Eerste adventspreek 2008

 

“Wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies”

 

De bekering van Paulus,  een model van ware evangelische bekering

 

Het Paulusjaar is een grote genade voor de Kerk. Maar ook een gevaar: het gevaar bij Paulus te blijven stilstaan, bij zijn persoonlijkheid, zijn leer, zonder de volgende stap te zetten, de stap naar Christus. De Heilige Vader waarschuwde voor dit gevaar in zijn homilie bij de opening van het Paulusjaar; en tijdens de audiëntie van 2 juli laatstleden benadrukte hij: “het doel van het Paulusjaar is: van de heilige Paulus leren, het geloof leren, Christus leren kennen”.

In het verleden is men zo dikwijls voor dat gevaar bezweken, wat uiteindelijk zelfs tot de absurde stelling geleid heeft: Paulus, niet Christus, is de echte stichter van het christendom. Jezus Christus zou voor Paulus geweest zijn wat Socrates was voor Plato: een voorwendsel, een naam, om zijn eigen ideeën onder te schuiven.

Zoals Johannes de Doper vóór hem, is de Apostel als een wijsvinger die gericht is op iemand die groter is dan hem, tegenover wie hij zich zelfs niet waardig acht diens apostel te zijn. Bovenvermelde stelling is dus de grootste misvatting, de grootste belediging die men de apostel Paulus kan aandoen. Indien hij tot dit leven zou terugkeren, zou hij met dezelfde heftigheid reageren waarmee hij reageerde tegen een soortgelijke verwarring onder de Korintiërs: “Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus?” (1 Kor. 1,13).

Een ander obstakel dat wij, gelovigen, moet vermijden, is stil te staan bij Paulus’ leer over Christus zonder ons door zijn liefde en ijver voor Hem te laten inpalmen. Paulus weigert slechts een winterzon te zijn voor ons, die wel licht geeft maar geen warmte. De evidente bedoeling van zijn brieven is niet alleen dat de lezers Christus zouden kennen, maar ook hen bij Zijn liefde en lijden te brengen.

Daartoe zouden de drie adventsmeditaties van dit jaar willen bijdragen, beginnend met die van vandaag, waarbij wij nadenken over Paulus’ bekering, de gebeurtenis die na de dood en verrijzenis van Christus, het meest invloed gehad heeft op de toekomst van het christendom.

 

1. De bekering van Paulus, gezien van binnenuit

 

De beste verklaring hiervan is degene die de heilige Paulus zelf geeft wanneer hij spreekt over de christelijke doop als over “de doop in Zijn dood”, “met Hem begraven” zijn om met Hem te verrijzen opdat wij “een nieuw leven zouden leiden” (Rom. 6,3-4). Paulus heeft het paasmysterie van Christus in zichzelf opnieuw beleefd, en daar zal heel zijn gedachtegang voortaan ronddraaien. Men kan overeenkomsten vaststellen, zelfs uiterlijke, die indruk maken. Jezus verbleef drie dagen in het graf; Saul was drie dagen als dood; hij zag niets, at niets, kon niet op zijn benen staan, kwam niet op krachten; daarna werd hij gedoopt en dadelijk zag hij weer, nam terug voedsel tot zich, hervond kracht en kwam terug tot leven (Hand. 9,18).

Dadelijk na zijn doop, trok Jezus zich terug in de woestijn. Ook Paulus, na door Ananias gedoopt te zijn, trok zich terug in de woestijn van Arabië, bij Damascus. Exegeten berekenden dat tussen de ervaring op de weg naar Damascus en de aanvang van zijn publieke activiteit in de Kerk, in Paulus’ leven een stilte geweest is van een tiental jaren. De joden wilden hem doden, de christenen vertrouwden hem nog niet en vreesden hem. Zijn bekering doet denken aan die van kardinaal Newman, die door zijn toenmalige Anglicaanse broeders als een verrader werd beschouwd en door katholieken wantrouwig werd aangekeken omwille van zijn vernieuwende en gedurfde ideeën.

De Apostel heeft een lang noviciaat doorgemaakt; zijn bekering duurde slechts enkele minuten. En in deze “kenose”, in deze tijd van onthechting aan zichzelf en stilte heeft hij die explosieve energie verzameld, dit licht dat zich op een dag over de wereld zal uitstorten.

Van Paulus’ bekering hebben we twee verschillende beschrijvingen: de ene vertelt eigenlijk de buitenkant van de gebeurtenis, vanuit historisch oogpunt; een ander bekijkt de gebeurtenis aan de binnenkant, vanuit psychologisch en autobiografisch standpunt. Het eerste type vinden we terug in de drie verschillende verhalen die men kan lezen in de Handelingen van de Apostelen. Bepaalde elementen komen van Paulus zelf, daar waar hij uitlegt hoe hij van een vervolger tot een apostel van Christus wordt (Gal. 1,13-24).

Tot het tweede type behoort hoofdstuk 3 van de brief aan de Filippenzen. De Apostel beschrijft wat de ontmoeting met Christus voor hem subjectief betekend heeft, hij geeft weer wie hij voordien was en nadien geworden is; anders gezegd, hij vertelt waarin de verandering op existentieel en religieus vlak bestond die in zijn leven heeft plaatsgehad. Concentreren wij ons op die tekst, die wij in overeenstemming met het boek van de H. Augustinus, “De Belijdenissen van de heilige Paulus” zouden kunnen noemen.

In iedere verandering is er een “terminus a quo” en een “terminus ad quem”, een vertrekpunt en een punt van aankomst. De Apostel beschrijft vooral het vertrekpunt, wie hij voordien was:

“Ik zou me overigens met recht en reden op menselijke voorrechten kunnen beroepen. Als anderen menen daarop te kunnen vertrouwen, dan ik zeker: ik ben besneden op de achtste dag, van Israëls geslacht, van de stam Benjamin, een geboren en getogen Hebreeër: op het stuk van de tora een farizeeër, wat ijver aangaat een vervolger van de kerk, in wettische heiligheid volmaakt” (Fil. 3,4-6).

Men kan deze beschrijving gemakkelijk verkeerd lezen: deze hoedanigheden waren niet negatief, het ging in tegendeel om de hoogste kwalificaties van toenmalige heiligheid. Op basis daarvan zou men onmiddellijk het proces voor Paulus’ heiligverklaring kunnen openen, indien hij in onze tijd had geleefd. Zoals men van iemand zou zeggen: gedoopt op de achtste dag, behorend tot de heilsstructuur bij uitstek, de katholieke Kerk; lid van de strengste religieuze orde van de Kerk (dat was het geval voor de farizeeën!), iemand die nauwgezet de Regel onderhoudt ...”.

Doch in de tekst begint men een nieuwe lijn die de bladzijde en het leven van Paulus in twee deelt. Ze begint met een “maar” die een volledig contrast inluidt:
“Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen” (Fil. 3,7-8).

De naam van Jezus komt in deze korte tekst drie keer voor. Paulus’ ontmoeting met Jezus heeft zijn leven in twee gedeeld, heeft een “vóór” en een “na” gecreëerd. Het is eerder een heel persoonlijke (het is de enige tekst waar de apostel het enkelvoudig “mijn” gebruikt en niet “onze” Heer) en existentiële ontmoeting dan een intellectuele. Niemand zal ooit juist weten wat in die korte dialoog gebeurd is: “Saul, Saul!” “Wie zijt gij, Heer? Ik ben Jezus!”. Een “openbaring”, noemt hij het (Gal. 1,15-16). Het was als een roodgloeiende samensmelting, een bliksemflits die ook vandaag, tweeduizend jaar later, de wereld verlicht.

 

1. Een bekering van de geest

 

Wij proberen de inhoud van de gebeurtenis te ontleden. Het gaat vooreerst om een bekering van de geest, een omkering van denken, letterlijk een “metanoia”. Tot dan had Paulus geloofd dat hij zichzelf kon redden en voor God gerechtvaardigd zijn door het nauwgezet onderhouden van de wet en de voorouderlijke tradities. Nu begrijpt hij dat het heil helemaal anders verkregen wordt. Ik heb aanvaard mij in Hem te laten vinden, zegt hij, “niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus, de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof” (Fil. 3,8-9). Jezus heeft hem persoonlijk laten ervaren wat hij eens aan heel de Kerk zou verkondigen: de rechtvaardiging door de genade, door middel van het geloof (Gal. 2,15-16; Rom. 3,21 e.v.).

Bij het lezen van hoofdstuk 3 van de brief aan de Filippenzen, staat mij dit beeld voor de geest: een man gaat ’s nachts in een dicht woud met het zwakke licht van een kaars, erop lettend ze niet te laten doven; hij stapt, stapt, en kijk, het wordt morgen, de zon gaat op, het zwakke kaarslicht verbleekt meer en meer, tot het hem niet meer dienstig is en hij de kaars weggooit. De kleine rokende pit, is zijn eigen gerechtigheid. Op een dag is in het leven van Paulus de zon opgegaan, Christus de Heer, en sindsdien wou hij geen ander licht meer dan het Zijne.

Het is geen punt tussen de andere, maar het hart van de christelijke boodschap; hij zal het “zijn evangelie” noemen; hij zal zelfs verklaren dat wanneer iemand een ander evangelie durft verkondigen, zij het een engel of hijzelf, hij vervloekt weze (Gal. 1,8-9). Waarom zo veel nadruk? Omdat daarin het nieuwe ligt van het christendom, dat het onderscheidt van alle andere godsdiensten of godsdienstige filosofieën. Iedere godsdienst begint met aan de mensen te zeggen wat ze moeten doen om gered of “verlicht” te worden. Het christendom begint niet met aan de mensen te zeggen wat ze moeten doen, maar wat God in Christus Jezus voor hen gedaan heeft. Het christendom is de godsdienst van de genade.

Er is een plaats – en hoe – voor de plichten en het onderhouden van de geboden, maar later, als antwoord op de genade, en niet als oorzaak of als te betalen prijs. We worden niet door de goede werken gered, maar ook niet zonder de goede werken. Het is een revolutie, die we na tweeduizend jaar nog altijd moeilijk beseffen. De theologische woordenstrijd over de rechtvaardiging door het geloof is sinds de Reformatie tot op onze dagen eerder een hindernis dan een hulp geweest; het probleem werd op theoretisch niveau instandgehouden door tegengestelde denkrichtingen, maar de gelovigen werden niet geholpen om de rechtvaardiging door het geloof in hun leven te ervaren.

 

3. “Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”

 

Wij moeten ons echter een cruciale vraag stellen: wie heeft die boodschap uitgevonden? Als het de apostel Paulus is, dan zouden zij die zeggen dat hij en niet Jezus de stichter is van het christendom, gelijk hebben. Maar niet hij heeft het uitgevonden; hij doet niets anders dan in universele termen de boodschap verwoorden die Jezus verkondigde in Zijn taal van beelden en parabels, die Hem eigen was.

Jezus begon zo Zijn prediking: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc. 1,15). Met deze woorden gaf Hij reeds onderricht in de rechtvaardiging door het geloof. Vóór Hem, betekende zich bekeren altijd “terug achteruit gaan” (het Hebreeuwse woord “shub”); het betekende, terugkeren naar het verbroken verbond, door de wet opnieuw te onderhouden; “Keert terug tot Mij (...) Keert u af van uw slechte handel en wandel”, zei God door de profeten (Zach. 1,3-4; Jer. 8,4-5).

Zich bekeren heeft dus wezenlijk een ascetische en morele betekenis en een betekenis van boete en men bekeert zich door zijn leven te veranderen. Bekering wordt gezien als een voorwaarde tot heil: bekeert u en ge zult gered worden; bekeert u en het heil zal tot u komen. Dat is ook de belangrijkste betekenis van het woord bekering in de mond van Johannes de Doper (cfr. Lc. 3,4-6). Maar in de mond van Jezus komt deze betekenis op het tweede plan (tenminste in het begin van Zijn prediking) ten overstaan van een nieuwe, tot dan ongekende betekenis. Men ziet hier ook het enorme verschil tussen de prediking van Johannes de Doper en die van Jezus.

Zich bekeren betekent niet meer terug achteruit gaan, naar het oude verbond en het onderhouden van de wet, maar een sprong voorwaarts, het nieuwe verbond binnengaan, het Koninkrijk grijpen dat verschenen is, er binnengaan door de genade. “Bekeert u en gelooft” zijn geen twee verschillende en elkaar opvolgende dingen, maar één en dezelfde handeling: bekeert u, dat wil zeggen gelooft; bekeert u door te geloven! “Prima conversio fit per fidem”, zal de heilige Thomas van Aquino zeggen, “de eerste bekering bestaat erin te geloven”.

Het is God die het initiatief van het heil genomen heeft: Hij deed Zijn Koninkrijk komen; de mens moet het aanbod van God slechts gelovig aanvaarden en vervolgens leven overeenkomstig de eisen ervan. Het is als een koning die de deur opent van zijn paleis waar een groot feestmaal is aangericht. Op de drempel van de deur nodigt hij alle voorbijgangers uit binnen te komen en zegt: “komt, alles is klaar!”. Het is de roep die in alle parabels over het Koninkrijk weerklinkt: het zozeer verwachte uur heeft geslagen, neem het reddende besluit, mis de gelegenheid niet!
De Apostel zegt hetzelfde in zijn leer over de rechtvaardiging door het geloof. Het enige verschil is te wijten aan wat zich ondertussen heeft voorgedaan, tussen de prediking van Jezus en die van Paulus: Christus werd verworpen en ter dood gebracht voor de zonden van de mensen. Het geloof “in de Blijde Boodschap” (cfr. “gelooft in de Blijde Boodschap”) dient zich nu aan als geloof “in Jezus Christus”, “in Zijn bloed” (Rom. 3,25).

Wat de Apostel uitdrukt met het bijwoord “gratis” (“dorean”) of “door genade”, drukt Jezus uit met het beeld, het Koninkrijk te ontvangen als een kind, namelijk als een gave, zonder zijn verdiensten te doen gelden, alleen rekenend op de liefde van God, zoals kinderen rekenen op de liefde van hun ouders.

Exegeten discuteren reeds lang over de vraag of men moet blijven spreken over de bekering van de heilige Paulus; sommigen verkiezen over roeping te spreken in plaats van over bekering. Sommigen zouden zelfs willen dat men het feest van de bekering van de heilige Paulus zou afschaffen, aangezien het woord bekering wijst op onthechting en afwijzing van iets, terwijl een jood die zich bekeert, in tegenstelling tot een heiden, niets moet afwijzen, hij moet niet van de afgoden overgaan naar de eredienst voor de ware God.

Ik heb de indruk dat we hier voor een verdraaid probleem staan. Vooreerst is er geen tegenstelling tussen bekering en roeping: roeping veronderstelt bekering, het eerste vervangt het andere niet, evenmin als de genade de vrijheid vervangt. Meer nog, wij hebben gezien dat evangelische bekering niet het feit is iets af te wijzen, terug achteruit te gaan, maar iets nieuws te ontvangen, een sprong voorwaarts te maken. Tot wie richtte Jezus zich toen Hij zei: “bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”? Sprak Hij niet tot de joden? Het is naar diezelfde bekering dat de Apostel verwijst wanneer hij zegt: “Maar telkens iemand zich bekeert tot de Heer, wordt de sluier verwijderd” (2 Kor. 3,16).
Zo gezien, lijkt de bekering van Paulus ons het model zelf van ware christelijke bekering die er vooreerst in bestaat Christus te aanvaarden, zich terug tot Hem te keren door het geloof. Dat betekent iets vinden, voordat men iets laat. Jezus zegt niet: een man verkocht alles wat hij bezat en ging op zoek naar de verborgen schat; Hij zegt: een man vond een schat en daarom verkocht hij alles wat hij had.

 

4. Een ervaring

 

In het akkoord tussen de katholieke Kerk en de Wereldfederatie van Lutherse Kerken over de rechtvaardiging door het geloof, door Johannes Paulus II en de aartsbisschop van Upsala plechtig voorgesteld in de Sint-Pietersbasiliek in 1999, staat aan het einde een aanbeveling die volgens mij van vitaal belang is. In substantie staat er dit: het ogenblik is gekomen dat de gelovigen deze grote waarheid ervaren en dat zij niet langer het voorwerp is van theologische onenigheid onder deskundigen, zoals dit het geval geweest is in het verleden.

Het Paulusjaar biedt ons een gunstige gelegenheid om deze ervaring op te doen. Dit jaar kan een nieuw elan geven aan ons geestelijk leven, een nieuwe adem en een nieuwe vrijheid. Charles Péguy heeft in de derde persoon, de geschiedenis verteld van de grootste daad van geloof in zijn leven. Een man, zo vertelt hij (en wij weten, dat hij die man is), had drie kinderen en op een vervloekte dag, worden ze alle drie ziek, alle drie tegelijk. Hij nam toen een heel gewaagde beslissing. Als hij eraan terugdacht, had hij een beetje bewondering voor zichzelf en het moet gezegd dat het werkelijk een gedurfde zet was. Zoals men drie kinderen van de grond zou opnemen om ze bij wijze van spel, alle drie tegelijk in de armen van hun moeder of voedster te leggen, die lachend zou protesteren en roepen dat het te veel is en dat ze de kracht niet heeft om ze te dragen, heeft hij – in gebed – zijn drie zieke kinderen stoutmoedig in de armen gelegd van Haar die belast is met al het leed in de wereld: “Ge ziet, zei hij, ik geef ze u, ik licht mijn hielen en ga weg opdat ge ze me niet teruggeeft. Ik wil ze niet meer, ge ziet het! Gij moet ervoor zorgen” (de beeldspraak ter zijde gelaten, ging hij te voet op bedevaart van Parijs naar Chartres om zijn drie zieke kinderen aan de Maagd Maria toe te vertrouwen). Vanaf die dag ging alles goed natuurlijk, want het was de Heilige Maagd die voor hen zorgde. Het is toch eigenaardig dat niet alle christenen hetzelfde doen. Het is zo simpel, maar aan wat simpel is, wordt nooit gedacht.

Wat ons in deze geschiedenis interesseert, is de idee van de stoutmoedige zet, want over iets dergelijks gaat het. Er werd gezegd dat het geloof de sleutel is van alles. Maar er zijn types van geloof: het geloof als instemming van het verstand, het geloof als vertrouwen, het geloof als een stabiele toestand zoals Jesaja het noemt (7,9): over welk geloof gaat het als men spreekt over rechtvaardiging “door het geloof”? Het gaat om een zeer speciaal geloof: het geloof als toeëigening!

Luisteren we hierover naar de heilige Bernardus: “Ik, zegt hij, wat ik niet van mezelf kan verkrijgen, eigen ik mij toe (eis ik op!), vertrouwend op de doorboorde zijde van de Heer, want zij is vervuld van barmhartigheid. Mijn verdienste is dus Gods barmhartigheid. Ik zal zeker niet arm aan verdienste zijn aangezien Hij rijk is aan erbarmen. Als het erbarmen van de Heer overvloedig is (Ps. 119,156), zal ook ik verdiensten in overvloed hebben. En wat is er met mijn gerechtigheid? O Heer, ik zal mij alleen Uw gerechtigheid herinneren. Eigenlijk is zij ook de mijne, want Gij zijt voor mij gerechtigheid van Godswege”. Er staat namelijk geschreven dat “Jezus Christus voor ons Gods wijsheid geworden is, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing (cfr. 1 Kor. 30). Voor ons, niet voor Zichzelf!

De heilige Cyrillus van Jeruzalem drukte diezelfde gedachte over het stoutmoedige geloof met andere woorden uit: “O buitengewone goedheid van God voor de mensen! De rechtvaardigen van het Oude Testament behaagden God door hun jarenlange inspanningen; maar wat zij konden verkrijgen door een lange en heldhaftige dienst die God aangenaam was, geeft Jezus u in de korte tijd van een uur. Inderdaad, indien ge gelooft dat Jezus Christus de Heer is en dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult ge gered zijn en binnengevoerd worden in het paradijs door Hemzelf die er de goede moordenaar heeft binnengebracht”.

Beeldt u in, schrijft Cabasilas, een beeld ontwikkelend van de heilige Johannes Chrysostomos, dat in een stadion een zwaardgevecht plaatsheeft. Een dappere man heeft een wreedaardige tiran getrotseerd en ten koste van ongehoorde inspanning en lijden, gewonnen. Maar als gij die moedige man bewondert, als ge u met hem verheugt in zijn overwinning, als ge overwinningskronen vlecht, de menigte aanzet om hem te dragen, als ge graag voor de overwinnaar buigt, zijn hoofd kust en de hand drukt; kortom, als ge zo vol zijt van hem dat ge zijn overwinning als de uwe beschouwt, dan zeg ik u dat ge zeker deelhebt aan de prijs van de overwinnaar.

Maar dat is niet alles: veronderstel dat de overwinnaar helemaal geen behoefte heeft aan de prijs die hij gewonnen heeft maar boven alles wenst dat zijn supporter zou geëerd worden en dat de prijs voor zijn strijd de bekroning zou zijn van zijn vriend. Zal in dat geval, deze man de kroon niet krijgen, ook al heeft hij moeite noch verwondingen gekend? Zeker! Wel, dat gebeurt tussen Christus en ons. Zelfs als wij geen inspanning gedaan hebben noch gestreden, zelfs als we nog geen enkele verdienste hebben, juichen wij in het geloof de strijd van Christus toe, bewonderen wij Zijn overwinning, vereren wij Zijn trofee die het kruis is en zeggen Hem onze vurige en onuitsprekelijke liefde; wij maken ons deze wonden en dood eigen. Het is dat het heil verkregen wordt.

De liturgie van Kerstmis spreekt over “de heilige ruil”, “sacrum commercium” tussen God en ons, in Christus tot stand gebracht. De wet van iedere ruil wordt uitgedrukt in de formule: het mijne is het uwe en het uwe is het mijne. Daaruit volgt dat het mijne, namelijk zonde, zwakheid, overgaat op Christus; en wat Christus toebehoort, namelijk heiligheid, overgaat op mij. Aangezien wij meer aan Christus toebehoren dan aan onszelf (cfr. 1 Kor. 6,19-20), schrijft Cabasilas, volgt daaruit het omgekeerde, namelijk dat Christus’ heiligheid ons meer toebehoort dan onze eigen heiligheid. Dat is het nieuwe elan van het geestelijk leven. In het algemeen ontdekt men dat niet bij de aanvang maar op het einde van zijn geestelijke weg, als men al de andere wegen geprobeerd heeft en gezien dat ze niet ver leiden.

In de katholieke Kerk hebben wij een bevoorrecht middel om deze heilige ruil en de rechtvaardiging door de genade langs het geloof, concreet in het leven van alledag te ervaren: de sacramenten. Telkens ik het sacrament van de verzoening ontvang, ervaar ik concreet door de genade gerechtvaardigd te zijn, “ex opere operato”, zoals de theologie ons zegt. Ik ga op naar de tempel en zeg tot God: “God, heb medelijden met mij zondaar” en zoals de tollenaar keer ik “gerechtvaardigd” naar huis terug (Lc. 18,14), vergeven, met een stralende ziel, zoals op het ogenblik dat ik uit het doopwater werd gehaald.

Moge de heilige Paulus in dit jaar dat hem gewijd is, voor ons de genade verkrijgen om zoals hij, de stoutmoedige zet van het geloof te doen.