genres en de ‘vorm’ van het geschrift betwijfelen. Nog minder gaat het erom terug te keren naar de oude idee van een woordelijke en bijna mechanische inspiratie van de Schrift. Het gaat er enkel om te weten of de bijbelse inspiratie nog een betekenis heeft voor de christenen of niet. Als wij bij het einde van een lezing uit de bijbel verkondigen: “Woord van Heer”, dan geloven wij al dan niet wat wij zeggen

“Het is het Werk van God dat wij geloven in Hem die Hij gezonden heeft”

Volgens Johannes is Christus het specifiek en eerste voorwerp van ons geloof. “Geloven’ zonder andere toevoeging heeft betekent vanaf nu ‘in Christus geloven’. Het kan ook betekenen ‘geloven in God, die zijn Zoon in de wereld gezonden heeft’. Jezus richt zich tot personen die al in de ware God geloven. Wanneer Hij de nadruk legt op het geloof, houdt dit voortaan dit nieuwe in : zijn komst in de wereld, het feit dat Hij spreekt in de Naam van God.’ In één woord: het feit dat Hij de enige Zoon is van God, “een met de Vader”.

Johannes nam de godheid van Christus en zijn goddelijke afstamming als voornaamste doel van zijn evangelieverkondiging, a thema dat heel zijn evangelie tot een eenheid maakt. Hij besluit zijn evangelie met de woorden: “Maar deze (woorden) hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam (Joh. 20,31). En hij sluit zijn eerste brief af met bijna identieke woorden: “Ik heb u deze brief geschreven om u er van te overtuigen dat gij eeuwig leven hebt, gij allen die waarachtig gelooft in de Zoon van God.” (1 Joh., 4,13)

Als je vlug het Vierde Evangelie overloopt, geeft men er zich rekenschap van dat het geloof in de goddelijke oorsprong van Christus tegelijk de intrigue als het raamwerk van dit evangelie uitmaakt. Geloof in Hem die de Vader heeft gezonden wordt gezien als “werk van God”, als datgene wat God het meest aangenaam is (cfr. Joh. 6,29). Ongeloof in Hem wordt consequent gezien als ‘de zonde’ bij uitstek: Eenmaal gekomen zal Hij (De Trooster) de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is : van wat zonde is, omdat zij niet in Mij geloven.” (Joh. 16, 8-9). Jezus vraagt dat type van geloof dat door God in het Eerste Verbond gevraagd werd: “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij “(Joh. 14,1).

Zelfs nadat Jezus is heengegaan, blijft het geloof in Hem de grote afbakening voor de scheiding in de schoot van de mensheid : aan de ene kant zal er een gedeelte zijn dat gelooft, zelfs zonder gezien te hebben (cf. Joh. 20,29). Aan de andere kant staat de wereld die weigert te geloven. In overeenstemming met dit onderscheid komt elk onderscheid dat vroeger bekend was op het tweede plan, zelfs het onderscheid tussen Joden en heidenen.

Wij staan verbluft wanneer wij zien welke (reusachtige) onderneming de Geest van Jezus Johannes liet volbrengen. Hij bracht alle thema’s symbolen, verwachtingen, alles wat op het religieus plan in de Joodse zowel als in de Griekse wereld leefde, samen, en hij liet dit alles samenvloeien in één enkele idee, beter nog in één unieke persoon: Jezus Christus, Zoon van God, Redder van de Wereld.

Wanneer je de boeken van sommige geleerden uit de ‘School van de vergelijkende godsdienstgeschiedenis” leest, zou je kunnen denken dat het christelijke mysterie dat door Johannes gepresenteerd wordt, bijna niet verschilt van de gnostische religieuze mythe of van de mythe van de Mandeërs, van de religieuze Griekse filosofie of de hermetische filosofie. De omtrekken vervagen en de parallellen worden vermenigvuldigd. Het christelijk geloof wordt een variante van deze veranderende mythologie en van deze diffuse religiositeit.

Maar wat betekent dit? Het betekent enkel dat de vergelijkende godsdienstgeschiedenis abstractie maakt van de meest essentiële zaak: het leven en de historische kracht die achter systemen en voorstellingen verborgen gaan. De levende personen verschillen de een van de ander, maar de skeletten gelijken allemaal op elkaar. Wanneer de christelijke boodschap eens herleid is tot de staat van een skelet , los van het leven dat haar heeft voortgebracht, namelijk het leven van de Kerk en van de Heiligen, loopt deze boodschap altijd het risico om zich te vermengen met andere religieuze voorstellingen, terwijl zij toch “uniek’ is.

Johannes heeft ons geen overzicht van antieke religieuze doctrines doorgegeven, maar wel een krachtig kerygma. Hij heeft de taal van zijn tijdgenoten geleerd, om in deze taal en met al zijn krachten de unieke reddende waarheid uit de roepen, het Woord bij uitstek, “Het Woord”.

Zo’n onderneming realiseer je niet achter een bureau. De synthese van het geloof in Christus door Johannes is als het ware “in gloed gezet” onder invloed van deze ‘zalving” door de heilige Geest, die alles onderwijst waarover Johannes zelf in zijn eerste brief spreekt, heel zeker vanuit een persoonlijke ervaring (cf. 1 Joh. 2, 20-27). En juist omwille van deze oorsprong kan je zelfs vandaag niet, het Evangelie van Johannes verstaan van achter een bureau, met vier woordenboeken langs je,.Alleen een zekerheid die geopenbaard is, waarachter zich de kracht van God zelf verbergt, kon in een boek met zo’n nadruk en met een zo grote samenhang ontvouwd worden, en telkens vanuit duizend verschillende punten uitmonden in dezelfde conclusie : Jezus van Nazareth is de Zoon van God en de Redder van de wereld.

 

Zalig Hij die door Mij niet geschandaliseerd wordt.

 

De godheid van Christus is de hoogste top, de Everest van het geloof. Zij is veel moeilijker dan eenvoudigweg in God te geloven. Deze moeilijkheid ligt in de mogelijkheid en zelfs in het onvermijdelijkheid van het ‘schandaal’. “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” (Mat. 11,6), zegt Jezus. Het schandaal komt voort uit het feit dat hij die een mens is van wie men alles weet, zich tot ‘God’ proclameert,. “Maar van Hem weten wij vanwaar hij komt,” zeggen de Farizeeën (Joh. 7,27). De mogelijkheid om geschandaliseerd te worden, moet heel sterk geweest zijn, speciaal voor een jonge Jood. Want de auteur van het vierde evangelie was toch een Jood. Hij was toch gewoon aan God te denken als aan de driemaal Heilige, Die je niet zien kan en in leven blijven. Maar de tegenstelling tussen de universaliteit van de Logos en de vergankelijkheid van de mens Jezus van Nazaret scheen wel uiterst evident voor de filosofische mentaliteit van zijn tijd.Celsus riep uit : “Zoon van God - een mens die enkele jaren geleden geleefd heeft? Een mens van gisteren of eergisteren? “ Een mens’ “geboren in een dorp van Judea, uit een arme spinster, die mens Zoon van God?”. Deze reactie van geschandaliseerd te zijn is het klaarste bewijs dat het geloof in de godheid van Christus geen vrucht is van het helleniseren van het christendom, maar wel van de christianiseren van het hellenisme.

In de Inleiding op het christendom van onze huidige Paus lezen wij verhelderende inzichten over dit gegeven: “ Met het tweede artikel van het ‘Credo’ staan wij voor het echt schandaal van het christendom. Dit bestaat hierin dat wij belijden dat de mens-Jezus, een individu dat rond het jaar dertig in Palestina geëxecuteerd werd, de ‘Christus’ (de Gezalfde, de Uitverkorene) van God is, en wat meer is, de Zoon zelf van God, en dus het focuscentrum, beslissend steunpunt dat heel de menselijke geschiedenis bepaalt….Mogen wij ons werkelijk veroorloven om ons vast te klampen aan het broze twijgje van één enkel feit uit de geschiedenis? Mogen wij het risico lopen om heel ons bestaan, en zelf heel de geschiedenis, toe te vertrouwen aan dit strootje van een toevallig feit, dat dobbert op de immense oceaan van kosmische rampen.

Wij weten hoezeer deze idee, die reeds in de oudheid en in het Aziatische denken onaanvaardbaar was, in de huidige context van de interreligieuze dialoogweerstand ondervindt. “Een particulier gebeuren - zo merkt met op – dat begrensd is en tijd en ruimte, zoals dat het geval is met de historische persoon van Christus, kan onmogelijke de onbeperkte heilsmogelijkheid van God en van zijn Woord uitputten”. Hieruit volgt dat men verschillende wegen van heil moet erkennen die onafhankelijk zijn van de historische Christus, en zelfs van het Eeuwige Woord van God.

Ons verstand kan ons helpen een eerste antwoord te geven op deze tegenwerping. Als het inderdaad waar is dat geen enkel particuliere gebeurtenis op zichzelf de onbeperkte mogelijkheden van het heil vanwege God en zijn Eeuwig Woord kan uitputten, dan is het evenzeer waar dat dit Eeuwig Woord in staat is om vanuit deze mogelijkheden datgene te realiseren wat nodig is voor de redding van de wereld, want de wereld is zelf eindig.

Maar bij een uiteindelijke analyse kan alleen het geloof het schandaal overstijgen. De historische bewijzen van de godheid van Christus en de goddelijke oorsprong van het christendom volstaan niet om het schandaal op te heffen. Je kan niet echt geloven - aldus Kierkegaard - tenzij wanneer je leeft in dezelfde tijd als Christus, dat wil zeggen als tijdgenoot van Christus en zijn apostelen. Maar de geschiedenis, het verleden, helpen ons dat niet om dat te geloven. Leefde Christus nu niet al 2000 jaar geleden. Werd zijn Naam niet verkondigd? Gelooft men niet in Hem over heel de wereld. Heeft zijn leer dan niet het aanschijn van de aarde veranderd? Is Hij niet als overwinnaar in alle milieus doorgedrongen? Heeft de geschiedenis dan niet meer dan voldoende aangetoond dat Hij God was?

Het antwoord van dezelfde filosoof is negatief. De geschiedenis kan dat niet bewerken in de eeuwigheid. Het is onmogelijk om, uitgaande van de resultaten van een menselijk leven zoals dat van Jezus, te zeggen: Dus, deze mens was God! Voetsporen op een weg zijn het bewijs dat iemand door voorbijgegaan is. Ik kan me vergissen en denken dat het bijvoorbeeld een vogel pas. Als ik van meer nabij het spoor bekijk, moet ik besluiten dat het geen spoor van een vogel is, maar dat van een ander dier. Maar zonder de kwaliteit van mijn onderzoek kan ik niet tot de conclusie komen dat het niet om een vogel noch om een ander dier gaat, maar om een geest. Want het is de natuur van een geest dat hij geen sporen nalaat op de weg.

Op dezelfde manier kunnen wij niet besluiten dat Christus God is, wanneer wij alleen bekijken wat wij over Hem en over zijn leven weten. Wij kunnen niet tot die conclusie komen op basis uit directe observatie. Diegene die in Christus wil geloven, is verplicht zijn tijdgenoot te woorden door zich te vernederen en naar het ‘innerlijk getuigenis’ te luisteren dat de Heilige Geest over Hem geeft.

Als katholieken hebben wij enkele reserves bij de manier waarop het probleem van de godheid van Christus gesteld wordt. De noodzakelijke evidentie van de Verrijzenis van Christus ontbreekt hier. Niet alleen die van zijn vernedering. Hier wordt ook onvoldoende rekening gehouden met het uiterlijk getuigenis van de apostelen, en bovenden van “ de H. Geest die in ons innerlijke getuigt”. Daarin ligt een belangrijk element van waarheid waarmee je rekening moet houden om altijd op een authentieke en persoonlijke manie te geloven.

De H. Paulus zegt dat “Het geloof van uw haart brengt de gerechtigeheid, en de belijdenis van uw mond het heil.” (Rom. 10,10). Het tweede moment, de belijdenis van het geloof, is belangrijk. Maar als deze niet samengaat met het eerste moment dat zich afspeelt in de verborgen diepte van ons hart, dan is die overbodig, dan is ze hol. “Uit de wortels van het hart ontspringt het geloof”, roept de H. Augustinus uit. Daarmee parafraseert hij het ‘geloof vanuit het hart’ van de H. Pauls: je gelooft vanuit het hart.

De sociale dimensie en de dimensie van de gemeenschap zijn zeker essentieel voor het christelijk geloof. Maar indien je geen louter conventioneel en fictief geloof wil, moet dit het resultaat zijn van zoveel persoonlijke geloofsakten,.”

 

“Ik ben de weg, de waarheid en het leven”

 

Dit geloof ‘van het hart’ is vrucht van een speciale zalving door de Geest. Wanneer je onder deze zalving staat, wordt het geloof een soort kennis, een visie, een innerlijke verlichting : “En wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt” (Joh., 6,69). “Wij hebben het aanschouwd : dààrover spreken wij, over het Woord dat Leven is.” (1Joh. 1,1). Luister hoe Jezus dit bevestigt : “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij” (Joh., 14,6).

Word er heel diep, en met heel je wezen, van bewust dat wat je hoort, waar is.

Onlangs hebben we een indrukwekkend geval meegemaakt van de verlichting door het geloof dank zij dit Woord van Jezus dat door Johannes wordt overgeleverd. In Milaan ontmoette ik een Zwitsers kunstenaar Hij had vriendschapsrelaties met befaamde filosofen en kunstenaars van zijn tijd, en hij had op de verschillende plaatsen in de wereld persoonlijke tentoonstellingen gehouden. (Een van zijn werken werd tentoongesteld en door het Vaticaan aangekocht ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Paus Paulus VI).

Zijn gepassioneerde zoektocht op religieus vlak heeft hem ertoe gebracht om het boeddhisme en het hindoeïsme aan te hangen. Na een lang verblijft in Tibet, India en Japan, was hij in Milaan een meester geworden in deze disciplines. Een menigte beroepsbeoefenaars en gecultiveerde mensen zochten bij hem hun toevlucht voor geestelijke begeleiding. Zij beoefenden met hem de transcendentale meditatie en de yoga.

Zijn terugkeer naar het geloof in Jezus Christus kwam mij voor als een buitengewoon actueel getuigenis. Ik heb lang bij hem aangedrongen om zijn getuigenis neer te schrijven. Zojuist heb ik dit manuscript ontvangen. Ik wil U een kort uittrekstel hieruit voorlezen. Dat helpt ondermeer om te verstaan wat Saul op zijn weg naar Damascus ervaren heeft toen heel zijn innerlijke wereld door een licht plots aan stukken werd geslagen en door een ander licht vervangen :

Ik was alleen in een dicht bos, toen deze innerlijke revolutie zich voordeed die heel de denkstructuur van mijn intelligentie veranderde. Ik kende de woorden van Christus : “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij”.

Maar in het verleden vond ik deze woorden nogal aanmatigend. Zij raakten mij nu in mijn diepste zelf. Na dertig jaar boeddhisme, hindoeïsme en taoïsme werd ik nu door “Deze God’” aangetrokken. Nochtans was er in mij een diepe afwijzing van alles wat het christendom betrof. Geleidelijk aan voelde ik dat een vreemde sensatie mij overweldigde : een sensatie die totaal nieuw was. Voordien had ik nog nooit een dergelijke sensatie ervaren. Ik werd de aanwezigheid gewaar van Iemand van wie een buitengewone kracht uitging.

Deze woorden van Christus werden een obsessie voor mij. Zij werden een nachtmerrie. Ik verzette mij ertegen, maar het geluid in mijn binnenste werd sterker en keerde naar mij terug als een echo van mijn bewustzijn. Ik stond op het boord van een crisis. Ik verloor de controle over mijn geest, en na dertig jaar meditatie over de diepste zin was dit voor mij volledig onaanvaardbaar.”Ja, het is waar, je hebt gelijk,” schreeuwde ik, het is waar, het is waar. Maar houd op, bid ik u; ik bid u, houd op.” Ik geloofde dat ik aan de onmogelijkheid om uit deze vreselijk situatie te geraken zou sterven. Ik zag geen bomen meer, ik hoorde geen vogels meer. Er was niets anders dan de innerlijke stem van deze woorden die zich in mijn wezen inscherpten. Ik viel op de grond en verloor het bewustzijn. Maar juist daarvoor voelde ik mij omhuld door een oneindige liefde. Ik voelde dat zij de structuur die mijn denken droeg, vloeibaar maakte als een grote ontploffing van mijn bewustzijn. Ik stierf aan een verleden dat mij diep geconditioneerd had. Heel mijn waarheid viel uiteen. Ik weet niet hoelang ik daar bleef. Maar toen ik terug bij bewustzijn kwam, was het alsof ik een nieuwe geboorte had beleefd. De hemel van mijn geest was helder en tranen zonder ophouden maakten mijn gezicht en mijn hals nat. Ik had het gevoelen dat ik de grootste ondankbare was die op aarde bestond. Ja, het grote leven bestaat en behoort deze wereld niet toe. Voor het eerst ontdekte ik datgene wat christenen verstaan onder ‘genade’. Sedert meer dan 25 jaar leeft deze man die gekend is als Master Bee, samen mijn zijn vrouw die kunstenaar is als hij, als semi-kluizenaar in deze wereld. Hij onderwijst het gebed van het hart en het gebed van de rozenkrans aan zijn vroegere leerlingen die bij hem om raad komen.

Hij heeft er geen behoefte aan zijn vroegere religieuze ervaringen te ontkennen. Zij waren een voorbereiding op zijn ontmoeting met Christus en stellen hem nu in staat om heel de nieuwheid van deze ontmoeting te appreciëren. Hij heeft zelfs een diep respect voor deze ervaringen behouden. Vanuit de feiten bewijst hij hoe het vandaag mogelijk is de meest volledige aanhankelijkheid aan Christus te combineren met een heel grote openheid op de waarden van andere godsdiensten.

De verborgen geschiedenis van de zielen, ver van de schijnwerpers van de massa media, zijn vervuld van ontmoetingen met Christus die het leven veranderen. Het is spijtig dat de discussies over Christus, theologische discussies inbegrepen, volledige abstractie maken van deze ontmoetingen. Die tonen aan dat Jezus werkelijk “dezelfde is, gisteren, vandaag en in eeuwigheid”. Hij is in staat de harten van de mensen van vandaag aan te grijpen met evenveel kracht als toen hij Johannes en Paulus “aangreep”.

 

De leerling die door Jezus bemind werd (en die Jezus beminde)

 

Om te eindigen willen wij terugkomen op de leerling die door Jezus bemind werd. Johannes nodigt ons heel sterk uit om de persoon van Jezus opnieuw te ontdekken en om ons geloof in Hem te vernieuwen. Hij is een buitengewoon getuige van de kracht die Jezus kan uitoefenen op het hart van een mens. Hij toont ons het mogelijk is om heel zijn universum rond Christus uit te bouwen. Hij slaagt erin om ons de unieke volheid te laten zien, die ondenkbare schat die de Persoon van Jezus is.

En dat is niet alles. Omdat zij hun geloof niet kunnen meenemen naar de hemel waar het niet meer dienstig is, zijn de heiligen gelukkig om dit geloof als erfenis achter te laten voor de broers die het op aarde nodig hebben. Zij doen zoals Elias : toen die ten hemel opsteeg, liet hij zijn mantel achter voor Eliseus. Wij moeten de nalatenschap van de heiligen enkel plukken. Wij kunnen het vurig geloof van Johannes niet enkel beschouwen, wij kunnen het ook maken tot ons geloof. Het dogma van de gemeenschap van de heiligen verzekert ons dat dit mogelijk is, en dat wij dit in gebed kunnen ervaren.

Men heeft gezegd dat de grootste uitdaging voor de evangelisatie bij het begin van het derde millennium de opkomst van een nieuw type mens en cultuur zijn : de kosmopolitische mens die zich voortaan beweegt van Hong Kong naar New York en van Rome tot Stockholm in een systeem van mondiale uitwisseling en informatie, dat alle afstanden te niet doet en dat het traditionele onderscheid van cultuur en religie naar het tweede plan doet verschuiven.

Johannes heeft geleefd in een culturele context die op de context van dit derde millennium gelijkt. Voor de eerste keer ervaarde de wereld toen een zeker kosmopolitisme. Juist in die periode werd de term ‘kosmopolitès’, kosmopoliet, geboren en ook bevestigd. In de grote gehelleniseerde steden zoals Alexandrië in Egypte, ademde men een sfeer van universaliteit en godsdienstige verdraagzaamheid.

Hoe gedraagt zich de vierde evangelist in een dergelijke situatie? Heeft hij er naar gezocht hoe Jezus in te passen in dit klimaat waar in alle godsdiensten en culturen aanvaard werden op voorwaarde dat men aanvaardde dat men ook deel uitmaakt van een groter geheel? Helemaal niet. Hij voert geen polemiek tegen iemand tenzij tegen de slechte christenen en de afvalligen in de schoot van de kerk. Hij voert geen polemieken tegen andere godsdienst en erediensten van die tijd (behalve in de Apocalyps, tegen het schandelijk gedrag van de keizer. Hij verkondigt alleen Christus als ultieme gave van de Vader aan de wereld. Hij laat iedereen vrij om dit al dan niet te aanvaarden. Het is waar dat hij een polemieken gevoerd heeft met het Jodendom. Maar voor hem was dat geen ‘andere godsdienst’, dat was zijn godsdienst!

Hoe is Johannes gekomen tot een dergelijke totale bewondering en een zo absolute idee van de persoon van Christus? Hoe kan je uitleggen dat zijn liefde voor Hem in de loop van de jaren gegroeid is in plaats van te verzwakken? Ik geloof dat dit te wijten is aan de Heilige Geest,en bovendien aan de Moeder van Jezus die aan zijn zijde stond; aan het feit dat hij met haar leefde, met haar bad, met haar over Jezus sprak. Het is indrukwekkend te bedenken dat, toen de evangelist de zin ontving : “En het Woord is vlees geworden”, hij de vrouw in wier schoot het mysterie zich voltrokken had, in zijn nabijheid had en onder hetzelfde dak leefde.

Origines schreef: “Het evangelie van Johannes is de bloem van de vier evangelies. Hij alleen heeft zijn hoofd gelegd tegen de borst van Jezus. Hij heeft Maria als zijn eigen Moeder ontvangen. Hij alleen kon de diepte van Jezus vatten.

Jezus is geboren uit de Maagd Maria, ontvangen uit de H.Geest. De heilige Geest en Maria zijn de twee die, elk op een diverse manier, onze beste verbondenen zijn in onze inspanning om dichter bij Jezus te komen om Hem door het geloof bij deze Kerstmis.te laten geboren worden in ons leven.

(De teksten uit de Bijbel zijn geciteerd uit Willibrord, 1981)