Eerste Adventspredikatie 2007
voor de Paus en de Romeinse Curie

“Jezus van Nazareth, één van de profeten”?

1. Het derde onderzoek

“Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat en door wie Hij het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging der zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet ter rechterzijde van de majesteit in den hoge” (Hebr. 1,1-3).

Deze aanhef van de brief aan de Hebreeën is een grandioze synthese van heel de heilsgeschiedenis. Deze lijkt samengesteld uit twee elkaar opvolgende tijden: de tijd waarin God sprak door tussenkomst van de profeten en de tijd waarin Hij sprak door tussenkomst van de Zoon; een tijd waarin Hij sprak “via een tussenpersoon” en de tijd waarin Hij “persoonlijk” sprak. De Zoon is inderdaad “de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen”, dat betekent, zoals wij verder zullen zeggen, van dezelfde substantie als de Vader.

Er is zowel continuïteit als een sprong in de kwaliteit. Het is dezelfde God die spreekt, het is dezelfde openbaring; het nieuwe is nu de Openbaarder openbaring wordt, openbaring en Openbaarder vallen samen. De inleidende formule van de orakels is er het beste bewijs voor: het is niet langer “zegt de Heer” maar “Ik zeg u”.

In het licht van dit krachtige woord Gods dat Hebr. 1,1-3 is, zullen we in deze Adventspredikatie proberen een onderscheid te maken tussen de meningen die vandaag rond Jezus circuleren, buiten en in de Kerk, teneinde met Kerstmis onze stem zonder voorbehoud te kunnen verenigen met die van de liturgie die haar geloof belijdt in Gods Zoon die in deze wereld is gekomen. Wij worden voortdurend verwezen naar de dialoog in Cesarea Filippi: is Jezus voor mij “één van de profeten” of de “Zoon van de levende God”? (cfr. Mt. 16,14-16).

Op het vlak van het historische onderzoek naar Jezus beleven we wat we het “derde onderzoek” noemen. Het wordt zo genoemd zowel om het te onderscheiden van het “oude historische onderzoek” dat rationalistisch en liberaal geïnspireerd was en dat overheerste in de periode tussen het einde van de XVIIIe en het einde van de XIXe eeuw, en het “nieuwe historische onderzoek” dat begon rond de helft van de voorbije eeuw als reactie op de stellingen van Bultmann die verkondigde dat de historische Jezus ontoegankelijk is en bovendien geen belang heeft voor het christelijke geloof.

Waarin verschilt het “derde onderzoek” van de voorgaande? Eerst en vooral door de overtuiging dat wij dank zij de bronnen meer over de historische Jezus kunnen weten dan in het verleden werd aangenomen. Maar het derde onderzoek verschilt vooral van de andere op het vlak van de gehanteerde criteria om de historische waarheid over Jezus te kennen. Wanneer vroeger gedacht werd dat het fundamentele criterium voor de waarheid van een feit of uitspraak van Jezus, het feit was dat het tegengesteld moest zijn aan wat in de joodse wereld van die tijd gedaan of gedacht werd, is daarentegen het criterium van nu de verenigbaarheid van een gegeven uit het Evangelie met het judaïsme uit die tijd. Indien vroeger het merkteken voor de authenticiteit van een uitspraak of feit de nieuwigheid en het onverklaarbare ervan was ten overstaan van de context, is het vandaag daarentegen de verklaarbaarheid ervan in het licht van onze kennis van het judaïsme en de sociale toestand die toen in Galilea heerste.

Bepaalde voordelen van deze nieuwe benadering zijn duidelijk. Men herontdekt de continuïteit van de openbaring. Jezus situeert zich binnen de joodse wereld, in de lijn van de profeten uit de Bijbel. Men glimlacht zelfs bij de gedachte dat er een tijd was waarin men dacht heel het christendom te kunnen uitleggen vanuit de hellenistische invloeden.

Het probleem is dat men deze verworvenheid zozeer te buiten gegaan is dat men er een mislukking van gemaakt heeft. In het denken van talrijke vertegenwoordigers van het derde onderzoek, lost Jezus uiteindelijk helemaal op in de joodse wereld, zonder er zich nog van te onderscheiden op enkele details of persoonlijke interpretaties van de Torah na. Hij wordt één van de joodse profeten of, zoals men zegt, één van de “rondtrekkende charismatici”. De titel van het bekende boek van J.D. Crossmann is veelzeggend: “De historische Jezus. Leven van een joodse boer aan de Middellandse Zee”.

Al laat hij zich met deze buitensporigheden niet in, toch staat de bekendste schrijver en in zekere zin de voorloper van het derde onderzoek, E.P. Sanders,  eveneens in deze lijn. Terwijl men de continuïteit hervonden heeft, heeft men het nieuwe uit het oog verloren. De openbaarmaking, ook bij ons in Italië, heeft de rest gedaan door de verspreiding van het beeld van een joodse Jezus tussen de joden die bijna niets nieuws gedaan heeft maar van wie nog steeds gezegd wordt dat Hij “de wereld veranderd heeft” (de vraag is hoe).

Men blijft de voorbije generaties van onderzoekers verwijten dat zij telkens een Jezusbeeld gemaakt hebben volgens de mode of de smaak van het ogenblik, zonder er zich rekenschap van te geven dat men nu hetzelfde aan het doen is. Deze nadruk op de joodse Jezus tussen de joden komt, tenminste ten dele, van het verlangen om het historische onrecht dat dit volk aangedaan werd goed te maken en de dialoog tussen joden en christenen te bevorderen. Een uitstekend doel dat, zoals we dadelijk zullen zien, echter nagestreefd wordt met een verkeerd middel (door de manier waarop het gebruikt wordt). Het gaat namelijk om een pro-joodse tendens, doch slechts in schijn. In werkelijkheid komt het erop neer dat de joodse wereld een bijkomende verantwoordelijkheid gegeven wordt: dat zij één van de hunnen niet erkend heeft, een man wiens leer volmaakt overeenstemde met wat hijzelf geloofde.

2. De rabbijn Neusner en Benedictus XVI

Het is juist een jood, de Amerikaanse rabbijn Jakob Neusner, die het illusoire karakter van deze benadering onderlijnd heeft met het oog op een authentieke dialoog tussen judaïsme en christendom. Wie het boek van Benedictus XVI over Jezus van Nazareth gelezen heeft, kent reeds goed de gedachtegang van deze rabbijn met wie hij een dialoog aangaat in één van de boeiendste hoofdstukken van het boek. Ziehier de grote lijnen ervan.

De zeer bekende joodse geleerde heeft een boek geschreven met als titel “Een rabbijn in gesprek met Jezus”, waarin hij zich inbeeldt een tijdgenoot van Christus te zijn en zich op een dag tussen het volk bevindt dat Hem volgt en naar de bergrede luistert. Hij legt uit waarom hij, ondanks de aantrekking die de leer en de persoon van de Galileeër op hem uitoefenen, uiteindelijk met tegenzin inziet dat hij Zijn leerling niet kan worden en besluit om een volgeling van Mozes te blijven, trouw aan de Torah.

Alle motieven voor zijn beslissing worden tenslotte herleid tot één enkel: om te aanvaarden wat deze man zegt, moet men Hem hetzelfde gezag toekennen als God. Hij beperkt zich niet tot “volbrengen” maar neemt de plaats in van de Torah. Het gesprek dat de rabbijn met zijn meester in de synagoge heeft na zijn ontmoeting met Jezus, is treffend:

De meester: “Heeft Uw Jezus iets (van de Torah) verwaarloosd?”
Rabbijn Neusner: “Niets.”
De meester: “Heeft Hij er iets aan toegevoegd?”
Rabbijn Neusner: “Ja, zichzelf.”

Een interessante samenloop van omstandigheden: dit is hetzelfde antwoord dat de heilige Ireneüs in de IIe eeuw gaf aan degenen die zich afvroegen wat voor nieuws de komst van  Christus in de wereld had gebracht. “Hij bracht iedere nieuwigheid door zichzelf te brengen” schreef hij (“omnem novitatem attulit semetipsum afferens”).

Neusner heeft de onmogelijkheid benadrukt om van Jezus een “normale” jood van Zijn tijd te maken, of een jood die zich alleen losmaakt van de anderen in punten van bijkomstig belang. Neusner heeft een andere zeer grote verdienste: hij toont aan dat iedere poging om de historische Jezus te scheiden van de Christus van het geloof, nietszeggend is. Hij toont hoe de kritiek de Jezus van de geschiedenis kan ontdoen van al Zijn titels: zij kan ontkennen dat Hij of anderen Hem tijdens Zijn leven de titel toekenden van Messias, Heer, Zoon van God. Doch als men Hem heeft ontdaan van al hetgeen men wil, is wat in de Evangeliën overblijft meer dan voldoende om aan te tonen dat Hij zich niet beschouwde als een gewone mens. Zoals een haarlok, een druppel zweet of bloed volstaat om het volledige DNA van een persoon samen te stellen, zo volstaat een willekeurige uitspraak in het Evangelie om aan te tonen dat Jezus ervan bewust was dat Hij met hetzelfde gezag als God handelde.

Als goede jood weet Neusner wat het betekent: “de Mensenzoon is Heer van de sabbat” (Mt. 12,8), want de sabbat is de Goddelijke “instelling” bij uitstek. Hij weet wat het betekent te zeggen: “Wilt ge volmaakt zijn, kom en volg Mij”: dat betekent het oude beeld van heiligheid – dat erin bestaat God na te doen (“Weest heilig want Ik, de Heer uw God, ben heilig”) – vervangen door het nieuwe beeld dat erin bestaat Christus na te volgen. Hij weet dat alleen God de toepassing van het vierde gebod kan opheffen, zoals Jezus het doet wanneer Hij een man vraagt zijn vader niet te begraven. In zijn commentaar op die uitspraken van Jezus, roept Neusner uit: “hier spreekt de Christus van het geloof”.

In zijn boek antwoordt de paus lang en als gelovige, op een overtuigende en verhelderende manier, op de moeilijkheid van rabbijn Neusner. Zijn antwoord laat me denken aan dat van Jezus zelf aan degenen die door Johannes de Doper gestuurd waren om te vragen: “Zijt Gij de Komende of hebben we een andere te verwachten?”. Met andere woorden, Jezus heeft niet alleen voor zichzelf Goddelijk gezag opgeëist, maar Hij heeft ook tekens en garanties gegeven als bewijs ervan: de wonderen, Zijn leer (die zich niet beperkte tot de bergrede), de vervulling van de profetieën, vooral die van Mozes over een profeet die op hem gelijkt en groter is dan hem; vervolgens Zijn dood, verrijzenis en de gemeenschap die ontstaan is uit Degene die de universaliteit vervult van het heil dat door de profeten werd aangekondigd.

3. “Bemoedigt elkander”is

Het passend hier een opmerking te maken: de kwestie van de relatie tussen Jezus en de profeten kadert niet alleen binnen de dialoog tussen christendom en judaïsme maar ook in de schoot van de christelijke theologie waar pogingen om de persoonlijkheid van Christus uit te leggen vanuit de categorie der profeten, niet ontbreken. Ik ben overtuigd van de radicale ontoereikendheid van een christologie die ernaar streeft de titel van profeet te isoleren en heel de structuur van de christologie opnieuw te funderen op deze titel.

Deze poging is trouwens niet geheel nieuw. Paulus van Samosata, Photinus en anderen dat reeds in de oudheid, met bijna identieke bewoordingen. In die tijd, in een metafysisch georiënteerde cultuur, sprak men van de grootste profeet; vandaag, in een historisch georiënteerde cultuur, spreekt men van een eschatologische profeet. Maar is eschatalogisch werkelijk verschillend van de grootste? Kan een profeet de grootste zijn zonder eveneens de definitieve profeet te zijn, en is de definitieve profeet niet de grootste der profeten?

Een christologie die in Jezus niet meer ziet dan een “eschatologische profeet”, heeft de bedoeling het antieke gegeven bij te werken, niet het gegeven dat door de concilies werd bepaald doch wat door de concilies werd veroordeeld.

Maar ik ga in op deze kwestie niet dieper die ik hier de voorbije jaren ook behandeld heb. Ik zou eerder onmiddellijk willen overgaan tot een practische toepassing van de overwegingen die we tot nu toe gemaakt hebben en die ons helpt om van de Advent een tijd van bekering en geestelijke heropleving te maken.

Het besluit dat de brief aan de Hebreeën trekt uit de superioriteit van Christus boven de profeten en Mozes, is niet triomfalistisch maar parenethisch; het gaat niet dieper in op de superioriteit van het christendom maar op de grotere verantwoordelijkheid van de christenen ten overstaan van God. Het zegt:

“Daarom moeten wij des te meer aandacht schenken aan wat ons verkondigd is, om niet uit de koers te raken. Want als het door engelen gesproken woord zulk een gezag had dat elke overtreding of ongehoorzaamheid haar rechtmatige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontkomen, wanneer wij een zo groot heil verwaarlozen?” (Hebr. 2,1-3). Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat ‘heden’ duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden” (Hebr. 3,13).

En in hoofdstuk 10 staat: “Wie zich niet stoort aan de wet van Mozes, wordt op het getuigenis van twee of drie personen zonder pardon ter dood gebracht.  Moet dan hij die de Zoon van God veracht, die het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd is profaneert, die de Geest van Gods genade durft honen – moet zo iemand niet veel strenger gestraft worden?” (Hebr. 10,28-29).

Het woord waarmee wij, ingaande op de uitnodiging van de schrijver, elkaar willen bemoedigen, is het woord dat de liturgie ons verleden zondag liet horen en dat de toon aangeeft van heel de eerste week van de Advent: “weest waakzaam!”. Het is interessant het volgende op te merken. Wanneer dit Jezuswoord hernomen wordt in de catechese van de apostelen na Pasen, dan krijgt het bijna altijd een dramatisch karakter: niet waken, maar ontwaak, sta op uit de slaap! Overgaan van een wakende toestand naar de daad van het ontwaken.

Er is een fundamentele vaststelling: in dit leven riskeren wij voortdurend terug in te slapen, ’t is te zeggen in een toestand te komen waarin de vermogens opgeheven zijn, een toestand van geestelijke slaperigheid en futloosheid. De materiële dingen hebben een verdovende invloed op de ziel. Daarom beveelt Jezus aan: “Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens; laat die dag u niet als een strik onverhoeds grijpen” (Lc. 21,34).

Het kan als gewetensonderzoek nuttig zijn, opnieuw te luisteren naar de beschrijving die de heilige Augustinus in de “Belijdenissen” geeft van deze slaperige toestand:

“De last van het wereldse leven woog op mij zoals slaap die iemand inpalmt; en de meditaties die ik tot U richtte, geleken op de inspanning van een mens die wil ontwaken maar door de zwaarte van zijn slaperigheid weer inslaapt. (...) ik twijfelde er niet aan dat het beter zou zijn me aan uw liefde over te geven dan aan mijn hartstochten. Het eerste was mij een genoegen en overwon mij; ik proefde echter van het andere en ik was overwonnen. En ik wist niet wat ik moest zeggen op Uw woord: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stralen” (Ef. 5,14). En U gaf mij duidelijke bewijzen; overtuigd van de waarheid, kon ik er slechts woorden van traagheid en slaperigheid tegen inbrengen: Dadelijk! Een ogenblik! Laat mij nog een beetje met rust! Maar dat” ogenblik” werd “nooit”; het “laat mij nog een beetje met rust” bleef duren.”

Wij weten hoe de heilige tenslotte uit deze toestand raakte. Hij bevond zich in een tuin ergens in Milaan, verscheurd door de strijd tussen vlees en geest; hij hoorde de woorden van een lied: “Neem, lees, neem, lees”. Hij nam de woorden op als een uitnodiging van God; hij had de brieven van Paulus bij zich. Hij opende ze, vastbesloten om het eerste waarop zijn oog viel als Gods woord voor hem te aanzien. Het viel op de tekst die we verleden zondag in de tweede lezing van de Mis hoorden:

“Bovendien, gij kent de tijd waarin wij leven, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus, en koestert geen zondige begeerten meer” (Rom. 13,11-14). Een licht van sereniteit ging door Augustinus’ lichaam en ziel en hij begreep dat hij met Gods hulp kuis kon leven.

4. “Geef mij kuisheid en onthouding”

Het voorbeeld van Augustinus brengt me ertoe in mijn toespraak een actuele noot in te voeren. Verleden week heeft Rai Uno een opvoering uitgezonden van de komiek Roberto Benigni, die een bijzonder hoog kijkcijfer kreeg. Op een bepaald ogenblik werd het een les in godsdienstige communicatie van hoog niveau, naast de artistieke en literaire dimensie waarvan wi,j predikanten, veel zouden kunnen leren: de bekwaamheid om het gevoel voor het eeuwige in de mens te laten spreken, de verwondering voor het mysterie, voor de kunst, de schoonheid en het simpele feit te bestaan.

Helaas, op een bepaald punt, misschien ongewild, bracht de komiek een boodschap die voor de jeugd vernietigend zou kunnen zijn en het is goed dit recht te zetten. Om zijn uitnodiging te onderbouwen, geen schrik te hebben voor zijn hartstochten, om de top van de liefde te ervaren ook op lichamelijk vlak, citeerde hij de zin van de heilige Augustinus die tot God zegt: “Geef mij kuisheid en onthouding, maar nu nog niet”. Alsof men eerst alles moet uitproberen en dan eventueel als we oud zijn en het ons niets meer zal kosten, de kuisheid te beoefenen.

De komiek heeft niet gezegd hoeveel berouw het de heilige Augustinus later gekost heeft dat hij dit gebed gezegd heeft toen hij nog jong was en hoeveel tranen het hem zou kosten zich los te rukken uit de slavernij van de hartstocht waaraan hij zich had overgeleverd. Benigni sprak niet over het gebed waardoor de heilige het vorige geciteerde gebed vervangen heeft eens hij de vrijheid hervonden had: “Gij beveelt me kuis te zijn; wel, geef me wat Gij beveelt en beveel me dan wat Gij wilt!”.

Ik geloof niet dat de jeugd van vandaag aanmoediging nodig heeft om er zich in te gooien, om te proberen, grenzen te doorbreken (iedereen zet hen aan blindelings die richting uit te gaan met de tragische gevolgen die we kennen). Zij hebben mensen nodig die in hen een degelijke motivatie opwekken, die hen zeker geen angst voor hun lichaam en voor liefde inboezemen maar tenminste de vrees om zowel het ene als het andere te bederven.

In het lied op de Hel, waarop de komiek bewonderenswaardig commentaar gaf, geeft Dante één van die diepe motivaties waar Benigni slechts vluchtig overgaat. Het kwaad, is de rede onderwerpen aan het instinct, in plaats van het instinct aan de rede. “Ik hoorde dat zondaars naar het vlees tot die kwelling veroordeeld werden, zij die de rede onderwierpen aan de begeerte”. De begeerte heeft een functie indien ze aan de rede onderworpen wordt; in het tegenovergestelde geval wordt zij de vijand, niet de bondgenoot van de liefde en leidt zij naar de meest afschuwelijke vergrijpen, waarvan de recente actualiteit ons voorbeelden geeft.

Maar kijken we nu eerder naar onszelf. Het geestelijke leven is zeker niet te herleiden tot kuisheid en zuiverheid, maar zonder hen is iedere inspanning in andere richtingen zeker onmogelijk. Zij is, zoals de heilige Paulus ze in de geciteerde tekst noemt, een wapen van licht: een voorwaarde opdat het licht van Christus zich rond en door ons zou verspreiden.

Vandaag heeft men de neiging de zonden tegen de zuiverheid in tegenstelling te zien met de zonden tegen de naaste en probeert men alleen de zonde tegen de naaste als echte zonde te beschouwen; soms ironiseert men de overdreven cultus die in het verleden gegeven werd aan de “schone deugd”. Deze houding is ten dele te verklaren; in het verleden benadrukte de moraal op een te eenzijdige manier de zonden van het vlees, wat soms de oorzaak werd van ware neuroses, ten koste van de aandacht voor de plichten tegenover de naaste en van de deugd van zuiverheid zelf die aldus verarmd werd en herleid tot een bijna louter negatieve deugd, de deugd om nee te kunnen zeggen.

Maar nu is men in het tegenovergestelde uiterste terechtgekomen en probeert men zonden tegen de zuiverheid te minimaliseren ten gunste (dikwijls slechts verbaal) van de aandacht voor de naaste. Het is een illusie te geloven dat ware broederdienst, die altijd offers en onbaatzuchtigheid vraagt, zelfvergetenheid en edelmoedigheid, kan verzoend worden met een ongeordend persoonlijk leven dat geheel in het teken staat van het eigen genot en bevrediging van zijn hartstochten. Men gaat onvermijdelijk zijn broeders uiteindelijk als een instrument beschouwen, zoals men zijn lichaam als een instrument beschouwt. Wie niet “nee” kan zeggen tegen zichzelf, kan ook geen “ja” zeggen tegen zijn broeders.

Eén van de “excuses” die ertoe bijdragen om de zonde van onkuisheid in de mentaliteit van de mensen gunstig voor te stellen en te ontdoen van iedere verantwoordelijkheid, is dat zij in ieder geval aan niemand kwaad doet, de rechten van de mens niet verkracht noch de vrijheid van de anderen, tenzij – zegt men – het om een lichamelijke verkrachting gaat. Maar naast het feit dat het fundamentele recht van God om Zijn schepselen een wet te geven, verkracht wordt, is dit “excuus” ook vals ten overstaan van de naaste. Het is niet waar dat de zonde van onkuisheid zich beperkt tot degene die ze begaat.

De joodse “Talmud” toont goed de solidariteit aan tussen de zonde en het onrecht dat iedere zonde, zelfs een persoonlijke, bij anderen tot stand brengt: “Meerdere personen zaten in een boot. Eén van hen nam een boor en begon een gat in zijn stoel te maken. Toen de andere passagiers dat zagen, zeiden ze: wat doet ge daar? Hij antwoordde: wat gaat u dat aan? Is het niet mijn stoel waarin ik een gat maak? Maar de anderen antwoordden: ja, maar het water zal binnenkomen en we zullen allemaal verdrinken!” Is dat niet wat in onze samenleving aan het gebeuren is? Zelfs de Kerk kent het kwaad dat men het hele lichaam kan aandoen door persoonlijke fouten op dat vlak.

Eén van de belangrijkste geestelijke gebeurtenissen tijdens de laatste maanden was de publicatie van de “persoonlijke geschriften” van Moeder Theresa van Calcutta. De titel die gekozen werd voor het boek waarin die geschriften verzameld zijn, is het woord dat Christus tot haar sprak op het ogenblik waarop Hij haar riep voor haar nieuwe zending: “Come, be my light” (kom, wees Mijn licht in de wereld). Het is een woord dat Jezus richt tot ieder van ons en met de hulp van de Allerheiligste Maagd Maria en de voorspraak van de Zalige van Calcutta willen wij het liefdevol aannemen en tijdens deze Advent in praktijk proberen te brengen.