EERSTE ADVENTSPREEK, door P. Raniero Cantalamessa ofm cap

 

Dienaren en vrienden van Jezus Christus

 

    Aan de oorsprong van ieder priesterschap

 

Bij de keuze van het onderwerp van deze homilieën in het Pauselijk Huishouden probeer ik me altijd te laten leiden door de specifieke genade die de Kerk voorleeft. Vorig jaar was dat de genade van het Paulusjaar, dit jaar is het de genade van het Jaar van de Priester, waar we de Heilige Vader uitgesproken dankbaar voor zijn.

Het Tweede Vaticaans Concilie wijdde een compleet document, Presbyterorum ordinis, aan het onderwerp van het priesterschap; in 1992 gaf Johannes Paulus II de postsynodale exhortatie Pastores dabo vobis, over de vorming van priesters in de huidige omstandigheden, aan de gehele Kerk; de huidige pontifex schetste bij het uitroepen van het huidige Jaar van de Priester een kort maar duidelijk profiel van de priester in het licht van het leven van de Heilige Pastoor van Ars. Er zijn ontelbare toevoegingen van individuele bisschoppen over dit onderwerp, om nog te zwijgen over de boeken geschreven over de persoon en missie van de priester in de net-geëindigde eeuw, waarvan sommige van grote literaire waarde zijn.

Wat kan aan dit alles worden toegevoegd in de korte tijdsspanne van een overweging? Het gezegde waar, zo herinner ik me, een priester zijn cursus mee begon, “Non nova it sciatis, sed vetera ut faciatis” (Nieuwe dingen weten is niet van belang, maar dat wat al bekend is in de praktijk brengen wel), moedigt me aan. Daarom laat ik elke poging tot doctrinale synthese of globale overzichten of ideale profielen van de priester voor wat ze zijn (ik heb er noch de tijd noch de bekwaamheid voor) en zal ik waar mogelijk proberen ons priesterlijk hart te laten schijnen wanneer het in contact komt met een woord van God.

Het woord uit de Schrift dat onze leidraad zal zijn komt uit 1 Korinthiërs 4:1, dat velen van ons zich herinneren in de Latijnse vertaling van de Vulgaat: “Sic nos existimet homo ut ministros Christi et dispensatores mysteriorum Dei”: “Men moet ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen”. Daarnaast kunnen we tot op zeker hoogte de definitie van de Brief aan de Hebreeën plaatsen: “Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God” (Hebreeën 5:1).

Deze zinsneden hebben het voordeel dat ze verwijzen naar de gezamenlijke oorsprong van elk priesterschap, namelijk dat moment van openbaring waarop de apostolische dienst nog niet gediversifiëerd was, en een plaats toekende aan de drie kanonieke graden van bisschopen, presbyters en diakens die, wat hun respectievelijke functies betreft, pas duidelijk werden ten tijde van Sint Ignatius van Antiochië, aan het begin van de tweede eeuw. Deze gezamenlijke oorsprong wordt duidelijk in de Catechismus van de Katholieke Kerk dat het het wijdingssacrament omschrijft als het sacrament waardoor “de zending, die Christus aan zijn apostelen heeft toevertrouwd, in de kerk [wordt] voortgezet tot aan het einde der tijden: het is dus het sacrament van het apostolisch ambt.”(n. 1536).

En aan dit oorspronkelijk moment proberen we zoveel mogelijk te refereren in onze overwegingen, met als doel de kern van het priesterschap te ontdekken. Tijdens deze Advent zullen we alleen het eerste deel van de zin van de Apostel overwegen: “Helpers van Christus”. Godwillende zullen we onze bezinning in de Vastentijd voortzetten en overwegen wat het betekent voor een priester om te zijn “belast met het beheer van Gods geheimen” en wat die geheimen die wij moeten beheren precies zijn.

“Helpers van Christus!” (met een uitroepteken om de grootsheid, waardigheid en schoonheid van de titel aan te geven): zie het woord dat uw hart moet raken in onze overweging en het moet doen schijnen met heilige trots. We spreken hier niet over praktische dienstbaarheid of over hoe woord en sacrament te beheren (hierover, zoals gezegd, spreken we in de Vastentijd); in andere woorden, we gaan het niet hebben over de dienstbaarheid als daad, maar als toestand, als essentiële roeping en als identiteit van de priester en we spreken erover op dezelfde wijze en met dezelfde geest van Paulus die zichzelf aan het begin van zijn brieven altijd introduceerd als “Paulus, dienstknecht van Christus Jezus, door God geroepen tot apostel.”

In het onzichtbare paspoort van de priester, het paspoort waarmee hij zichzelf iedere dag presenteert aan God en zijn mensen, moet men onder het kopje ‘beroep’ kunnen lezen: “Dienstknecht van Jezus Christus.” Natuurlijk zijn alle Christenen dienstknecht van Christus, maar de priester is het op een eigen titel en manier, net zoals alle gedoopten priesters zijn, maar de gewijde bedienaar het is op een andere, hogere titel en wijze.

 

  1. Voortzetters van het werk van Christus

 

De essentiële dienst van de priester is het voortzetten van het werk van Christus in de wereld: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie” (Joh. 20:21). In zijn beroemde letter aan de Korinthiërs schreef Paus Clemens: “Christus is door God gezonden en de apostelen door Christus … Overal in het land en in de stad predikend  en beproefd door de Geest, benoemden zijn hun eerste opvolgers, om bisschoppen en diakens te zijn” (1 Clementis 42: 1-2). Christus werd gezonden door de Vader, de apostelen door Christus, de bisschoppen door de apostelen: dit is de eerste heldere verwoording van het principe van de apostolische successie.

Maar het woord van Jezus heeft alleen een juridische en formele betekenis. Anders gezegd, het grondvest niet alleen het recht van gewijde bedienaren om als ‘gezondenen’ door Christus te spreken; het geeft ook aan het motief en de inhoud van de missie, die hetzelfde is als die waarvoor de Vader de Zoon naar de wereld heeft gezonden. En waarom heeft de Vader Zijn Zoon naar de wereld gezonden? Hier laten we de globale en diepgaande antwoorden waarvoor we het gehele Evangelie zouden moeten lezen achter ons; we zullen ons alleen richten op een aantal programmatische uitspraken van Jezus.

Tegenover Pilatus verklaarde hij: “met geen andere bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid” (Joh. 18:37). Het voortzetten van het werk van Christus houdt dus in dat de priester getuigd van de waarheid, om het licht van dat wat waar is te laten schijnen. Het is alleen wel nodig om rekening te houden met de dubbele betekenis van het woord waarheid, aletheia, in Johannes. Het schommelt tussen Goddelijke werkelijkheid en kennis van de Goddelijke werkelijkheid, tussen een ontologisch of objectieve betekenis en een gnoseologische of subjectieve. Waarheid is “eeuwige waarheid voor zover het aan de mens is onthuld, refererend aan de waarheid zelf of aan de onthulling daarvan.” [1]

De traditionele interpretatie kent ‘waarheid’ bovenal als onthulling en kennis van de waarheid: in ander woorden, als dogmatische waarheid. Dit is zeker een essentiële taak. De Kerk spreekt zich over algemeen vrij door het Magisterium, de raden, theologen en de individuele priester die de ‘heilige doctrine’ doorgeeft aan het volk.

Johannes’ andere betekenis van waarheid mag echter niet worden vergeten: dat van de gekende werkelijkheid boven de kennis van de werkelijkheid. Zo bekeken is de taak van de Kerk en de individuele priester niet beperkt tot het verkondigen van de waarheid van het geloof, maar omvat het ook het helpen van het ervaren van de waarheid, tot een werkelijk en persoonlijk contact met de waarheid van God door de Heilige Geest.

Sint Thomas van Aquino schreef dat geloof “niet eindigt in de verkondiging, maar in de zaak” (Fides non terminatur ad enuntiabile sed ad rem). Op vergelijkbare wijze kunnen de geloofsleraren niet voldoen met het onderwijzen van de zogeheten waarheid van het geloof, maar moeten zij mensen helpen de ‘zaak’ te begrijpen, om niet alleen een idee van God te hebben maar om Hem te ervaren volgens de Bijbelse betekenis van kennen die verschilt, zoals gezegd, van de Griekse en filosofische betekenis..

Een andere programmatische verklaring is die door Jezus werd uitgesproken tegenover Nicodemus: “Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden” (Joh 3:17). Deze zin wordt gelezen in het licht van wat er meteen aan voorafgaat: “Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit.” Jezus is gekomen om de reddende wil en genadige liefde van de Vader te openbaren. Al zijn spreken worden samengevat in het woord dat hij tot de discipelen spreekt tijdens het Laatste Avondmaal: “want uit eigen beweging houdt de Vader van jullie!” (Joh. 16:27).

Het werk van Christus in deze wereld voor te zetten betekent dat we ons deze basishouding eigen moeten maken in confrontaties met de mensen, zelfs de meest afstandelijke. Niet om te veroordelen maar om te redden. De menselijke kwaliteit waar de Brief aan de Hebreeën de meeste nadruk op legt in het onderscheid tussen Christus as Priester en iedere priester moet niet onopgemerkt blijven: sympathie, het gevoel van solidariteit, medeleven in confrontaties met de mensen.

Van Christus wordt gezegd: “Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.” Van de menselijke priester wordt bevestigd dat hij is “aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden. Hij is in staat onwetenden en dwalenden geduldig te verdragen, omdat hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is; daarom moet hij, als hij offers voor de zonden opdraagt, evengoed aan zichzelf denken als aan het volk” (Heb. 4:15-5:3).

Het is waar dat Jezus zich in de Evangelies ook laat kennen als streng, oordelend en veroordelend, maar tegenover wie doet hij dat? Niet tegen de gewone mensen die Hem volgden en naar Hem kwamen luisteren, maar tegen de hypocrieten, de zelfvoorzienenden, de leraren en gidsen van het volk. Jezus was niet, zoals sommige politici, “sterk met de zwakken en zwak met de sterken.” Integendeel!

 

  1. Voortzetters, geen opvolgers

 

Maar hoe kunnen we spreken over priesters als voortzetters van het werk van Christus? In iedere menselijke onderneming, het Romeinse Rijk in het verleden evenals het gewijde leven en alle wereldlijke ondernemingen van de Kerk vandaag, zetten opvolgers het werk door, maar niet de persoon van de stichter. Soms is dit juist, soms wordt het aan de kant geschoven of zelfs helemaal afgewezen. Maar niet in de Kerk. Jezus heeft geen opvolgers omdat Hij niet dood is, maar leeft: “verrezen uit de doden, de dood heeft niet langer macht over Hem.”

Wat zal dan de taak van de bedienaren zijn? Hem vertegenwoordigen in de betekenis van Hem tegenwoordig maken, zichtbare vorm aan zijn onzichtbare aanwezigheid geven. Hieruit bestaat de profetische dimensie van het priesterschap.

Voor Christus bestond profetie feitelijk uit het verkondigen van een toekomstige redding, “in de laatste dagen.” Na Hem bestond het uit het onthullen van een verborgen aanwezigheid van Christus aan de wereld, uit het uitroepen zoals Johannes de Doper, van: “Onder U is één die u niet kent.”

“Ze wendden zich tot Filippus, die afkomstig was uit Betsaïda in Galilea, met het verzoek: ‘We zouden Jezus willen ontmoeten”(Joh 12:21): dezelfde vraag is min of meer expliciet aanwezig in het hart van iedereen die tegenwoordig een priester benadert.

Sint Gregorius van Nissa bezigde een bekende uitdrukking die gewoonlijk wordt toegepast op de beleving van mystici: “De aanwezigheid voelen.” [2] Het voelen van de aanwezigheid is meer dan een simpel geloof in de aanwezigheid van Christus; het is het hebben van een levendig gevoel, een bijna lichamelijke ervaring van Zijn aanwezigheid als Verrezene. Als dit toepasselijk is voor de mystiek dan betekent dat dat iedere priester een mysticus moet zijn, of tenminste een mystagoog, iemand die mensen invoert in het mysterie van God en Christus, alsof hij hen bij de hand houdt.

De taak van de priester is niet anders, zelfs als die ondergeschikt is, in relatie tot dat wat de Heilige Vader identificeerde als de absolute prioriteit voor de Opvolger van Petrus en voor de hele Kerk in de brief van 10 maart jongstleden, gericht aan de bisschoppen:

“In onze tijd, waarin het geloof in grote delen van de wereld dreigt uit te doven als een vlam die geen voeding meer krijgt, is het de allereerste prioriteit God aanwezig te stellen in deze wereld en voor de mensen de weg naar God te openen. Niet naar zomaar een god, maar naar de God die op de Sinaï gesproken heeft; naar de God wiens gelaat wij herkennen in de Liefde tot het uiterste toe (Joh 13:1): in Jezus Christus, die gekruisigd en verrezen is […]De mensen tot God brengen, de in de Bijbel sprekende God, is de hoogste en fundamentele prioriteit van de Kerk en van de opvolger van Petrus in deze tijd.”

 

  1. Dienaren en vrienden

 

Hoe het ook zij, we moeten nu een stap voorwaart zetten in onze overweging. “Helpers van Christus!” Deze titel moet nooit op zichzelf staan; ernaast moet altijd minimaal, in de diepte van ons hart, een andere titel staan: die van vrienden! De gezamenlijke oorsprong van alle gewijde ambten die later werden onderscheiden is de uitverkiezing van de Twaalf door Jezus.; dit is wat, vanuit het priesterschap, terugvoert naar de historische Jezus. Het is waar dat de liturgie de instelling van het priesterschap op Witte Donderdag plaatst vanwege de woorden die Jezus uitsprak na de instelling van de Eucharistie: “Doe dit tot mijn gedachtenis.” Maar zelfs deze woorden duiden de uitverkiezing van de Twaalf aan, zonder dat het op zichzelf de rol van wijdenaar en liturgist rechtvaardigt, maar niet, even belangrijk, die van aankondiger van het Evangelie.

Wat zegt Jezus in dit geval? Waarom verkoos hij de Twaalf na een hele nacht gebeden te hebben? “Hij stelde er twaalf aan, die Hij ook apostelen noemde, met de bedoeling dat ze Hem zouden vergezellen, en uitgezonden zouden worden om te verkondigen” (Marcus 3:14). Om Jezus te vergezellen en uitgezonden te worden om te verkondigen: te blijven en te gaan, te ontvangen en te geven: in deze paar woorden ligt te essentie van de taak van de medewerkers van Christus.

Jezus ‘vergezellen’ betekent natuurlijk niet alleen een fysieke nabijheid; het is alle rijkdom die Paulus zal beschrijven in de betekenisvolle uitdrukking “in Christus” of “met Christus”. Het betekent alles te delen met Jezus: zijn zwervende leven, absoluut, maar ook Zijn gedachten, doelstellingen, geest. Het woord compagnon komt uit Middeleeuws Latijn en betekent ‘hij die gemeen heeft (cum, met-) het brood (panis)’, die hetzelfde brood eet.

In zijn afscheidsrede doet Jezus een stap voorwaarts en vervult de titel van compagnons met die van vrienden: “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld” (Joh 15:15)

Er is iets ontroerends aan deze liefdesverklaring van Jezus. Ik zal me altijd het moment herinneren dat ik heel even iets van deze emotie mocht ervaren. Tijdens een gebedsbijeenkomst had iemand deze passage uit het Johannesevangelie gelezen. Het woord ‘vrienden’ raakte me zo diep als ik nog nooit had ervaren; het raakte iets in de diepte van mijn wezen, zo erg dat ik het de rest van de dag voor mezelf bleef herhalen, verwonderd en het niet gelovend. Hij noemde mij zijn vriend! Jezus van Nazareth, de Heer, mijn God! Hij noemde mij vriend! Ik ben Zijn vriend. En het leek alsof ik over de daken van de stad kon vliegen en met die zekerheid zelfs door het vuur kon lopen.

Als Sint Paulus over de liefde van Jezus Christus schrijft lijkt hij altijd ontroerd: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” (Rom 8:35), Hij heeft zichzelf “overgeleverd voor mij” (Gal 2:20). We neigen ernaar om de emotie te wantrouwen en uiteindelijk beschaamd te zijn. We weten niet van wat voor welvaart we ons onthouden. Jezus was “ten diepste begaan” en huilt ten overstaan van de weduwe van Nain (Luc 7:13) en de zusters van Lazarus (Joh. 11:33-35). Een priester die ontroerd kan zijn als hij over de liefde van God en het lijden van Christus spreekt, en de zelfverzekerdheid van diepe rouw kan delen, is overtuigender dan eindeloze redeneringen. Ontroerd zijn betekent niet noodzakelijk dat je moet huilen; het is iets dat zichtbaar is in de ogen, in de stem. De Bijbel staat vol met Gods pathos.

 

  1. De ziel van ieder priesterschap

 

Een persoonlijke relatie, vol van vertrouwen en vriendschap met de persoon van Jezus is de ziel van ieder priesterschap. In het licht van het Jaar van de Priester heb ik het boek van Jean-Baptiste Chautard herlezen: “De ziel van het apostolaat”, dat zo veel goeds heeft gedaan en zo vele gewetens heeft wakker geschud in de jaren voor het Concilie.

In een tijd waarin er veel enthousiasme is voor ‘parochiewerk’: bioscoopbezoek, recreatie, sociale activiteiten, culture kringen, richtte de auteur de discussie weer rechtstreeks op het hart van het probleem, het gevaar van leeg activisme bekritiserend. “God,” schreef hij, “wil Jezus het hart van de werken laten zijn.”

Hij ontkende het belang van pastorale activiteiten niet, integendeel, maar hij bevestigde dat zonder een leven in eenheid met Christus dit niet meer dan ‘krukken’ waren. Jezus zegt tegen Petrus: “Simon, heb je me lief? Hoed mijn schapen” (Joh. 21:15).De pastorale activiteiten van iedere bedienaar van de Kerk, van de Paus tot de laatste priester, is niets meer of minder dan een uitdrukking van de liefde voor Christus. Hou je van me? Hoed dan! Liefde voor Jezus maakt het verschil tussen de priestermanager en de priesterdienstknecht van Christus en beheerder van de mysteries van God.

Dom Chautard’s boek had even goed ‘De ziel van het priesterschap’ kunnen heten, want men spreekt van hem in de praktijk, in al het werk, als middelaar en verantwoordelijke voor het front van het pastorale werk van de Kerk. In die tijd was het gevaar waartegen gereageerd moest worden het zogenoemde ‘Amerikanisme.’De abt refereert vaak aan de brief van Leo XIII, “Testem benevolentiae” waarin zulke ‘ketterij’ werd veroordeeld.

Tegenwoordig is deze ketterij, voor zover men daar nog van kan spreken, niet langer ‘Amerikaans,’ maar een dreiging die, mede vanwege het afnemende aantal priesters, de clerus van de hele Kerk betreft: het word ‘driftig activisme’ genoemd. (Vele voorbeelden die in die tijd van de Christenen van de Verenigde Staten kwam – en dan vooral van de beweging die door Dienaar van God Isaac Hecker, stichter van de Paulisten, gebrandmerkt werd met de term ‘Amerikanisme,’ zoals gewetensvrijheid en de noodzaak van een dialoog met de moderne wereld – , waren geen ketterijen, maar profetische gevallen die gedeeltelijk door het Tweede Vaticaans Concilie, de Kerk eigen werden gemaakt!)

De eerste stap, Jezus de ziel laten zijn van het priesterschap, is bewegen van het personage van Jezus naar de persoon Jezus. Een personage is iemand waarover we kunnen spreken zo vaak we willen, maar waartegen of waarmee niemand ooit zal praten. Men kan praten over Alexander de Grote, Julius Caesar, Napoleon zoveel men wil, maar als iemand zou zeggen dat hij met één van hen had gesproken zouden we hem meteen doorverwijzen naar een psychiater. De persoon is iemand waarmee en waartegen men kan praten. Zolang Jezus een verzameling meningen, dogma’s en ketterijen blijft, iemand die automatisch in het verleden wordt geplaatst, een herinneren en geen aanwezigheid, dan is Hij een personage. Het is noodzakelijk onszelf er van te overtuigen dat Hij leeft en aanwezig is, en nog belangrijker dan over Hem praten is met Hem praten.

Eén van de mooiste kenmerken van Dom Camillo van Guareschi, uiteraard in de context van het aangenomen literaire genre, is zijn gewoonte om luidkeels met de Gekruisigde te spreken over alles wat er in de parochie gebeurt. Als wij daar een gewoonte van zouden maken, wat zou dat ons leven als priesters veranderen! We zouden ons realiseren dat we nooit tegen een leegte spreken, maar tegen iemand die aanwezig is, die luistert en reageert, misschien niet altijd luidkeels zoals tegen Don Camillo.

 

  1. Hoe ‘de grote stenen’ veilig te maken

 

Net zoals in God het hele uitwendige werk van de schepping voortkomt uit Zijn innerlijk leven, “vanuit de eeuwige stroom van Zijn liefde,” en zoals al het handelen van Christus voortkomt uit Zijn ononderbroken dialoog met de Vader, zo moet al het werk van de priester de voortzetting zijn van zijn eenheid met Christus. “Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie” betekent ook: “Ik ben in de wereld gekomen zonder mijzelf te scheiden van de Vader, jullie gaan de wereld in zonder van mij te scheiden.”

As dit contact word onderbroken is het alsof de stroom in een huis wordt afgesneden en alles stopt en duister is of, als het om het water gaat, de kraan niet langer water geeft. Soms horen we zeggen: hoe kun je rustig zijn en bidden als er zoveel noden zijn die je aandacht nodig hebben? Hoe kun je niet rennen als het huis in brand staat? Dat is waar, maar stel je voor wat er zou gebeuren met een eskader brandweerlieden die, als de sirene luidt, naar een brandend huis rennen om te blussen en dan, bij aankomst, ontdekken dat ze geen druppel water in de tanks hebben. Zo zijn wij, als we ons haasten om te preken of een andere dienst te verlenen zonder gebed en Heilige Geest.

Ik heb eens ergens een verhaal gelezen dat zeer goed toe te passen is op priesters. Op een dag werd een oude professor als expert gevraagd om te spreken over een meer efficiënte tijdsindeling voor de hoge bazen van een paar grote Noord-Amerikaanse bedrijven.

Hij besloot een experiment te proberen. Hij stond en haalde van onder de tafel een groot leeg glas tevoorschijn. Hij nam tegelijk ook een dozijn stenen zo groot als tennisballen en legde die één voor één voorzichtig in het glas totdat dat vol was. Toen er geen stenen meer bij konden vroeg hij, “denken jullie dat dit glas vol is?” En iedereen antwoordde “Ja!”

Hij haalde van onder de tafel een doos vol steengruis tevoorschijn en goot dat over de grote stenen, het glas bewegend zodat het gruis tussen de stenen door kon glijden tot op de bodem. “Is het glas nu wel vol?” vroeg hij.  Nu iets voorzichtiger antwoorden de leerlingen, “Misschien nog niet.” De oude professor haalde weer iets tevoorschijn, een klein zakje zand dit keer en ook dat goot hij in het glas. Het zand vulde de openingen tussen de stenen en het gruis. Toen vroeg hij, “Is het glas nu vol?” En zonder twijfel antwoordde iedereen, “Nee!” Toen nam de oude man de schenkkan die op de tafel stond en goot het water in het glas, tot aan de rand.

Toen vroeg hij, “Weke grote waarheid leert dit experiment ons?” De stoutmoedigsten antwoordden: “Dit leert ons dat, zelfs als onze agenda helemaal vol is, we er nog altijd wel iets aan kunnen toevoegen.” “Nee,” antwoordde de professor. “Wat dit experiment laat zien is dat als je niet eerst de grote stenen in het glas doet, je er nooit is zult slagen ze er later in te krijgen.” “Wat zijn de grote stenen, de prioriteiten, in ons leven? Het belangrijkste is om deze grote stenen als eerste in onze agenda te zetten.”

Sint Petrus leerde ons, voor eens en altijd, wat de grote stenen zijn, de absolute prioriteiten, van de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen en priesters: Wij zullen “ons blijven toeleggen op het gebed en de bediening van het woord’” (Hand. 6:4).

Wij priesters zijn, meer dan wie ook, blootgesteld aan het gevaar om dat wat belangrijk is op te offeren aan dat wat snel moet gebeuren. Gebed, de voorbereiding van de homilie of de Mis, studie en vorming, dat zijn allemaal belangrijke dingen, maar niet dringend; als ze worden uitgesteld stort de wereld blijkbaar niet in elkaar, terwijl er zoveel kleine dingetjes zijn – een vergadering, een telefoongesprek – die wel dringend zijn. Dus stelt men systematisch de belangrijke dingen uit tot een ‘later’ dat nooit komt.

Voor een priester betekent het plaatsen van de grote stenen als eerste in het glad concreet dat men de dag begint met tijd voor gebed en dialoog met God, zodat de activiteiten en andere verplichtingen niet alle ruimte gaan innemen.

Ik sluit af met een gebed van Abt Chautard: “O God, geef de Kerk zoveel apostelen, maar wek in hun hart een dorst naar een intieme band met U en tegelijkertijd een verlangen om te werken voor de naaste. Geef alleen een contemplatieve activiteit en een actieve contemplatie.” Dat het zo moge zijn!

----------- ------------ ---------

[1] H. Dodd, "L'interpretazione del Quarto Vangelo" ["De Interpretatie van het Vierde Evangelie"], Paideia, Brescia, 1974, p. 227

[2] Gregory of Nissa, "Sul Cantico" ["Over het loflied"], XI, 5, 2, (PG 44, 1001) (aisthesis parousias).