Eerste adventspreek van P. Cantalamessa voor de Paus en de leden van de Curie


Tranen van berouw worden tranen van verwondering en stilzwijgen

Vaticaan, 15 december 2006 (zenit.org) - P. Cantalamessa overweegt hoe verschillende vormen van droefheid en leed, door de werking van Gods genade, in gelukzaligheid kunnen veranderen.


“ZALIG DE TREURENDEN”


Met deze meditatie beginnen we een reeks overwegingen over de zaligprijzingen die wij, zo God wil, in de vastentijd zullen verder zetten. De zaligprijzingen kenden een ontwikkeling en een andere toepassing, al naargelang de theologie van elke evangelist afzonderlijk of van een nieuwe behoeften in een bepaalde christengemeente. Men kan op de zaligsprekingen toegepassen wat de heilige Gregorius de Grote zegt over de Heilige Schrift in haar geheel: “cum legentibus crescit” (1), zij groeit met degene die haar leest; zij openbaart steeds nieuwe implicaties en een rijkere inhoud, al naargelang de nieuwe behoeften en vragen van waaruit zij gelezen wordt.

Trouw aan dit principe, betekent dit dat wij ook vandaag de zaligprijzingen moeten lezen in het licht van de nieuwe situaties waarin wij ons bevinden; natuurlijk met dit verschil dat de interpretaties die de evangelisten eraan gaven, geïnspireerd zijn en dus voor iedereen een normatieve waarde hebben en voor altijd geldig zijn, terwijl de interpretaties van vandaag deze waarde niet bezitten.


1. Een nieuwe verhouding tussen opgewektheid en verdriet


We laten de zaligprijzing van de armen, die we reeds in een vorige adventstijd overwogen hebben, terzijde en concentreren ons op de tweede zaligprijzing: “zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden” (Mt. 5,4). In het Lucasevangelie waar de vier zaligsprekingen in de vorm van een directe aanspreking staan en met weeroepen versterkt worden, klinkt deze zaligspreking als volgt: “zalig die nu weent, want gij zult lachen ... Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen” (Lc. 6,21.25).

De geweldige boodschap van deze zaligprijzing ligt juist in haar structuur. Zij laat ons inzien welke revolutie het Evangelie bewerkt heeft rond het probleem van opgewektheid en verdriet. Het uitgangspunt dat zowel aan het religieuze als aan het profane denken gemeenschappelijk is, bestaat in de vaststelling dat in dit leven, opgewektheid en verdriet onafscheidelijk zijn; zij volgen elkaar op met dezelfde regelmaat als de golven op zee die ineenstuiken en een leegte nalaten, zodat schipbreukelingen wegdrijven.

Vertwijfeld probeert de mens deze Siamese tweeling te scheiden, genoegen van verdriet te isoleren. Maar tevergeefs. Het is het ongeordende genot zelf, dat zich tegen zichzelf keert en leed wordt - plots en tragisch of geleidelijk -, omdat het overeenkomstig zijn wezen, vergankelijk is en al vlug moeheid en verveling meebrengt. Het is een leegte, die we ontlenen aan de kroniek van het dagelijkse leven en die de mens op duizenden manieren tot uiting gebracht heeft in kunst en literatuur. “Want midden in de maalstroom der vreugden verheft zich” - zo schreef de heidense dichter Lucretius - “plotseling de bitterheid, die ook bengelend aan een bloem angstaanjagend is” (2).

De Bijbel heeft op dit ware drama van het menselijke bestaan een antwoord. Van in den beginne had de mens de vrijheid om te kiezen; die bracht hem ertoe zijn bekwaamheid tot vreugde - die hij gekregen had om naar God, het oneindige Goede, te verlangen - uitsluitend te richten op zichtbare dingen.

Tegenover de keuze van de mens tegen Gods wet en het genot, dat gesymboliseerd wordt door de verboden vrucht waarvan Adam en Eva aten, heeft God verdriet en dood toegelaten, eerder als middel tot heil dan als straf; dat wil zeggen, om te vermijden dat de mens zijn egoïsme en instinct onbeteugeld zou volgen en zo zichzelf en zijn naaste zou vernietigen. Het genoegen zit dus enigermate vast als een schaduw aan het verdriet.

Christus heeft deze keten tenslotte doorbroken. “In plaats van de vreugde die Hem toekwam, heeft Hij een kruis op zich genomen” (Hebr. 12,2). Kortom: Hij heeft het tegendeel gedaan van wat Adam en iedere mens doet. “De dood van de Heer”, zo schreef de heilige Maximus de Belijder, “was in tegenstelling tot die van de andere mensen niet de schuld die voor het genot betaald werd, maar veeleer iets dat het genot zelf omverwierp. Door deze dood, veranderde Hij het lot dat de mensen verdienden” (3).

Door Zijn opstanding uit de doden heeft Hij een nieuwe manier van genieten ingevoerd: niet een genot dat aan het verdriet voorafgaat (als oorzaak), maar dat erop volgt (als vrucht).

Dat alles wordt door onze zaligspreking wonderlijk verkondigd, die tegenover de volgorde lachen-wenen, de volgorde plaatst wenen-lachen. Het gaat niet alleen om een simpele omkering. Het oneindige verschil ligt in het feit dat in de ordening die Jezus voorstelt, het genoegen en niet het lijden, het laatste woord heeft en wat nog belangrijker is: het laatste woord dat in der eeuwigheid niet vergaat.


2. “Waar is uw God?”


Nu willen we proberen te begrijpen wie die treurenden en wenenden eigenlijk zijn, die door Christus zaliggeprezen worden. De exegeten sluiten vandaag bijna eensgezind uit dat het slechts om treurenden gaat in de objectieve of sociologische zin van het woord, mensen die Jezus zaligprijst alleen omdat zij lijden en wenen. Waar het om gaat, is het subjectieve element, de reden namelijk waarom geweend wordt.

En wat is die reden? De zekerste manier om te ontdekken welk wenen en welke droefheid door Christus zaliggeprezen worden, is nagaan waarom in de Bijbel geweend wordt en waarom Jezus geweend heeft. Zo ontdekken we, dat er een wenen uit berouw is, zoals Petrus na zijn verraad; een wenen “met hen die wenen” (Rom. 12,15), wat betekent een wenen uit medelijden met het leed van anderen, zoals Jezus met de weduwe van Naïn weende en met de zusters van Lazarus; het wenen van bannelingen die heimwee hebben naar het vaderland, zoals het wenen van de joden aan de stromen van Babylon ... en vele andere.

Ik zou twee redenen willen naar voor halen, waarom in de Bijbel geweend wordt en waarom Jezus geweend heeft; volgens mij loont het daarover na te denken, vooral op dit ogenblik van de geschiedenis waarin wij leven.

In Psalm 42 lezen wij:

“Mijn tranen zijn mijn brood
bij dagen en bij nacht,
waar men van vroeg tot laat
mij zegt: “waar is uw God?”

Nooit was er voor een gelovige meer reden voor droefheid dan vandaag omdat God zo driest afgewezen wordt! Na een tijd van relatief zwijgen, die volgde op de ondergang van het marxisme, staan we vandaag voor de terugkeer van een vlammend, militant en agressief atheïsme, dat van wetenschappelijke of scientistische aard is. De titel van enkele onlangs gepubliceerde boeken spreken voor zich: “Atheologisch traktaat”, “De illusie God”, “Het einde van het geloof”, “Schepping zonder God”, “Ethiek zonder God” ... (4).

In één van die traktaten is volgende verklaring te lezen: “De samenlevingen hebben meerdere gewone, meestal gemeenschappelijke middelen ontwikkeld om kennis te verwerven, zodat die kennis vast komt te staan. Wie beweert dat een wezen bestaat, maar het met deze instrumenten niet kan bewijzen, zit met een probleem. Op grond hiervan lijkt het mij gerechtvaardigd te beweren dat God niet bestaat, zolang het tegendeel niet bewezen wordt” (5).

Aan de hand van deze redenering zou men kunnen beweren dat ook de liefde niet bestaat, door het feit dat zij met wetenschappelijke instrumenten niet kan vastgesteld worden. Het is een feit dat het bewijs voor het bestaan van God niet te vinden is in de boeken en laboratoria van de biologie, maar in het leven, vooral in het leven van Christus, van de heiligen en van talloze geloofsgetuigen. Het is ook te vinden in het zozeer verachte bewijs van de tekenen en wonderen die Jezus zelf als bewijs gaf van Zijn waarheid en zelfs van God, wat door atheïsten echter a priori afgewezen wordt, al geven zij zich de moeite niet het te onderzoeken.

Een reden van droefheid voor de gelovige evenals voor de psalmist, is de machteloosheid ten overstaan van de uitdaging “waar is uw God?”. God roept met Zijn mysterieuze zwijgen de gelovige op, zijn zwakheid en nederlagen met Hem te delen; alleen onder deze voorwaarde belooft Hij de overwinning. “De zwakheid van God is sterker dan de mensen” (1 Kor. 1,25).


3. “Zij hebben mijn Heer weggenomen”


Niet minder pijnlijk voor een gelovige christen, is vandaag de systematische afwijzing van Christus in naam van het “objectieve” historische onderzoek, dat zich soms reduceert tot het “meest subjectieve” dat men zich kan voorstellen: onderzoek dat gelijkt op “foto’s van de schrijvers en hun idealen”, zoals de Heilige Vader schrijft in de inleiding van zijn boek over Jezus, dat binnenkort verschijnt. We zijn getuige van een wedstrijd waarbij het erom gaat, Christus om ter meest voor te stellen op de mensenmaat van vandaag en Hem daarbij te ontdoen van iedere aanspraak op transcendentie. Op de vraag van de engel: “Vrouw, waarom weent ge?” antwoordde Maria van Magdala op paasmorgen: “zij hebben mijn Heer weggenomen” (Joh. 20,13). Een reden om te wenen, die we ons eigen kunnen maken.

Er is steeds de tendens geweest, Christus met het gewaad van zijn tijd of eigen ideologie te bekleden. In het verleden vond men daar ernstige, alhoewel bediscutteerbare redenen toe, die veel draagwijdte hadden: de idealistische, romantische, liberale, socialistische, revolutionaire Christus ... Onze tijd die van seks bezeten is, kan Hem niet anders voorstellen dan als iemand die verwikkeld is in sentimele problemen: “Jezus werd nog eens gemoderniseerd, of beter: gepostmoderniseerd” (6).

Het is goed om weten vanwaar die nieuwe stroming komt, die Jezus van Nazaret tot voedingsbodem maakt van de postmoderne idealen van het absolute ethische relativisme en individualisme en die romans, filmen en zelfs historisch onderzoek over Hem, inspireert. Het gaat om een beweging die in de laatste decennia van de voorbije eeuw in de VS ontstaan is en in het “Jesus-Seminar” haar actiefste verzamelpunt heeft.

De bekendste in leven zijnde geleerde van het Nieuwe Testament, definieert het als “neoliberalisme”, omdat het een terugkeer is naar de Jezus van de liberale theologie uit de 19e eeuw, die noch met het jodendom noch met het christendom of de Kerk banden heeft; een Jezus die morele ideeën verspreidt, die terug te vinden zijn in het traditionele liberalisme (het Goddelijke Vaderschap, de oneindige waarde van de ziel van de mens), die nu echter zo goed als dood zijn en zich eerder onderscheiden door hun sociologische dan hun theologische draagwijdte. Het doel van deze geleerden is niet meer correcties aan te brengen, maar “de vergissing, die christendom genoemd wordt” te vernietigen.

Van grote betekenis is de programmatische toespraak in het jaar 1985 van de stichter van deze beweging: “We staan voor een vérstrekkende onderneming. We willen simpelweg en beslist op zoek gaan naar de stem van Jezus, naar wat Hij werkelijk gezegd heeft. In dit proces zullen we vragen stellen, die in de oren van vele mensen uit onze samenleving, tegen de grenzen van het heilige en zelfs van de godslastering stoten. Daarom zou de weg die wij volgen, gewaagd kunnen zijn. Het zou vijandigheid kunnen meebrengen, maar we gaan door ondanks de gevaren, omdat het probleem Jezus er nu eenmaal is en ons uitdaagt, zoals de Mount Everest bergbeklimmers uitdaagt” (7).

Hier wordt Jezus niet alleen los gezien van de kerkelijke dogma’s, maar zelfs los van de Heilige Schrift en de Evangeliën. Welke bronnen blijven dan nog over die over Hem iets kunnen zeggen, tenzij de pure fantasie? Wel ja: de apocriefen met op de eerste plaats, het Thomasevangelie dat volgens hen zelfs dateert van de periode 30 tot 60 na Christus, dus nog vóór de canonieke Evangeliën en zelfs nog vóór de geschriften van Paulus; en vervolgens de sociologische studies over de levensomstandigheden in Galilea ten tijde van Jezus.

Welk Jezusbeeld krijgt men aldus? Ik citeer enkele gepubliceerde definities: “een excentrieke Galileër”, “de spreekwoordelijke feestganger”, een “wijze of subversieve vagebond”, “leermeester van een aforistische wijsheid”, “een joodse boer, doordrongen van een cynische filosofie” (8).

Wat dan nog wel moet uitgelegd worden, is het mysterie dat zo een onschadelijk wezen ooit aan een kruis kon sterven en de mens is kunnen worden “die de wereld veranderd heeft”. Wat echt om wenen is, is niet zozeer het feit dat zulke dingen geschreven worden (men moet toch iets nieuws uitvinden als men boeken wil blijven schrijven), maar dat deze boeken in een oplage van honderdduizenden, als het er geen miljoenen zijn, verkocht worden.

De onbekwaamheid van het historisch-filologische onderzoek om de band te leggen tussen de historische Jezus enerzijds en de Jezus van de evangelische bronnen en de Kerk anderzijds, lijkt mij voor te komen uit het feit, dat de dynamiek van de geestelijke en bovennatuurlijke fenomenen verwaarloosd wordt en men zich de moeite niet geeft ze te bestuderen. Het zou hetzelfde zijn als men een geluid met de ogen wil horen of een kleur mit de oren wil zien.

De bestudering en ervaring van mystieke fenomenen (ook die behoren tot de werkelijkheid!) tonen aan hoe in het leven van een mysticus of in de beweging die van hem of haar uitgaat, een verdere ontwikkeling reeds ten volle kan vervat zijn in één enkele gebeurtenis en dikwijls zelfs in één enkel ogenblik (als het om een Godsontmoeting gaat), zodat de verborgen maar reeds aanwezige vooronderstellingen pas later aan het licht komen, namelijk in de vruchten. Sociologen gebruiken voor deze waarheid, het concept “statu nascenti” (9).

Een kind of volwassene ziet er bijvoorbeeld helemaal anders uit dan een embryo; nochtans ligt alles reeds in het embryo vervat. Op dezelfde manier is het Koninkrijk eerst “het kleinste van alle zaadjes” maar is het bestemd om uit te groeien tot een grote boom (Mt. 13,32).

Het ontstaan van de franciscanerbeweging leent zich tot vergelijking. De franciscaanse bronnen verschillen van mening en spreken elkaar tegen over bijna alle visies van de Poverello: over het visioen en de woorden van de gekruisigde Christus te San Damiano, over het gebeuren van de stigmata ... Van geen enkel woord van de heilige, uitgezonderd de woorden die hijzelf schreef, heeft men de zekerheid dat het werkelijk uit zijn mond is. “De kleine bloemen” schijnen helemaal een idealisering te zijn.

Dat neemt niet weg dat alles wat rond en na Franciscus ontstaan is - de franciscaanse beweging en al haar uitdrukkingsvormen in spiritualiteit, kunst en literatuur - van hem afhangt; het is niets anders dan een uiting, ja zelfs een verarmde uiting van de spirituele krachten die door zijn persoon en heel zijn leven vrijkwamen, of beter, door wat God in zijn leven kon bewerken.

Vele mensen, zelfs onder de meest geleerde gelovigen, vinden het vanzelfsprekend dat de echte Jezus veel minder geweest is dan wat in de Evangeliën over Hem geschreven staat, dat Hij een bepaalde eigenschap of titel helemaal niet gehad heeft. Waar is echter dat Hij oneindig veel méér is dan wat over Hem geschreven staat, en niet minder! Wie de Zoon is, weet alleen de Vader en in geringe mate ook degenen aan wie de Vader het wil openbaren - en dat zijn over het algemeen niet de geleerden en de wetenschappers, tenzij ook zij zich heel klein maken ...

Paulus zegt, dat de afwijzing van Christus door zijn landgenoten hem tot “grote droefheid” stemt en dat zijn hart daarom een pijn kent die “niet ophoudt” (Rom. 9,1 e.v.). Hoe zou het anders kunnen, dan dat ook wij de ervaring opdoen van deze pijn omdat Christus door vele tijdgenoten afgewezen wordt in landen die oorspronkelijk christelijk waren? Om een gelijkaardige reden weende Jezus in Jeruzalem, omdat zij Hem niet als hun persoonlijke Vriend en Redder erkenden ...

Gelukkig lijkt het dat een cyclus ten einde loopt en men bij het onderzoek naar Jezus een nieuwe bladzijde omslaat. In het boek “Het begin van het christendom” (“Christianity in the Making”) dat uit drie volumes bestaat van elk 1.000 bladzijden en zoals voorgaande gelijkaardige onderzoeken bestemd is om geschiedenis te maken, komt één van de grootste, nog in leven zijnde geleerden inzake Nieuw Testament, James Dunn - na een pedante analyse van onderzoeksresultaten van de drie laatste eeuwen - tot het besluit dat er nooit een breuk geweest is tussen de Jezus die predikte en de Jezus die verkondigd werd, en dus ook niet tussen de Jezus van de geschiedenis en de Jezus van het geloof. Laatst genoemde visie ontstond niet ná Pasen, doch bij de eerste ontmoetingen met de leerlingen die juist leerling werden omdat ze in Hem geloofden, ook al was hun geloof aanvankelijk broos en niet in staat om er alle consequenties van te begrijpen.

De tegenstelling tussen de Christus van het geloof en de Jezus van de geschiedenis is eerder een “vlucht voor de geschiedenis” dan een “vlucht voor het geloof” en beide zijn het gevolg van het feit dat de interesses en idealen van toen, op Jezus geprojecteerd werden. Jezus werd zo van het kleed der kerkelijke dogmatiek verlost, doch alleen om hem modieuze kleren aan te trekken, die van jaar tot jaar veranderen. De enorme inspanning om de persoon van Christus te onderzoeken, is daarentegen niet nutteloos gebleven, want het is daaraan te danken dat wij nu, nadat alle alternatieve oplossingen onderzocht werden, in staat zijn dit kritische besluit te nemen (10).


4. “De priesters, de dienaren des Heren, wenen”


Er is nog een tweede weeklacht in de Bijbel, waarover we dienen na te denken. De profeten spreken erover. Ezechiël vertelt over een visioen dat hij op een dag kreeg. De machtige stem van God roept tot een mysterieuze persoon, “in linnen gekleed en aan zijn middel een inktkoker”: “Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd van de mannen die jammeren en klagen over alle gruweldaden die daar bedreven worden” (9,4).

Dit visioen was beslissend voor de ontwikkeling van de openbaring en van de Kerk. Dit teken - tau -, de laatste medeklinker van het hebreeuwse alfabet, werd op grond van zijn kruisvorm, in het boek van de Openbaring “het zegel van de levende God”, dat op het voorhoofd getekend wordt van degenen die gered worden (7,2 e.v.).

De Kerk heeft recent “gejammerd en geklaagd” over de afschuwelijkheden, door enkelen van haar bedienaars en zielzorgers begaan. Zij heeft er een zeer hoge prijs voor betaald. Zij heeft zich met alle kracht ingezet om de wantoestanden uit de weg te ruimen en harde richtlijnen uitgevaardigd om te verhinderen dat dergelijke misbruiken zich herhalen. Na het ongeluk komt het ogenblik voor het belangrijkste: wenen ten overstaan van God en treuren zoals God treurt; eerder omwille van de kwetsuren die het Lichaam van Christus aangedaan werden en de aanstoot “aan de geringsten van Zijn broeders”, dan omwille van de schade en de belediging die anderen aangedaan werden.

Dat is de voorwaarde opdat uit al dit kwaad werkelijk iets goeds zou kunnen komen en er verzoening zou plaatshebben tussen het volk en God, evenals onder de priesters.

“Blaast de bazuin op de Sion,
kondigt een heilige vastentijd af,
roept een plechtige samenkomst bijeen!
... Laat tussen de voorhal en het altaar
de priesters, die de dienst van Jahwe verrichten,
wenen en zeggen:
‘Spaar uw volk, Jahwe,
laat niet met uw erfdeel spotten,
laat niet de heidenen het overheersen.” (Joël 2,15.17).

Deze woorden van de profeet Joël zijn een oproep tot ons. Mochten wij vandaag hetzelfde doen: een dag van vasten en boete uitroepen, tenminste op lokaal en nationaal vlak, daar waar het probleem zich meer voordeed, om publiek blijk te geven van berouw tegenover God en van solidariteit met de slachtoffers; dus verzoening van de gemoederen bewerken en met een vernieuwd hart en geheugen, opnieuw de weg van de Kerk gaan.

Ik kreeg de moed om dit te zeggen dank zij de woorden van de Heilige Vader tijdens één van de laatste “Ad limina” bezoeken van het episcopaat uit een katholiek land: “De wonden die door dergelijke daden veroorzaakt werden, zijn diep en het is een dringende aangelegenheid, de geloofwaardigheid en het vertrouwen te herstellen overal waar deze geschonden werden ... Daardoor zal de Kerk gesterkt worden en steeds beter in staat zijn te getuigen van de verlossende kracht van Christus’ kruis” (11).

Maar we moeten ook de ongelukkige broeders, die dit kwaad veroorzaakt hebben, een woord van hoop geven. Over het geval van incest in de gemeente van Korinte, oordeelde de apostel: “die man uitleveren aan de satan, tot ondergang van zijn lichaam, maar tot redding van zijn geest op de dag des Heren” (1 Kor. 5,5). Vandaag zouden wij zeggen, dat hij aan de rechtspraak der mensen moet overgeleverd worden, zodat zijn ziel gered wordt. Het is de redding van de zondaar, niet zijn bestraffing, die de apostel ter harte ging.

Toen ik op een dag een preek hield voor de clerus van een bisdom, dat door deze reden veel te lijden had, werd ik overweldigd door deze gedachte. Deze broeders van ons hebben alles verloren - een ambt, eer, vrijheid - en alleen God weet welke effectieve morele verantwoordelijkheid ieder van hen moge gehaf hebben; zij zijn de laatsten, de uitgestotenen geworden ... Wanneer zij in deze situatie, door de genade geraakt, het veroorzaakte kwaad betreuren en hun gejammer verenigen met dat van de Kerk, dan zal de zaligprijzing van hen die treuren en wenen, op slag hun eigen zaligprijzing worden; zij zouden dicht bij Christus kunnen zijn omdat Hij de Vriend van de laatsten is, dichter dan vele anderen, ik inbegrepen, die overtuigd zijn van eigen eerbaarheid en zich misschien laten meeslepen om - zoals de farizeeën - over de andere een oordeel te vellen.

Doch dit mogen deze broeders zeker niet doen, al probeert de ene of andere het helaas wel: het gejammer gebruiken om uit zijn schuld profijt te halen, door interviews te geven en memoires te schrijven met de bedoeling, de schuld af te schuiven op de oversten en de kerkgemeenschap. Dat zou werkelijk getuigen van een gevaarlijke hardheid des harten.


5. De schoonste tranen


Ik eindig met de vermelding van een andere soort tranen. Men kan wenen van pijn, maar ook van ontroering en vreugde. De schoonste tranen zijn degene die in onze ogen opwellen als we, verlicht door de Heilige Geest, “proeven en zien hoe goed de Heer is” (Ps. 34,9).

Als men zich in die toestand van genade bevindt, is men erover verwonderd dat de wereld en wijzelf niet de hele tijd van verwondering en ontroering op de knieën vallen. Het waren deze tranen die uit de ogen van Augustinus vloeiden toen hij in de “Belijdenissen” schreef: “Hoezeer hebt Gij ons bemind, o goede Vader, die Uw enige Zoon niet gespaard hebt, maar Hem voor ons hebt overgeleverd. Hoezeer hebt Gij ons bemind!” (12).

Dergelijke tranen weende Pascal in de nacht waarin hij de openbaring kreeg van de God van Abraham, Isaac en Jacob, Die zich in het Evangelie laat kennen. Hij schreef op een stuk papier (dat na zijn dood ingenaaid in een vest gevonden werd): “Vreugde, vreugde, tranen van vreugde!”. Ik denk dat ook de tranen waarmee de zondares Jezus’ voeten natmaakte, niet alleen tranen waren van berouw, maar ook van dankbaarheid en vreugde.

Indien men in de hemel zou kunnen wenen, zou het paradijs van dit wenen vervuld zijn. In Istanboel, het oude Constantinopel, waar de Heilige Vader kort geleden was, leefde rond het jaar 1000 de heilige Simeon de Nieuwe Theoloog, de heilige der tranen. Hij is in de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit, het stralendste voorbeeld van tranen van berouw, die omsloegen in tranen van verwondering en stilzwijgen. “Ik weende” - zo vertelt hij in één van zijn werken - “en bevond mij in een onuitsprekelijke vreugde” (13). Over de zaligprijzing van de treurenden zei hij: “Zalig degenen die altijd bitter wenen over hun zonden, want zij zullen door het licht gegrepen worden, dat hun bittere tranen in zoetheid zal veranderen” (14).

Moge God ons de genade verlenen, ten minste eenmaal in ons leven, zulke tranen van ontroering en vreugde te genieten.






(1) Gregorius de Grote, “Commento morale a Giobbe”, 20, 1 (CC 143 A, p. 1003).
(2) Lucretius, “De rerum natura”, IV, 1129 e.v.
(3) Maximus de Belijder, “Capitoli vari”, IV cent. 39; in “Filocalia”, II, Torino 1983, p. 249.
(4) vgl. Michel Onfray, Richard Dawkins, Sam Harris, Telmo Pievani, Eugenio Lecaldano.
(5) Carlo Augusto Viano, “Laici in ginocchio”, Laterza, Bari.
(6) J.D.G. Dunn, “Gli albori del cristianesimo”, I, 1, Brescia, Paideia 2006, p. 81.
(7) Robert Funk, conferentie in maart 1985 in Berkeley, California.
(8) vgl. J.D.G. Dunn, “Gli albori del cristianesimo”, I, 1, Brescia, Paideia 2006, p. 75-82.
(9) vgl. F. Alberoni, “Innamoramento e amore”, Garzanti, Milano 1981.
(10) vgl. Dunn, “Christianity in the Making”, Grand Rapids, Michigan 2003.
(11) Benedictus XVI, toespraak tot de leden van de Ierse Bisschoppenconferentie, zaterdag 28 oktober 2006.
(12) Augustinus, “Belijdenissen”, 10, 43.
(13) Simeon de Nieuwe Theoloog, “Ringraziamenti”, 2 (SCh 113, p. 350).
(14) Simeon de Nieuwe Theoloog, “Trattati etici”, 10 (SCh 129, p. 318).