DE VERLOSSING DOOR CHRISTUS


Vierde onderrichting van P. Cantalamessa aan de Romeinse curie tijdens de Advent 2005.

 

“ Vandaag is u een Redder geboren”


De ervaring van Christus’ verlossing, vandaag.

 

  1. Welke verlosser voor de mens?

 

Tijdens één van de laatste kerstvieringen, nam ik deel aan de middernachtmis voorgegaan door de Paus in de Sint Pieterskerk. Er kwam het lied van de kalenden:
“ Vele eeuwen na de schepping van de wereld…
Dertien eeuwen na de uittocht uit Egypte…
In het jaar 752 van de stichting van Rome…
In het tweeënveertigste jaar van de regering van Keizer Augustus, is Jezus Christus, de eeuwige God en Zoon van de eeuwige Vader,  door de H. Geest ontvangen en negen maanden later in Bethlehem van Judea geboren uit de maagd Maria, mens geworden.”

Op het ogenblik dat men deze laatste woorden zong ervoer ik, want men kan noemen “een zalving door het geloof”: een plotse innerlijke helderheid die ons doet uitroepen: ”Ja, het is waar! Alles is echt!” Het zijn geen louter woorden. God is werkelijk op aarde gekomen”. Ik was er sterk door bewogen. De enige woorden die ik kon uitspreken waren: “ Dank u, heilige Drie-eenheid, en dank aan U, heilige Moeder Gods!” Het is deze diepe overtuiging die ik aan u, eerwaarde Vaders en broeders, zou willen meedelen in deze laatste meditatie die als thema heeft: “De ervaring van Christus’verlossing, vandaag”.

De engel die aan de herders in de kerstnacht verschijnt, zegt hen: “Zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.” (Luc 2, 10-12) Deze tegenstrijdigheid is waarschijnlijk bewust gekozen door Lucas. In die tijd, liet de Romeinse keizer, die over een machtig leger beschikte, zich redder van de wereld noemen. En nu wordt diezelfde titel gegeven aan het zwakste en het armste wezen ter wereld: een kind in doeken gewikkeld, en gelegen in een kribbe.

De titel van Redder werd tijdens zijn leven nooit aan Jezus  toegekend. Het was ook niet nodig, want voor de joden was de inhoud ervan bevat in de titel van Messias. Maar vanaf het ogenblik dat het christelijk geloof in contact kwam met de wereld van de heidenen, ontvangt deze titel een beslissende  waarde. Gedeeltelijk om in te gaan tegen de gewoonte om die naam ook aan de keizer of aan andere zogezegde reddende godheden, zoals Asclepios, te geven.

We vinden dit reeds in het Nieuwe Testament terug tijdens het leven van de apostelen. Matheus houdt eraan om duidelijk te onderstrepen dat “Jezus” juist “God redt” betekent (Mt 1,21). Paulus noemt ook Jezus reeds “Redder” (Phil. 3, 20); Petrus in de Handelingen van de apostelen preciseert dat  Hij de enige Redder is “Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden, en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.” ( Hand. 4, 12). En bij Johannes vinden we die plechtige geloofsbelijdenis van de Samaritanen: “Wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten dat Deze werkelijk de Redder van de wereld is.”

De verlossing bestaat hoofdzakelijk, maar niet alleen, in de vergeving van de zonden. Voor Paulus gaat het over de verlossing van heel ons lichaam (Phil. 3, 21).  De verlossing die Christus ons brengt heeft een negatief aspect, dat bestaat in de bevrijding van de zonden en van de boze machten, maar heeft ook een positief aspect, dat bestaat in de gave van een nieuw leven, van de vrijheid van de kinderen Gods, de gave van de H. Geest en de verwachting van het eeuwige leven.

Voor de eerste generaties was de verlossing door Christus niet enkel een waarheid die men vanuit de openbaring geloofde; het was vooral een waarheid die zij mochten ervaren in hun leven en die met veel vreugde in hun erediensten verkondigd werd. Dank zij het Woord van God en het sacramentele leven, hebben de christenen het gevoel dat zij leven in het verlossingsmysterie dat Christus volbracht heeft: een verlossing die meer en meer ervaren wordt als een bevrijding, een verlichting, een vrijkoping, een vergoddelijking, enz… Het is een primordiaal en vredegevend gegeven, zodanig  dat de schrijvers de nood niet aanvoelen om dit te bewijzen.

In deze tweevoudige dimensie – van de geopenbaarde waarheid en van de ervaren werkelijk -  speelde de gedachte van de verlossing, een beslissende rol in de begeleiding van de Kerk naar de volledige waarheid over Jezus Christus. De verlossingsleer was het ploegijzer dat de “voor” maakte voor de christologie; zij was als de  schroef die het vliegtuig of de boot vooruit stuwt. Men kwam tot de grote dogmatische bepalingen van de concilies door zich te steunen op de verlossingservaringen die de Christenen vanuit Christus beleefden. Het contact met Hem, zeiden ze, vergoddelijkt ons; dus moet Hij zelf God zijn. “Wij zouden niet verlost zijn van onze zonden en van onze vervloeking, schreef de heilige Athanasius, indien de natuur dat het Woord aangenomen heeft, geen menselijke natuur was; en de mens zou niet vergoddelijkt worden, indien het Woord dat vlees geworden is, niet van dezelfde natuur was dan die van de Vader.”

Het verband tussen de christologie en de verlossingsleer ontstond in de tijd van de kerkvaders doorheen de antropologie, zodanig dat men kan zeggen dat de verschillende opvattingen over de mens altijd samen gaan met een verschillende opvatting over de verlossing door Christus gebracht. De ontwikkeling  verloopt doorheen drie grote vragen. De eerste vraag: wat is de mens en waarin zit zijn kwaad? De tweede vraag: welk soort verlossing is er nodig voor deze mens? Derde vraag: welk soort Redder is er nodig om deze verlossing tot stand te brengen? Volgens de verschillende antwoorden die op deze vragen gegeven worden, zien we dat er telkens een verschillend beeld van Christus en van de verlossing gevormd wordt.

In de school van Alexandrie bijvoorbeeld, waarin een platonische visie domineert, zien we dat het kwaad in de mens, datgene wat het meest verlossing nodig heeft, zijn “vlees”, zijn lichaam is. Heel het accent is dus gelegd op de menswording als ogenblik waarop het Woord van God vlees aangenomen heeft, het bevrijd heeft van het verderf en het vergoddelijkt heeft. In deze lijn, heeft één van hen, Appolinarius van Laodicea, zelfs bevestigd dat het Woord zich niet verenigd heeft met de menselijke ziel, omdat de ziel niet moest verlost worden, omdat ze uit zichzelf een vonk is van het goddelijk Logos; het is niet nodig dat er een vonk van de Logos komt, dààr waar de Logos reeds volledig aanwezig is.

In de school van Antiochie, waar de gedachte van Aristoteles, en zeker een platonische visie overheerst, zal het kwaad in de mens juist in zijn ziel en vooral in zijn opstandige houding gezien worden . Zij leggen de nadruk op de volledige mensheid van Christus én op zijn paasmysterie. Daarom is het dat Christus, door zijn gehoorzaamheid tot de dood, de mens verlost heeft. Door deze twee opvattingen samen te brengen zal de Kerk in Chalcedonie, een volledig beeld van Christus en van zijn heilswerk kunnen maken.

Het christelijk geloof beperkt zich niet tot het geven van een antwoord op de heilsverwachtingen van een bepaald midden waarin ze aanwezig is, maar zij schept het en verruimt hun verwachtingen. Zo merken we dat, tegenover het platonisch en gnostisch dogma over de verlossing “vanuit het vlees”, de Kerk met vastberadenheid haar dogma over de verlossing “van het vlees” plaatst, door de verrijzenis van de doden te prediken. Tegenover de visie van “het leven na de dood”, dat veel zwakker zou zijn dan het huidige leven, en aangeknaagd is door het heimwee naar dit leven, een leven dat geen doel noch aantrekkingspunt meer heeft, biedt het christelijk geloof ons de gedachte van een toekomstig leven,  dat oneindig volmaakter en standvastiger is, in de aanschouwing van God.

 

2. Hebben we nog een verlosser nodig?

 

In mijn eerste meditatie zei ik reeds dat we, op gebied van ons geloof in Jezus Christus, op verschillende vlakken, dicht bij de eerste situatie van het christendom staan. Die tijd kan ons ook leren hoe we onze wereld die grotendeels heidens is geworden, kunnen herevangeliseren. Ook vandaag moeten we ons die drie vragen stellen: welke opvatting hebben we vandaag over de mens en over zijn kwaad? Welk soort verlossing is er nodig voor deze mens? Hoe moeten we Christus verkondigen om tegemoet te komen aan deze verwachting van verlossing?
Om het tot zijn maximum te vereenvoudigen, zoals we verplicht zijn te doen in een meditatie, kunnen we buiten het christelijk geloof, twee grote houdingen opmerken tegenover de verlossing: de houding vanuit de godsdiensten en deze vanuit de wetenschap.

Wat de nieuwe godsdiensten betreft, die hun grondslag vinden in de “New Age”, komt de verlossing niet van buiten uit, maar is potentiële aanwezig  in de mens zelf; men moet enkel in harmonie of in dezelfde trillingsbeweging komen met deze energie en met het leven van heel de kosmos. Er is dus geen verlosser nodig, hoogstens een leermeester die ons leert hoe we tot die zelfrealisatie kunnen komen. Ik ga niet uitweiden op deze stelling want ze is reeds eens voor goed weerlegd door de verklaring van Sint Paulus  die we de laatste keer uitgelegd hebben: “Allen hebben gezondigd en zijn beroofd van Gods glorie – maar allen zijn gerechtvaardigd door de verlossing die in Jezus Christus volbracht werd.”
Laten we daarentegen nadenken op de uitdaging die, vanuit de ongelovige wetenschap afkomt op ons geloof in het algemeen en op ons christelijk geloof in het bijzonder. De meest voorkomende vorm van atheïsme in de huidige maatschappij is de “wetenschappelijke” versie die de franse bioloog Jacques Monod verspreid heeft in zijn boek: “Le Hasard et la Nécessité” “Het  Toeval en de Behoefte”  “Het oude verbond is verbroken -  besluit de schrijver; eindelijk weet de mens dat hij alleen is in de onverschillige oneindigheid van het heelal waaruit hij per toeval is voortgekomen”. Zijn taak, alsook zijn lot staat nergens beschreven. Ons nummer is uit de draaimolen te voorschijn gekomen.

In deze visie stelt het probleem over de verlossing zich zelfs niet meer;  het gaat hier over een overblijfsel van de “animistische” mentaliteit zoals de schrijver zegt, die beweert een doel en een einde te zien in het heelal dat daarentegen voortgaat in het duister, enkel voortgedreven  door het toeval en door de behoefte. De enige verlossing is deze die de wetenschap ons brengt en die erin bestaat,  te weten, hoe de dingen, zonder  zelfvertroostende illusies, zijn. Hij schrijft ook dat de moderne samenlevingen gegrondvest zijn op de wetenschap. Van haar ontvangen zij hun rijkdom, hun macht en de zekerheid dat, indien de mens dit verlangt, in de toekomst, nog grotere  rijkdommen en machten in zijn bereik zullen komen. Begiftigd met alle machten, alle rijkdommen die de wetenschap biedt, proberen onze samenlevingen nog te leven van, en waardeschalen aan te leren, die reeds aan de basis  door deze zelfde wetenschap aangetast zijn.

Het is mijn bedoeling niet om te debatteren over deze theorieën, maar ik wil enkel een gedacht geven van de culturele context waarin wij geroepen zijn om vandaag de boodschap van Christus’ verlossing te brengen. Toch moeten we hier een opmerking aan toevoegen, Laten we aannemen dat ons nummer uit de draaimolen gekomen is, dat ons leven het resultaat is van een samenkomen van onbezielde elementen. Maar opdat men deze nummers uit de draaimolen zou kunnen tevoorschijn halen, moet iemand ze erin geplaatst hebben. Wie heeft er in het toeval de bestanddelen gelegd waarmee ze werken? Het is een oude en banale bemerking maar waaraan geen enkele wetenschapper tot nog toe een antwoord heeft kunnen geven. Zij hebben enkel als vlug antwoord dat deze vraag zich voor hen niet stelt.

Er is één  ding dat zeker en onweerlegbaar is: het bestaan van het heelal én van de mens heeft in zichzelf geen uitleg. Wij kunnen weigeren om een uitleg te zoeken die uitstijgt boven deze welke de wetenschap kan bieden, maar we kunnen niet beweren om alles uit te leggen buiten de hypothese van God. Het toeval kan alleen maar een uitleg geven van het hoe, maar niet van  het zijn van het heelal. Het toeval kan uitleggen waarom het zó is, maar niet, waarom het bestaat. De ongelovige wetenschap sluit het mysterie niet uit, zij verandert alleen haar naam: in plaats van haar God te noemen, noemt men haar een toeval.

Ik meen, dat de voornaamste ontkenning van de stellingen van Monod juist voortkomt, uit deze wetenschap waaraan, de mensheid, volgens hem,  zijn toekomst in het vervolg moet  toevertrouwen. Eigenlijk zijn het de wetenschappers zelf die tegenwoordig toegeven dat de wetenschap niet in de mogelijkheid is om een antwoord te geven op al de vragen en de behoeften van de mens. Zij zoeken een dialoog met de filosofie en met de godsdienst, de “waarde systemen” die Monod beschouwt als de onherleidbare tegenstrevers van de wetenschap. We zien het trouwens met eigen ogen: de wonderbare vooruitgang van de wetenschap en van de techniek bewerkt niet noodzakelijk een meer vrije en vredevolle samenleving op onze planeet.

Het boek van Monod toont volgens mij dat, indien een wetenschapper filosofische conclusies wil trekken uit zijn wetenschappelijke onderzoeken (zowel op biologisch als op astrofysisch vlak), die conclusies niet beter zijn dan wanneer de filosofen zouden beweren dat zij wetenschappelijke conclusies kunnen trekken uit hun filosofische onderzoeken..

 

3. Christus bevrijdt ons uit de ruimte.

 

Hoe kunnen wij in dit nieuw cultureel gegeven op een zinvolle wijze de verlossing door Christus verkondigen?
De ruimte en de tijd, de twee gegevens waarin het menselijk leven zich op deze aarde  afspeelt, hebben zo een plotse  groei en een versnelling gekend dat zelfs de gelovige erdoor verward geraakt. De “zeven hemelen” waarover de mens in de oudheid sprak, en waarvan de ene wat boven de andere staat, zijn ondertussen 100 miljarden melkwegen  geworden die elk door 100 miljarden sterren bestaan, die van elkaar verwijderd zijn door een afstand van verschillende miljarden lichtjaren; de vier duizend jaren van de schepping van de wereld, waarover de bijbel spreekt zijn ondertussen 14 miljarden jaren geworden…

Ik geloof dat het geloof in Jezus Christus niet alleen weerstand biedt aan deze sjok, maar biedt ook aan degenen die in Hem gelooft de mogelijkheid op zich goed te voelen in deze verruimde dimensies van het heelal, om zich vrij en gelukkig te voelen “als een kind in de armen van zijn moeder”.

Het geloof in Jezus Christus redt ons eerst en vooral van deze oneindigheid van het heelal. Wij leven in een wereld waarvan we ons de grootte en de uitbreiding die zich nog voortdurend voortzet, tot ze zich in het oneindige verliest,  niet meer  kunnen inbeelden. Een heelal, zegt de wetenschap, dat uiterst onbewust en onverschillig is aan datgene wat zich op de aarde afspeelt.

Maar dat is het niet wat het geweten van de gewone mens beïnvloedt.  Maar het is het feit dat op de aarde zelf, door de komst van de massa communicatie, het heelal  plots groter wordt rond de mens, waardoor hij zich nog kleiner en belanglozer gaat voelen, zoals een toneelspeler die zich op een enorme scène verloren voelt.

Film, televisie, internet, tonen ons voortdurend wàt we zouden kunnen zijn et wat we niet zijn, wat de anderen doen et wat wij niet doen. Dat brengt een  gelaten gevoel van frustratie teweeg en een passieve aanvaarding van zijn eigen lot, of, in het tegenovergestelde, een obsessionele nood om uit zijn anonimiteit te treden en om zich aan de aandacht van de anderen op te dringen. In het eerste geval leeft men in de weerkaatsing van het leven van anderen of van niemand, en verandert men in een bewonderaar en fan van iemand anders; in het tweede geval, herleidt men zijn leven tot een carrière.

Het geloof in Jezus Christus verlost ons van de noodzaak om ons een weg in het leven te banen, om, voor eender welke prijs ook, onze grenzen te overstijgen om toch iemand te zijn; zij verlost ons eveneens van de afgunst naar hoger geplaatsten, zij verzoent ons met onszelf en met onze plaats in het leven, zij geeft ons de mogelijkheid om gelukkig te zijn en om  volledig open te bloeien dààr waar wij zijn. “En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond!” (Joh. 1, 14). God, de oneindige, is gekomen en komt voortdurend tot u, dààr waar gij u bevindt. De komst van Christus in de menswording, die door de eeuwen heel levendig  gehouden wordt langs de eucharistie, maakt van elke plaats op deze wereld, de eerste plaats. Met Christus in het hart, voelt men zich in het centrum van de wereld, zelfs in het meest verlaten dorp van de aarde.

Dit verklaart waarom de gelovigen, mannen en vrouwen op een heel verborgen wijze kunnen leven, onbekend, terwijl ze de nederigste werken van de wereld verrichten of  zich opsluiten in het slot een monasterium en zich toch in deze situatie als de gelukkigste en de meest open gebloeide mensen van de aarde voelen. Wanneer de gelukzalige Marie de Jésus Crucifié (Maria van de gekruisigde Jezus), een van die slotzusters die gekend is onder de naam van “Petite Arabe” ( de kleine Arabische) omwille van haar Palestijnse afkomst en van haar kleine gestalte, na de communie terugkeerde naar haar plaats, hoorde men haar met half luide stem zeggen: “Nu heb ik alles, nu bezit ik alles”.

Het feit dat Christus niet in glorie gekomen is, niet in luister en majesteit, maar klein, arm, dat hij als moeder “een nederige dienstmaagd” heeft uitgekozen, dat Hij niet in Rome, Alexandrie of Jeruzalem, een van de grootsteden van zijn tijd heeft geleefd, maar in een verloren dorpje van Galilea, waar Hij het nederig beroep van een schrijnwerker uitoefende, krijgt voor ons, vandaag een nieuwe betekenis. Op dat ogenblik was het echte centrum van de wereld, noch Rome, noch Jeruzalem, maar Bethlehem, de “kleine stad in Judea” en nadien Nazareth, het dorp waarover men zei: “dat er niets goeds kon uit voortkomen”.

Wat we over de samenleving in het algemeen gezegd hebben, geldt des te meer voor ons, mensen die behoren tot de Kerk. De zekerheid dat Christus met ons is wààr we ons ook bevinden, verlost ons van de obsessionele drang om hoger op te stijgen, om carrière te maken, om de hoogst mogelijke posten te bekleden. Niemand kan beweren dat hij volledig ontsnapt aan deze gevoelend en natuurlijke verlangens (en zeker niet de predikanten! ), maar de gedachte van Christus helpt ons ten minste om dit te bekennen en om er tegen in te gaan opdat ze nooit de voornaaste motivatie zouden worden van ons handelen. De grote vrucht daarvan is de vrede.

 

4. Christus verlost ons van de tijd.

 

Het tweede vlak waarop we de ervaring van Christus’ verlossing doen, is deze van de tijd. Op dit vlak is onze situatie niet sterk veranderd ten opzichte van de tijd van de apostelen. Het probleem blijft hetzelfde en dit probleem draagt de naam “de dood”. Petrus vergelijkt de verlossing van Christus met de geschiedenis van Noach die verlost werd uit de zondvloed waarin allen omkwamen (cfr 1 P. 3, 20 vv.) en het is voor deze rede dat deze scène ook in de mozaïeken van deze kapel, als historisch moment in de verlossing is afgebeeld. Maar in de wereld is er een voortdurend zondvloed: het is deze van “de tijd” die, zoals het water, alles overheerst en ons allen, generatie na generatie meesleurt.

Een Spaanse dichter van de XIX de eeuw, Gustavo Bécquer, heeft op een wonderbare wijze de opvatting van de mens tegenover de dood uitgedrukt. “ Wind,  reusachtige golf / die de zee optilt en voortstuwt /, hij die draait en voorbij gaat, en niet weet, / op welk strand hij zal terecht komen: Licht, dat in bevende cirkels, / schittert, gereed om uit te sterven, / niet wetend wie van de twee / als laatste zal schijnen, dàt is het wat ik ben, ik die rond geslenterd heb / doorheen de wereld, zonder na te denken, / waar   ik vandaan kom, noch / waarheen  mijn stappen me zullen leiden”.

Vandaag zijn er bekende psychologen die in de weigering van de dood de echte drijfveer zien van elk menselijk handelen, en waarvan het seksuele instinct dat door Freud aan de basis van alles gelegd wordt, slechts één van de uitingen zou zijn. De bijbelse mens troost zich met de zekerheid van verder te leven in zijn kinderen; de heiden daarentegen met de zekerheid van voort te leven door zijn beroemdheid: “Non omnis moriar, ik zal niet volledig sterven, zei Horace. “Exigi monumentum aere perennius”, “ Ik heb   een monument opgericht (door mijn poëzie) dat duurzamer is dan brons”.

Tegenwoordig spreekt men eerder van een overleving in de “soort”. Jacques Monod schrijft dat de overleving van het individu geen enkel belang heeft voor de bevestiging van een bepaalde soort, die toevertrouwt is aan de mogelijkheid om het bestaan te geven aan een talrijk nageslacht, en op haar beurt, bekwaam is om te overleven en zich voort te planten.  Het is een variante op de marxistische visie, die deze keer op de biologie en niet op het dialectisch materialisme gebaseerd is. Maar in beide gevallen, is de hoop om de soort te doen overleven, onvoldoende gebleken om de angst van de mens tegenover de dood te verminderen.

De filosoof, Miguel de Unamuno (die ook een “wereldlijke” denker was ) antwoordde als het volgt aan een vriend die hem beschuldigde over zijn zoeken naar de eeuwigheid – alsof het over hoogmoed en verwaandheid ging -  : “Ik zeg niet dat wij een hiernamaals verdienen, noch dat de logica het ons bewijst, ik zeg enkel dat we er nood aan hebben, of we het nu verdienen of niet, en dat is alles. Ik zeg dat, datgene wat voorbij gaat ons geen voldoening schenkt, dat ik dorst heb naar eeuwigheid, en zonder dat, laat alles me onverschillig. Als dàt er niet is, is er geen levensvreugde meer … Het is te gemakkelijk om te beweren: ‘Ge moet leven, ge moet u tevreden stellen met dit leven’. En zij die zich er niet tevreden mee stellen? “ Het is niet omdat iemand naar de eeuwigheid verlangt, zei dezelfde denker, dat hij niet graag leeft, maar wel degene die er niet naar verlangt, vanaf het ogenblik dat hij zich gemakkelijk neerlegt met deze gedachte dat dit leven moet eindigen

Wat heeft het christelijk geloof daarover te zeggen? Een eenvoudig en groots antwoord: dat de dood bestaat, dat het ons grootste probleem is, maar dat Christus de dood overwonnen heeft! De dood van de mens is niet meer zoals voordien. Er is iets beslissend gebeurd. De dood heeft haar angel verloren zoals een slang waarvan het gif enkel nog in staat is om iemand gedurende enkele uren te doen inslapen, maar dat niemand meer kan doden. De dood is geen muur meer waartegen alles in stukken gebroken wordt; zij is een doortocht, een Pasen. Het is “doorgaan naar datgene wat geen einde kent” zei Sint Augustinus.

Trouwens Jezus – en daarin bestaat de grote christelijke boodschap – is niet enkel gestorven voor zichzelf. Hij heeft ons niet enkel een voorbeeld nagelaten van een heldhaftige dood, zoals Socrates. Hij heeft iets heel anders gedaan: “Eén enkel is gestorven voor allen” ( 2 Kor. 5, 14 ) roept Paulus uit, en nog: “Door Gods genade kwam zijn sterven aan allen ten goede” (Heb. 2, 9 ). “ Wie in mij gelooft, ook al is hij gestorven, zal leven” (Joh. 11, 25 ) Deze buitengewone verklaringen doen, ons niet roepen van vreugde, enkel omdat we ze niet ernstig genoeg en niet letterlijk  opnemen, zoals we dat zouden moeten doen.

Het christianisme brengt in de gewetens geen angst voor de dood; maar verkondigt de dood van Christus. Jezus is gekomen om de mensen te bevrijden van de angst voor de dood, Hij is die angst niet komen vergroten. De Zoon van God is vlees en bloed geworden zoals wij “om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen en te bevrijden hen die door de vrees voor de dood heel hun leven aan onvrijheid onderworpen waren” (Heb. 2, 14-15 )

Het bewijs dat dit allemaal geen “zelftroostende illusie” is, is het feit dat,  naast de verrijzenis van Christus, de gelovige zelf, vanaf het ogenblik dat hij gelooft,  reeds de ervaring van een zekere overwinning op de dood doet. Verleden zomer heb ik in een anglicaanse parochie van Londen gepredikt. De kerk was gevuld met jongeren en adolescenten. Ik sprak over de verrijzenis van Christus en op een bepaald ogenblik, na dat ik al de argumenten ter bevestiging had uiteen gedaan, had ik het gedacht om een vraag te stellen aan de personen die aanwezig waren: “Hoe velen onder u kunnen zeggen zoals de blind geborene: “Ik was blind, maar nu zie ik”, of “Ik was dood, maar nu leef ik”? Vóór dat ik mijn vraag beëindigd had ging er groot aantal handen  naar omhoog. Sommigen hadden een pijnlijk verleden achter de rug: jaren van drugs, van gevangenis, van ontgoocheling, pogingen tot zelfmoord, en anderen daarentegen hadden beloftevolle carrières als zakenlui of op gebied van theater.

Op een dag, wanneer naastbestaanden hun ongerustheid uitdrukten  in verband met de toekomst en de gezondheidstoestand van Paus Johannes Paulus II, richtte hij zin  hoofd op, en vanuit zijn rolstoel, herhaalde hij, tot hun grote verbazing, met een diepe stem, de zin van Horacius: “Non omnis mariar. Ik zal niet volledig sterven. Maar op zijn lippen had deze zin voortaan een andere betekenis.

 

5. Christus “mijn Redder”

 

Het volstaat echter niet om Christus te herkennen als “Redder van de wereld”; Ik moet hem als “mijn Redder” herkennen. Het ogenblik waarop men deze ontdekking doet en waarop men dat licht ontvangt, is een ogenblik dat men nooit meer zal vergeten. Dan verstaat men wat de apostel wilde zeggen wanneer hij zei: “Jezus Christus is in de wereld gekomen, om de zondaars te redden. En de eerste van hen ben ik.” ( 1 Tim. 1, 5)

Het verhaal van Petrus die zakt in het meer, is een mooi voorbeeld van de verlossingservaring met Christus. Dagelijks hebben we de ervaring  te verdrinken: in de zonde, in lauwheid, in ontmoediging, in ongeloof, in twijfel, of in de routine… Het geloof zelf is een voettocht op de boord van de ravijn, met het voortdurend gevoel, dat men op elk ogenblik zijn evenwicht kan verliezen en in de diepte kan vallen.

In deze omstandigheden is het een grote troost  te ontdekken dat er de hand van Christus is, die telkens klaar staat om op te trekken, indien we haar zoeken en haar durven grijpen. Het kan zelfs gebeuren dat men een zekere vreugde ervaart door zich zwak en zondig te voelen, zoals we het in de paasliturgie uitzingen in het Exultet: “O felix culpa quae talem ac tantum meruit habere Redemptorem! (Gelukkige schuld die ons zo een Verlosser gegeven heeft!)  Wij ook zijn gelukkig  zó een Verlosser te hebben.

Hiermee besluit ik,  eerwaarde Vaders en Broeders mijn adventsbedenkingen over het geloof in Jezus Christus in de wereld van vandaag. Terwijl hij schreef tegen de ketterse geleerden van zijn tijd die de menswording van het Woord en zijn echte mensheid ontkenden, riep Tertulianus uit: “Spaar Hem die de enige hoop van heel de wereld is”, parce unica espei totius orbis.

Dat is de  kreet uit ons hart die we moeten herhalen voor de mensen van vandaag die bekoord worden om zonder Christus te leven. Ook vandaag is Hij nog de enige hoop van de wereld. Als de apostel Petrus ons oproept om “te getuigen van de hoop die in ons leeft”, roept hij ons op om aan de mensen over Christus te spreken, want Hij is de enige reden van onze hoop.

Wij moeten opnieuw de voorwaarden scheppen die nodig zijn om terug te keren naar een geloof in Jezus Christus. Wij moeten opnieuw een geloofselan scheppen zoals dat, waaruit de geloofsbelijdenis van Nicea ontstaan is. Het lichaam van de Kerk heeft op dat ogenblik een uiterste inspanning geleverd, om zich in het geloof op te heffen, boven alle menselijke systemen en boven alle weerstanden van de redenering. De vrucht van deze inzet, de geloofsbelijdenis is er het resultaat van. De vloed is tot op een maximum hoogte gestegen en heeft een merkteken op de rots nagelaten.

Maar deze elan zou  opnieuw moeten gebeuren. Het merkteken volstaat niet. Het volstaat niet om de geloofsbelijdenis van Nicea te herhalen; de geloofselan van toen, in de godheid van Christus, die in de loop van de eeuwen niet meer plaats vond, moet vernieuwd worden.

In afwachting dat we in de kerstnacht, geknield,  publiek ons geloof verkondigen, durf ik u uitnodigen om in het Latijn deze belijdenis van ons geloof in Jezus uit te spreken. Het is het mooiste geschenk dat we kunnen geven aan Christus die komt, het geschenk dat Hij altijd gedurende gans zijn leven gezocht heeft. Ook vandaag vraagt Hij aan zijn nauwste  medewerkers: ”Gij, wie zegt gij dat ik ben?” En al recht staande antwoorden wij:

Credo in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum. Et ex Patre natum ante omnia saecula. Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero. Genitum, non factum, consubstantialem Patri: per quem omnia facta sunt. Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis. Et incarnatus est de spiritu sancto ex Maria Virgine : et homo factus est. »

«  Ik geloof in één Heer, Jezus Christus, Eniggeboren Zoon van God, vóór alle tijden geboren uit de Vader. God uit God, Licht uit Licht, ware God uit de ware God. Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader, en door wie alles geschapen is. Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaalt. Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de maagd Maria en is mens geworden.

Zalig kerstfeest aan u allen.