Derde adventspredicatie in de bisschoppelijke woning.

 

“De genadevolle gerechtigheid door het geloof”.

 

De gerechtigheid die voorkomt uit het geloof in Jezus Christus.
Het geloof in Jezus Christus van Sint Paulus.

 

1.Gerechtigd door het geloof in Christus.

 

De vorige keer hebben wij getracht ons geloof in Christus aan te wakkeren door het contact met het geloof van de evangelist Johannes.Deze keer zullen we hetzelfde proberen door het contact met het geloof van de apostel Paulus. Wanneer Sint Paulus, in de jaren 57-58, vanuit Korinthe zijn brief schreef aan de Romeinen, was de herinnering aan de opgelopen afwijzing enkele jaren vroeger in Athene ter gelegenheid van zijn toespraak op de Areopagus, nog levendig en brandend in hem aanwezig. En toch, bij het begin van zijn brief bevestigt hij er zeker van te zijn de gave van het apostolaat te hebben ontvangen om “ onder alle volken mensen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof” (Rm 1,5).

De gehoorzaamheid en wat meer is, van alle volkeren. De mislukking had helemaal niet zijn zekerheid aangetast dat het Evangelie “ kracht van God is voor het heil van iedere gelovige” (Rm 1,17). Op dat ogenblik lag de immense taak om het Evangelie uit te dragen tot aan de verste uithoeken van de wereld nog volledig vóór hem. Moest deze taak hem niet onmogelijk en dwaas lijken? Maar Paulus zegt:” Ik weet Wie ik mijn vertrouwen heb geschonken” (2 Tm 1,12) en twee duizend jaar hebben gelijk gegeven aan de durf van zijn geloof. De eerste keer dat ik naar Athene en Korinthe ging dacht ik hierover na en zei tot mezelf: “ Indien we vandaag een heel klein zaadje hadden van het geloof van Paulus, dan zouden we ons niet laten intimideren door het feit dat een groot deel van de wereld nog te evangeliseren valt en dat deze wereld soms zelfs met minachting weigert zich te laten evangeliseren, net zoals de leden van de Areopagus”.

Voor Paulus is het geloof in Christus alles.

“ Voor zover ik nu leef in het vlees – schrijft hij als wijze van testament in zijn brief aan de Galaten – leef ik in het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij” (Ga 2,20).

Wanneer men spreekt van het geloof in Sint Paulus denkt men onmiddellijk aan het grote thema van de gerechtigheid door het geloof in Jezus Christus. Het is op dit onderwerp dat we onze aandacht willen vestigen, niet om er een zoveelste debat aan te wijden, maar om de opbeurende boodschap die het inhoudt te ontvangen.

In mijn eerste meditatie zei ik dat we nood hebben aan kerygmatische prediking, ( kerygma: is de essentie van de prediking betreffende Gods verlossend werk in en door Christus) die het geloof kan opwekken waar het nog niet bestaat of waar het dood is.

De genadevolle gerechtigheid door het geloof in Christus is de kern van deze homilie en het is jammer dat ze in realiteit praktisch afwezig is in de gewone prediking van de Kerk.

En eigenaardig feit hieromtrent heeft zich voorgedaan. Het Concilie van Trente had een katholiek antwoord gegeven op de bezwaren opgeworpen door de hervormers, hierdoor werd een plaats gegeven aan het geloof en een andere plaats aan de goede werken, terwijl beide domeinen geëerbiedigd werden. Men redt zich niet door goede werken, maar men redt zich niet zonder goede werken. Maar in werkelijkheid – vermits de protestanten eenzijdig aandrongen op het geloof- hebben de katholieke prediking en spiritualiteit uiteindelijk bijna uitsluitend aanvaard om te herinneren aan de noodzaak tot goede werken en de persoonlijke inbreng tot zaligheid. Het resultaat was dat een grote meerderheid van katholieken op het einde van hun leven nog nooit hadden gehoord van de directe verkondiging van de genadevolle gerechtigheid door het geloof, zonder een teveel aan “ maar” en “toch”. Na het akkoord van oktober1999 tussen de katholieke Kerk en de Mondiale Federatie van Lutheraanse Kerken over deze kwestie, is de situatie veranderd op het niveau van de principes, maar het is nog steeds moeilijk om het in praktijk om te zetten. In de tekst van dit akkoord wordt de wens uitgedrukt dat de gemeenschappelijke doctrine over de gerechtigheid thans praktisch zou worden ingevuld om aldus een ervaring te woeden die beleefd wordt door alle gelovigen en dat ze niet alleen een onderwerp is voor geleerde woordenwisselingen tussen theologen.

Dat willen we juist - tenminste voor een klein beetje- bereiken in deze meditatie.

Laat ons eerst de tekst lezen:

“ Allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de Goddelijke Heerlijkheid. En allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. Hem heeft God voor wie gelooft aangewezen als zoenoffer door Zijn Bloed. God wilde zo Zijn gerechtigheid tonen, want Hij had in zijn verdraagzaamheid de zonden van het verleden laten passeren. Hij heeft zijn gerechtigheid willen tonen nu, in deze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is en rechtvaardig maakt ieder die leeft uit het geloof in Jezus”(Rm 3,23-26).

Men verstaat niets van deze tekst en hij zou uiteindelijk meer angst dan opbeuring bieden ( wat ook het geval was gedurende eeuwen) als men de uitdrukking “ Gods rechtvaardigheid” niet correct interpreteert.

Het was Luther die herontdekte dat “ Gods rechtvaardigheid” hier niet betekent zijn straf of nog erger zijn wraak ten overstaan van de mens, maar integendeel de daad waardoor God de mens “rechtvaardig” maakt. ( In werkelijkheid zei Hij “verklaart” en niet “maakt” rechtvaardig, want hij dacht aan een wezenlijke en wettelijke rechtvaardiging eerder dan aan een echt rechtvaardig maken. Ik heb gezegd “ herontdekt” want lang vóór hem had Sint Augustinus geschreven:” De rechtvaardigheid van God is de rechtvaardigheid dank zij dewelke- door zijn genade- hij van ons rechtvaardigen maakt (iustitia Dei, qua iusti eius munere efficimur), precies zoals het “ heil van de Heer” ( Ps 3,9) het heil is waardoor God van ons geredden maakt”.

Het concept “Gods rechtvaardiging” wordt als volgt uitgelegd in de brief aan Titus: “ De dag waarop de goedheid en de mensenliefde van God zich hebben geopenbaard, heeft Hij zich niet beziggehouden met goede werken die we hadden kunnen doen, maar alleen op grond van Zijn eigen barmhartigheid heeft Hij ons gered” ( Tt 3,4-5).

Zeggen: “ de goedheid van God, onze Redder en Zijn liefde voor de mensen openbaarden zich” is dus gelijk aan zeggen: “ de goedheid van God, Zijn liefde, Zijn barmhartigheid hebben zich geopenbaard”. Het zijn niet de mensen die op het onverwachts van leven zijn veranderd of van gewoonten en plots begonnen goed te doen; het nieuwe is dat God gehandeld heeft. Als eerste heeft Hij de hand gereikt naar de mens- zondaar en zijn handeling heeft de tijden getrotseerd.

Het is hier dat de nieuwigheid zich situeert die de christelijke religie onderscheidt van andere. Alle andere godsdiensten schetsen een weg van redding, heil voor de mens, mits praktische regels in acht te nemen of intellectuele speculaties en beloven hem als uiteindelijke beloning de redding of de verlichting, maar laten hem in de grond alleen om deze taak te verwezenlijken. Het christendom begint niet met wat de mens moet doen om zich te redden, maar met wat God gedaan heeft om hem te redden. De orde is omgekeerd.

Het is waar dat God beminnen met heel zijn hart “ het eerste en grootste gebod is. Maar de orde van de geboden is niet de eerste orde, het is de tweede. Vóór de orde van de geboden komt die van de gave, van de genade. Indien men hiermee geen rekening houdt, kan de interreligieuze dialoog allen maar verwarring teweegbrengen en twijfel in het hart van talrijke christenen.

 

2. Gerechtigheid en bekering.

 

Nu zou ik willen aantonen dat de leer van genadevolle rechtvaardiging door het geloof geen uitvinding is van Sint Paulus maar de pure leer van Jezus. Aan het begin van zijn ambt verkondigde Jezus: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeer u en geloof in de blijde boodschap”( Mc.1,15). Wat Jezus bedoelt met het “Rijk Gods” – dit wil zeggen het reddingbrengende initiatief van God, Zijn aanbod om de wereld te redden wordt door Sint Paulus genoemd: “gerechtigheid van God”, maar het gaat om dezelfde fundamentele werkelijkheid. Jezus zelf brengt “Gods Koninkrijk” dichter bij “Gods gerechtigheid” wanneer Hij zegt:” Zoek eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid” (cf.Mt 6,33). Jezus – schreef reeds Sint Cyrillus van Alexandrië – noemt: “ Gods Koninkrijk” de gerechtigheid door het geloof, de reiniging door het doopsel en de gemeenschap met de Geest.

Wanneer Jezus zei: “ Bekeer u en geloof in de blijde boodschap” onderwees Hij dus reeds de gerechtigheid door het geloof. Reeds vóór Hem betekende zich bekeren altijd een stap terugzetten ( zoals de term “shub” gebruikt wordt in het Hebreeuws om deze actie aan te duiden); dit betekende terugkeren naar het verkrachte verbond doorheen een hernieuwde naleving van de wet.

Bijgevolg heeft de bekering een essentiële ascetische, morele en boetedoende betekenis en realiseert ze zich door van levenswijze te veranderen. De bekering wordt gezien als voorwaarde tot redding; de betekenis is: bekeer u en u zult gered worden; bekeer u en de redding zal tot u komen. In de mond van Jezus komt deze morele betekenis op het tweede plan ( ten minste in het begin van zijn prediking) ten overstaan van een nieuwe betekenis, tot dan toe onbekend.

Zich bekeren betekent niet meer een stap terugzetten naar het oude verbond en de naleving van de wet; het betekent eerder een stap vooruit zetten, binnentreden in een nieuw verbond, dit Koninkrijk dat gekomen is grijpen en er binnentreden. Er binnentreden door het geloof.

De uitdrukking: “ bekeer en geloof” betekent niet twee verschillende en opeenvolgende dingen maar dezelfde daad: bekeer u, dit wil zeggen: geloof; bekeer u al gelovend! “ Prima conversio ad Deum fit per fidem” schreef Sint Thomas van Aquino: “ De eerste bekering tot God bestaat in het feit te geloven”.

“Bekeer u en geloof” betekent dus: ga van het oude verbond dat gebaseerd was op de wet over naar het nieuwe verbond dat gebaseerd is op het geloof. De apostel zegt hetzelfde met de leer over de gerechtigheid door het geloof. Het enige verschil ligt in wat zich heeft voorgedaan tussen de prediking van Jezus en die van Paulus: Christus werd afgewezen en ter dood gebracht voor de zonden van de mensen. Het geloof “ in de blijde boodschap” ( “geloof in de blijde boodschap”) toont zich nu als geloof “in Jezus Christus”,”in Zijn bloed” (Rm 3,25).

 

3. Het geloof - zich eigen maken.

 

Alles hangt af van het geloof. Maar we moeten weten dat er verschillende soorten geloof zijn: er is het geloof -beaming van de intelligentie, het geloof –vertrouwen, het geloof –standvastigheid, zoals Jesaja (7,9) vermeldt. Over welk geloof gaat het als men spreekt over de “gerechtigheid door het geloof”?

Het gaat over een heel speciaal geloof: het geloof - zich eigen maken. Steeds opnieuw, en ik word er niet moe van in dit verband een tekst van Sint Bernardus te citeren: “ Ik, wat ikzelf niet kan bekomen, dat eigen ik me toe ( ik eigen het me wederrechtelijk toe) met vertrouwen terwijl ik put uit de doorstoken zijde van de Heer, want Hij is vol barmhartigheid. Mijn verdienste is dus de barmhartigheid van God. Ik zal zeker niet arm zijn aan verdiensten zolang hij rijk is aan barmhartigheid. Indien de barmhartigheid van de Heer zonder mate is (cf Ps. 119,156), zal ook ik overvloeien van verdiensten. En wat met mijn gerechtigheid? O Heer, ik zal me slechts uw gerechtigheid herinneren. Deze is inderdaad ook de mijne, want Jij bent voor mij gerechtigheid vanwege God.”

Er staat inderdaad geschreven: “….Jezus Christus die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid heiliging en verlossing” (1 Ko.1,30). “ Voor ons”, niet voor zichzelf! Want wij behoren toe aan Christus meer dan aan onszelf, vermits Hij ons heeft vrijgekocht aan een hoge prijs ( 1 Ko.6,20), en omgekeerd, wat aan Christus toebehoort, behoort ons meer toe dan dat het van ons was. Dat noem ik de stoot van de durf, het waagstuk of de vleugelslag in het christelijke leven.

Sint Cyrillus van Jeruzalem drukte dezelfde overtuiging als volgt uit: “ O buitengewone goedheid van God voor de mensen! De gerechtigden van het Oude Testament behaagden God in de afmatting van lange jaren; maar wat ze uiteindelijk konden bekomen door lang en heroïsch dienstbetoon dat God aangenaam was, geeft Jezus je in de korte tijdsspanne van een uur. Inderdaad als je gelooft dat Jezus Christus de Heer is en dat God Hem heeft opgewekt uit de doden, zal je gered worden en je zal binnengeleid worden in het paradijs door Hem, die er de goede moordenaar binnenleidde.”

 

4. Gerechtigheid en biecht.

 

In het begin zei ik dat de genadevolle gerechtigheid door het geloof een ervaring moet worden, beleefd door de gelovige. Wij, katholieken, hebben op dit domein een enorm voordeel: de sacramenten en in het bijzonder het sacrament van de verzoening. Dit verschaft ons een uitstekend en onfeilbaar middel om iedere keer opnieuw de ervaring op te doen van de gerechtigheid rechtvaardiging door het geloof; wat gebeurd is in het doopsel waardoor- zo zegt Paulus - de christen “ gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd “ werd (cf.1 Ko 6,11).

De “wonderlijke uitwisseling”, het admirabile commercium, voltrekt zich iedere keer in de biecht. Christus neemt de zonden op zich en ik neem de gerechtigheid op mij. In Rome zijn er, zoals in alle grote steden, veel daklozen, arme broeders in lompen, die buiten slapen en de weinige dingen die ze bezitten meeslepen. Beeld u in wat er zou gebeuren als op een dag het gerucht verspreid werd dat er in de Via Condotti ( een straat in het historische centrum van de stad) een luxewinkel zou zijn, waar ze allemaal naartoe konden gaan, hun lompen daar neerleggen, een goede douche nemen, de klederen kiezen die ze het liefste zien en ze gratis meenemen, “ zonder geld en zonder iets te betalen” want om de een of andere reden geeft de eigenaar blijk van een uitzonderlijke gulheid.

Dit is wat gebeurt bij iedere goede biecht. In de parabel van de verloren zoon heeft Jezus ons geleerd:” haal vlug het mooiste kleed” (Lc. 15,22).

Telkens na een goede biecht kunnen we uitroepen met de woorden van Jesaja:” Hij heeft me bekleed met gewaden van redding, mij omhuld met een mantel van heil” (gerechtigheid) ( Jes. 61,10). De geschiedenis van de tollenaar herhaalt zich iedere keer: “ Mijn God, wees mij zondaar genadig” - “ heb medelijden met de zondaar die ik ben” (Lc18,13)

 

5. “ Zodat ik Hem uiteindelijk mag kennen”.

 

Waar heeft Paulus de wondermooie gedachte geput van de genadevolle gerechtigheid door het geloof, zo in harmonie – we hebben het gezien – met die van Jezus? Niet in de boeken van het Evangelie die nog niet waren geschreven, maar veeleer in de mondelinge overlevering over de prediking van Jezus en vooral in zijn eigen persoonlijke ervaring; t.t.z. in de manier waarop God in zijn leven heeft gewerkt. Hijzelf bevestigt dit door te zeggen dat hij het evangelie dat hij predikt (dat evangelie van de gerechtigheid door het geloof!) niet geleerd heeft van mensen maar door de openbaring van Jezus Christus en hij brengt deze openbaring in verband met zijn eigen bekering (cf.Ga. 1,11).

Bij het lezen van de beschrijving van zijn bekering in de brief aan de Filippenzen 3 herinner ik mij het beeld van een man die door de nacht stapt, door een bos, bij het licht van een kaars. Hij let goed op dat de kaars niet dooft want ze is het enige dat hij heeft om zijn weg verder te zetten. Maar zie, terwijl hij verder stapt, wordt het stilaan dag. De zon komt op aan de horizon, het zwakke licht van de kaars vervaagt snel totdat hij er niet meer aan denkt dat hij ze nog in zijn hand houdt en ze weggooit.

Dit kleine lichtje was voor Paulus zijn gerechtigheid, een armtierige, rokende wiek, zelfs al had hij befaamde titels: op de achtste dag ben ik besneden, ik ben uit Israëls geslacht, jood, farizeeër, onbesproken volgens de wet ( cf.Fil. 3,5-6).

Op een dag verschijnt aan de horizon van zijn leven: de zon van “gerechtigheid”, die hij in deze tekst met grote devotie noemt: “ Jezus Christus, mijn Heer” en dan lijkt zijn gerechtigheid hem een “verlies”, “afval” en hij wil niet dat men hem kent met zijn gerechtigheid,maar met degene die voortvloeit uit het geloof. God laat hem eerst experimenteren op een dramatische wijze wat hij aan de kerk moet openbaren.

Deze autobiografische tekst toont klaar en duidelijk dat de centrale kern van alles voor Paulus niet de doctrine is, zelfs al was het die van de gerechtigheid door het geloof, maar een persoon, Christus. Wat hij bovenal wenst is “ gevonden te worden in Hem”, “Hem kennen”, daar waar dit eenvoudige persoonlijk voornaamwoord oneindige dingen zegt. Hij toont dat voor de Apostel, Christus een echte persoon was, levend, niet een abstract begrip, een geheel van titels en doctrines.

De mystieke eenheid met Christus, doorheen de participatie met Zijn Geest ( leven “in Christus”, of “ in de Geest) is voor hem het punt van aankomst van het christelijke leven. De gerechtigheid (rechtvaardiging) door het geloof is slechts het begin een middel om het te bereiken. Dit nodigt ons uit om alle toevallige polemische interpretaties van Paulus’ boodschap, die gecentreerd zijn rond het thema geloof- werk, te overstijgen om de echte gedachte van de apostel terug te vinden. Wat hem vóór alles ter harte gaat is bevestigen dat we niet worden gerechtvaardigd door het geloof, maar dat we worden gerechtvaardigd door het geloof in Jezus Christus. Het gaat er niet zozeer om dat we worden gerechtvaardigd door de genade, maar dat we worden gerechtvaardigd door de genade van Christus.

Christus is de kern van onze boodschap, veruit vóór de genade en het geloof. Nadat hij in de twee vorige hoofdstukken van de brief aan de Romeinen gans de mensheid had voorgesteld in haar universele staat van zonde en verval (“allen hebben gezondigd en zijn beroofd van Gods genade”) heeft de apostel de ongelooflijke moed om te verkondigen dat deze situatie nu voor allen, Joden en Grieken, “grondig gewijzigd is krachtens de verlossing volbracht in Jezus Christus” “ door de gehoorzaamheid van één enkele” ( Rm.3,24; 5,19).

De bevestiging volgens dewelke de redding komt door het geloof, en niet door de goede werken, is aanwezig in de tekst en was misschien de meest dringende zaak die aan het licht moest gebracht worden in Luthers tijd. Maar dit gebeurt op het tweede plan en niet op het eerste plan, namelijk in de brief aan de Romeinen waarin de polemiek tegen de Judaïstische predikers veel minder aanwezig is dan in de brief aan de Galaten. Men heeft de fout gemaakt binnen het christendom tot een schoolprobleem te herleiden wat voor de apostel een bevestiging was dat het er een was met een veel grotere en universele draagwijdte.

In de beschrijvingen van middeleeuwse gevechten is er altijd een ogenblik waarop de boogschutters, de ruiterij en al de rest worden voorbij gestoken en de hevige strijd geconcentreerd is rond de koning. Daar wordt uiteindelijk de strijd beslecht. Ook voor ons vandaag ligt de beslissende fase van de strijd rond de koning. Zoals ten tijde van Paulus is de persoon van Jezus Christus de ware inzet en niet deze of gene doctrine die er betrekking op heeft, al is ze nog zo belangrijk. Het christendom “staat of valt” met Jezus Christus en niet met iets anders.

 

6. Vergetend wat achter me ligt.

 

In het vervolg van de autobiografische tekst in Fil.3 stelt Paulus ons een praktisch middel voor om onze overpeinzing te besluiten: “ Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! ……. Ik zeg alleen dit: vergetend wat achter me ligt, mij uitstrekkend naar wat vóór me ligt, storm ik af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping” (Fil. 3,12-14).

“Vergetend wat achter me ligt”. Welke afgelegde weg? Die van de Farizeeër over wie hij hoger sprak? Neen , de afgelegd weg als apostel, in de Kerk. Nu is “ de winst” te beschouwen als “een verlies”, anders: het is precies alles reeds eens beschouwd te hebben als een verlies voor Christus.

Het is normaal te denken: “ wat een moed van Paulus: een reeds goed lopende carrière als rabbijn vaarwel te zeggen voor een mysterieuze sekte van Galileeërs. En wat voor brieven heeft hij geschreven! Hoeveel reizen heeft hij ondernomen! Hoeveel kerken heeft hij gesticht!”

De apostel heeft op een verwarrende manier doodsgevaar ervaren om tussen Christus en zichzelf een “eigen gerechtigheid” te leggen voortvloeiend uit werken- deze keer de werken voltooid door Christus en hij heeft heftig gereageerd: “ Niet dat ik het al bereikt heb en ik ben nog niet volmaakt” zegt hij. Toen Sint Franciscus van Assisi in eenzelfde situatie vertoefde, maakte hij kort een einde aan elke bekoring tot eigen voldoening door te zeggen: “ Mijn broeders, laten we beginnen met de Heer te dienen, want tot nu toe hebben we praktisch niets gedaan”.

Het gaat hier om de meest noodzakelijke bekering van degenen die reeds de Heer gediend hebben en die in Zijn dienst geleefd hebben in de Kerk. Een heel bijzondere bekering die er niet in bestaat het kwaad te laten varen, maar in zekere zin het goede te laten varen! Het is te zeggen zich los te maken van alles wat gedaan werd volgens de suggestie van Christus: “wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen naar onze plicht gedaan” ( Lc.17,10).

Er bestaat een mooi Kerstverhaal dat ons doet verlangen naar Kerstmis toe te leven met een arm hart en met lege handen ( leeg van alles). Onder de herders die in de kerstnacht het Kind kwamen aanbidden was er één zo arm dat hij werkelijk niets had om te geven en hij was hierover heel beschaamd. Aangekomen bij de kribbe verdrongen ze elkaar om hun geschenk te kunnen overhandigen. Maria wist niet wat gedaan om al die geschenken aan te nemen, vermits ze het Kind in haar armen hield. Toen ze de herder zag staan met lege handen vertrouwde ze hem Jezus toe. Met lege handen komen was zijn geluk geweest.

Op een ander niveau zal het ook ons geluk zijn.