Tweede adventspreek, door P. Raniero Cantalamessa ofm cap

 

Bedienaren van het Nieuwe Verbond van de Geest

 

1. De Dienst van de Geest

 

De vorige keer hebben we gesproken over de definitie die Paulus geeft aan priesters als “helpers van Christus.” In de Tweede Brief aan de Korinthiërs vinden een schijnbaar andere beschrijving: hij schrijft, “Heel onze bekwaamheid komt van God. Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter maar van de Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Welnu, als de dienst van de dood, met letters op stenen gegrift, al met zo’n heerlijkheid gepaard ging dat de Israëlieten niet konden opzien naar het gelaat van Mozes wegens de luister die ervan uitstraalde – overigens zou die weldra weer verdwijnen – hoeveel te heerlijker moet dan de dienst van de Geest zijn!” (2 Kor 3:5-8)

Paulus omschrijft zichzelf en zijn medewerkers als ‘dienaren van een nieuw verbond’ en de apostolische dienst als ‘dienst (diakonia) van de Geest.’ De vergelijking met Mozes en de verering van het oude verbond laat geen twijfel dat hij in deze passage, zoals in veel andere in dezelfde brief, feitelijk spreekt over de rol van de leiders van de Christelijke gemeenschap, namelijk de apostelen en hun medewerkers.

Wie de relatie kent die voor Paulus bestaat tussen Christus en de Geest weet dat er geen tegenspraak is, maar een perfecte continuïteit tussen het dienstknecht zijn van Christus en dienstknecht zijn van de Geest. De Geest waar hier over wordt gesproken is feitelijk de Geest van Christus. Jezus legt zelf de rol van de Helper uit in relatie tot hem als hij tot de apostelen zegt: Hij zal het van mij nemen en het aan u verkondigen, hij zal u in herinnering brengen wat ik u verteld heb, hij zal van mij getuigen.

De complete definitie van de apostolische en priesterlijke dienst is: dienstknechten van Christus in de Heilige Geest. De Geest geeft de aard van onze dienst aan, een spirituele dienst in de sterkst mogelijke betekenis: niet alleen dat het de menselijke geest en zijn ziel als doel heeft, maar ook dat het als doel en belangrijkste ‘tussenpersoon’ de Heilige Geest heeft. Sint Irenaeus zegt dat de Heilige Geest "onze eigen communie met Christus” is. [1]

Vlak daarboven, in dezelfde Tweede Brief aan de Korinthiërs, geeft de apostel het handelen van de Heilige Geest in de dienaren van het Nieuwe Verbond weer met het symbool van de zalving: “En God zelf heeft ons samen met u in Christus bevestigd en ons gezalfd. Hij heeft op ons zijn zegel gedrukt en ons de Geest als onderpand gegeven.”

Sint Athanasius voegt daar dit aan toe: “De Geest is roeping en zalving en zegel. […] De zalving is de adem van de Zoon, zodat hij die de Geest heeft kan zeggen, “wij zijn het reukwater van Christus.” Het zegel vertegenwoordigd Christus, zodat hij die het zegel draagt kan zeggen dat hij de weergave van Christus is.” [2] Net als de zalving geeft de Geest het reukwater van Christus aan ons door; als zegel, zijn weergave of beeld. Daarom is er geen tegenspraak tussen de dienst aan Christus en de dienst aan de Geest, maar eerder een diepgaande eenheid.

Alle Christenen zijn ‘gezalfd’; hun benaming betekent niets anders dan dit: ‘gezalfden,’ naar het beeld van Christus, die de perfecte Gezalfde is (1 Joh. 2:20-27). Maar Paulus spreekt hier over het werk van hem en Timotheus (‘wij’) in tegenstelling tot de gemeenschap (‘u’); het is daarom duidelijk dat hij specifiek doelt op de zalving en zegel van de Geest, ontvangen op het moment van de wijding, in het geval van Timotheus door de handen van de apostel (2 Tim. 1:6).

We moeten zeker het belang van de zalving van de Geest herontdekken omdat daarin, daar ben ik van overtuigd, het geheim van de voortvarendheid van de bisschoppelijke en priesterlijke dienst ligt besloten. Priesters zijn in essentie de gewijden, dat wil zeggen de gezalfden. “De Heer Jezus,”- zo lezen we in Presbyterorum ordinis – ““die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd” (Joh. 10, 36), doet heel zijn mystiek Lichaam delen in de geesteszalving, waarmee Hijzelf gezalfd is.” Datzelfde conciliare decreet haast zich echter ook om de specifieke aard van de zalving door het wijdingssacrament in dit licht te plaatsen. Daarom staat er ook “dat aan de priesters krachtens de zalving van de Heilige Geest een bijzonder merkteken [is geschonken dat] hen zo gelijkvormig maakt aan Christus-Priester, zodat zij kunnen handelen in naam van Christus, die het Hoofd is.” [3]

 

2. Zalving: voorafspiegeling, gebeurtenis en sacrament

 

De zalving is, net als de Eucharistie en Pasen, één van die werkelijkheden die in alle drie de fasen van de heilsgeschiedenis aanwezig zijn. Het is aanwezig in het Oud Testament als voorafspiegeling, in het Nieuwe Testament als gebeurtenis en in de tijd van Kerk als sacrament. In ons geval is de voorafspiegeling aanwezig in de verschillende zalvingen in het Oude Testament; de gebeurtenis is de zalving van Christus, de Messias, de Gezalfde, die de vervulling is van alle voorafspiegelingen; het sacrament is vertegenwoordigd door de sacramentele tekens, waaronder de zalving als eerste en aanvullende ritus.

Het Oude Testament spreekt van drie soorten van zalving: koninklijke, priesterlijke en profetische zalving, dat wil zeggen, de zalving van koningen, van priesters en van profeten, ook al is er in het geval van de profeten over het algemeen sprake van een spirituele en metaforische zalving, namelijk zonder fysieke olie. Bij elk van deze drie zalving wordt er een messianische eindbestemming aangegeven, namelijk de verwachting van een koning, een priester en profeet die de uiteindelijke Gezalfde zal zijn, de Messias.

Samen met de officiële en juridische bevestiging in het ambt, waardoor de koning de Gezalfde van de Heer wordt, geeft de zalving volgens de Bijbel ook een werkelijke innerlijke macht, een transformatie die van God en deze macht komt. Deze werkelijkheid wordt steeds meer geïdentificeerd met de Heilige Geest. Bij de zalving van Saul tot koning, zegt Samuel; “U heeft de Heer gezalfd tot vorst over zijn eigen volk […] Dan zal de geest* van de Heer u aangrijpen: ook u zult in vervoering raken en een ander mens worden” (1 Sam. 10:1-6).  De verbinding tussen de zalving en de Geest wordt bovenal weergegeven in de bekende tekst van Jesaja: “De geest van de Heer God rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd” (Jes. 61:1).

Het Nieuwe Testament aarzelt niet om Jezus te presenteren als de Gezalfde van God, in wie alle oude zalvingen vervuld worden.. De titel van Messias, of Christus, die in feite Gezalfde betekent, is het duidelijkste bewijs daarvan.

Het historische moment van deze vervulling is de doop van Jezus in de Jordaan. Het resultaat van deze zalving is de Heilige Geest: “dat God Jezus uit Nazaret zalfde met heilige Geest en kracht” (Hand. 10:38); Jezus verklaarde zelf, vlak na zijn doop, in de synagoge van Nazareth: “De Geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft Hij mij gezalfd” (Lucas 4:18). Jezus was zeker vervuld van de Heilige Geest vanaf het moment van de menswording, maar dat was een persoonlijke genade verbonden met de Drieëne eenheid en daarom niet overdraagbaar. Nu, in de zalving, ontving Hij de volheid van de Heilige Geest die Hij, als hoofd, door kan geven aan het lichaam. De Kerk leeft door deze opperste genade (gratia capitis).

De resultaten van deze drievoudige zalving – koninklijk, profetisch en priesterlijk – zijn groots en hebben direct effect in het dienstwerk van Christus. Door de kracht van de koninklijke zalving richt Hij het rijk van Satan te gronde en vestigt Hij het koninkrijk van God. “Maar als Ik met de hulp van de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is kennelijk het koninkrijk van God onder u gekomen” (Matt. 12:28); met de kracht van de profetische zalving “verkondigd Hij het goede nieuws aan de armen”; met de kracht van de priesterlijke zalving offert Hij gebeden en tranen tijdens Zijn aardse leven, en aan het einde offert Hij zichzelf aan het Kruis.

Na de voorafspiegeling in het Oude Testament en de gebeurtenis in het Nieuwe Testament, is de zalving nu aanwezig in de Kerk als sacrament. Van de voorafspiegeling neemt het sacrament het teken en van de gebeurtenis de betekenis: van de zalvingen in het Oude Testament het element – de olie, de chrisma of de geurige balsem – and van Christus de reddende werkzaamheid. Christus is nooit met fysieke olie gezalfd (met uitzondering van de zalving in Bethanië), en hij heeft nooit iemand met fysieke olie gezalfd. In Hem werd het symbool vervangen door de werkelijkheid, door de ‘vreugdeolie’ dat de Heilige Geest is.

Meer dan een uniek sacrament is de zalving aanwezig in de Kerk als een verzameling sacramentele riten. Als losstaande sacramenten hebben we het vormsel of de chrismata (die nog steeds, zoals uit de naam blijkt, verwijst naar de oude rite van het zalven met chrisma) en de ziekenzalving; als onderdeel van andere sacramenten zijn er de zalving bij het doopsel en de zalving tijdens de wijding. In de chrismazalving die volgt op de doop wordt duidelijk verwezen naar de drievoudige zalving van Christus: “Hijzelf zalft u met het chrisma van de verlossing, samen met Christus priester, koning en profeet, weest altijd leden van dit lichaam voor het eeuwig leven.”

Van al deze zalvingen is de zalving bij het wijdingssacrament voor ons nu van belang. Op het moment dat de bisschop de handpalmen van de wijdeling voor hem zalft spreekt hij de volgende woorden: “Moge de Heer Jezus Christus, die de Vader heeft gewijd in de Heilige Geest en kracht, U beschermen voor de heiliging van zijn volk en voor het opdragen van het offer.”

Maar nog duidelijker is de verwijzing naar de zalving in Christus in de bisschopsconsecratie. Het hoofd van de nieuwe bisschop zalvend met geurige olie zegt de wijdende bisschop: “Moge God, die u heeft doen delen in het hogepriesterschap van Christus, u zijn mystieke wijding geven en de veelheid van zijn gaven geve u vruchtbaarheid in uw dienstwerk.”

 

3. Geestelijke Zalving

 

Er is echter een risico, eigen aan alle sacramenten: de nadruk op het rituele of canonieke aspect van de wijding, de geldigheid en rechtmatigheid daarvan, ten koste van het belang van de ‘res sacramenti,’ het spirituele resultaat, de genade van het sacrament zelf, in dit geval de vrucht van de zalving in het leven van de priester. De sacramentele zalving maakt het ons mogelijk om bepaalde heilige handelingen uit te voeren, zoals besturen, preken en onderwijzen. De autoriteit is ons zogezegd gegeven om bepaalde dingen te doen; niet zozeer de autoriteit en werkelijke macht die in het doen van die dingen besloten ligt; het verzekerd de apostolische successie en niet noodzakelijk het apostolisch succes!

De sacramentele zalving en het onuitwisbare karakter (het ‘zegel’!) die het de priester geeft zijn een bron waaruit we steeds wanneer we dat nodig hebben kunnen putten, die we zogezegd in kunnen schakelen op ieder moment van ons dienstwerk. Uit onze theologie kennen we het idee van het ‘herleven’ van een sacrament. Een sacrament dat in het verleden is ontvangen  komt opnieuw tot leven (reviviscit) en brengt de genade over, soms omdat het obstakel (de obex) van de zonde is verdwenen, en soms omdat de lijm van de gewoonte is weggenomen en het gelooft is geïntensiveerd. Het is als met een fles parfum. We kunnen deze in onze jaszak bewaren of zolang we willen vasthouden in onze hand, maar als we de fles niet openen kan de parfum zich niet verspreiden, en is het alsof ze niet bestaat.

Wanneer en hoe ontstond het idee van een werkelijke zalving? Een belangrijke stap werd, zoals vaker, door Augustinus gezet. Het interpreteert de tekst uit de Eerste Brief van Johannes, “Wat uzelf aangaat, de zalving die u van Hem ontvangen hebt blijft u bij, u hebt geen andere leraar nodig” (1 Joh. 2:27), als een voortdurende zalving, waardoor de Heilige Geest, als een innerlijke leraar, het ons mogelijk kan maken van binnen te begrijpen wat we van buitenaf horen. Van Augustinus komt de uitdrukking ‘geestelijke zalving,’ spiritalis unctio, vervat in de hymne Veni creator. [4] Zoals vaker was het Sint Gregorius de Grote die deze Augustijnse instelling populariseerde  gedurende de gehele Middeleeuwen. [5]

Een nieuwe stap in de ontwikkeling van de zalving kwam met de Heiligen Bernardus and Bonaventura. Met hen werd de nieuwe spirituele en moderne betekenis van de zalving bevestigd, niet zozeer verbonden met de kennis van de waarheid, maar met de ervaring van de Goddelijke werkelijkheid. Aan het begin van zijn commentaar op het Hooglied schrijft Sint Bernardus: “Alleen zalving leert ons zo’n lied, alleen de ervaring maakt dat we het begrijpen.” [6] Sint Bonaventura verbindt zalving met devotie, door hem beschreven als “een teder gevoel van liefde voor God, opgewekt door de herinnering aan de goedheid van Christus.” [7] Het is niet afhankelijk van de natuur of de wetenschap, of woorden of boeken, maar “van de gave van God die de Heilige Geest is.”[8]

De woorden ‘gezalfd’ en ‘zalving’ worden tegenwoordig steeds vaker gebruikt om het gedrag van een persoon, de kwaliteiten van een toespraak of een homilie te omschrijven, maar wel me teen andere nadruk. Zoals we gezien hebben geeft, in de taal van de traditie , ‘zalving’ vooral het idee van zachtaardigheid en liefde aan, in zoverre dat het in het toenmalige dagelijks taalgebruik negatief werd, of een zoete of kruiperige, en vaak hypocriete, houding aangaf. Ook gaf het ruimte aan de toevoeging ‘zalvend’, in de betekenis van een ‘onplezierig ceremoniële en gedienstige persoon of houding.’

De moderne betekenis staat dichter bij de Bijbelse en geeft het idee van kracht en overredingskracht weer. Een vurige toespraak ziet men het leven van de Geest; een verkondiging die de harten van mensen raakt en hen overtuigd van hun zonde. Het is een Bijbelse betekenis bij uitstek, die we bijvoorbeeld lezen in de tekst uit Handelingen waarin wordt gezegd dat Jezus was gezalfd “met heilige Geest en kracht”(hand. 10:38).

In deze betekenis is de zalving meer een handeling dan een toestand. Het is iets dat de persoon niet eeuwig in bezit heeft maar dat de persoon overkomt, in hem ‘investeert’, in het uitoefenen van een bepaald dienstwerk of in gebed.

Als de zalving gegeven wordt door de Geest, als een gave, wat kunnen wij dan doen om het te verkrijgen? Bovenal via gebed. Dat is de expliciete belofte van Jezus: “de hemelse Vader [zal] de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.” (Luc. 11:13). Dan moeten, we net als de zondige vrouw in het huis van Simon, de albasten fles breken. De fles is ons ik, en soms ons droge intellect. Het breken daarvan betekent het zelf ontkennen, de teugels van je leven overgeven aan God door een bewuste handeling. God kan Zijn Geest niet geven aan mensen die zichzelf niet helemaal aan Hem wil geven.

 

4. Hoe doe zalving van de Geest te verkrijgen

 

Laten we de ontzettend rijke Bijbelse en theologische inhoud van de zalving toepassen op het leven van de priester. Sint Basilius zegt dat de Heilige Geest “altijd aanwezig is geweest in het leven van de Heer als Zijn zalvende en onafscheidelijke metgezel,” zozeer dat “al het werk van Christus zich ontvouwde in de Geest.” [9] De zalving betekent dat men de Heilige Geest als ‘onafscheidelijke metgezel” in het leven heeft, om alles ‘in de Geest’, in zijn aanwezigheid en met zijn leiding, te doen. Dit houd teen zekere passiviteit in, een geactiveerd of bewogen worden, of zoals Paulus zegt, “zichzelf door de Geest laat leiden” (Gal. 5:18).

Dit alles wordt tegenwoordig naar buiten vertaald in zachtheid, kalmte, vrede, liefde, devotie, emotie, of in autoriteit, kracht en macht,  al naar gelang de omstandigheden, de persoon en de functie van die persoon. Het levende voorbeeld is Jezus die, bewogen door de Geest, zichzelf presenteert als teder en nederigheid van hart maar ook, al naar gelang het moment, vol van goddelijke autoriteit. Dit is een toestand die gekenmerkt wordt door een zeker innerlijk licht die de mogelijkheid en de kunde geeft om bepaalde dingen te doen. Ongeveer zoals conditie voor de atleet en inspiratie voor dichter: een toestand waarin men het allerbeste van zichzelf kan geven.

Wij priesters zouden de gewoonte moeten aannemen om te vragen om de zalving van de Geest voorat we iets belangrijks verrichten ten dienste van het rijk Gods: een beslissing om te nemen, een afspraak om te maken, een tekst om te schrijven, een vergadering om voor te zitten, een homilie om voor te bereiden. Ik ontdekte dat tot mijn eigen schade. Soms moest ik spreken voor een grote zaal, in een vreemde taal, vaak meteen nadat ik een lange reis had gemaakt. Totale duisternis. Het leek alsof ik de taal die ik moest spreken nog nooit had gehoord, ik kon me niet concentreren op een onderwerp. En de inleidende hymne was bijna voorbij… Toen herinnerde ik me de zalving en snel zei ik een kort gebed: “Vader, in de naam van Christus vraag ik u om de zalving van de Geest!”

Soms is het effect meteen merkbaar; je voelt de zalving bijna fysiek. Er gaat een bepaalde emotie door je lichaam, een verheldering van de geest, innerlijke rus, vermoeidheid en nervositeit verdwijnen, evenals iedere angst en schroom. Je ervaart iets van de rust en de autoriteit van God zelf.

Ik denk dat veel van mijn gebeden, evenals die van iedere Christen, ongehoord blijven, behalve deze over de zalving. Het lijkt erop dat we voor God een bepaald recht hebben om hierom te vragen. Soms maak ik zelfs gebruik van deze mogelijkheid. Als ik bijvoorbeeld moet spreken over Jezus Christus, maak ik een geheime afspraak met God de Vader, zonder het aan Jezus te laten weten, en zeg ik: “Vader, ik moet spreken over Uw Zoon Jezus die U zo liefheeft: geef me de zalving van Uw Geest om de harten van de mensen te bereiken.” Als ik over God de Vader moet spreken doe ik het tegenovergestelde: ik maak een geheime afspraak met Jezus… De leerstelling van de Driëenheid is ook hier heel bijzonder voor.

 

5. Gezalfd om de goede geur van Christus in de wereld te verspreiden

 

In 2 Korinthiërs vergelijkt de apostel, zoals altijd verwijzend naar het apostolisch dienstwerk, de metafoor van de zalving met dat van het parfum die het resultaat daarvan is: “Dank zij God, die ons te allen tijde in Christus’ triomftocht meevoert en door ons de geur van de kennis omtrent Hem overal verspreidt! Ja, voor God zijn wij een reukoffer van Christus” (2 Kor 2:15).

Dit is wat de priester zou moeten zijn: het goede reukoffer van Christus in de wereld! Maar de apostel waarschuwt ons en voegt meteen toe: “Maar wij dragen deze schat in aarden potten” (2 Kor 4:7). Uiteindelijk weten we maar al te goed, vanuit recente pijnlijke en vernederende ervaring, wat dit alles betekent. Jezus zei tot de apostelen: “Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout krachteloos wordt, waar moet je het dan mee zouten? Het deugt alleen nog maar om weggegooid en door de mensen vertrapt te worden” (Matt. 5:13). De waarheid in deze woorden van Christus is pijnlijk duidelijk. Ook de zalving, als het zijn geur verliest en bederft, verandert in zijn tegendeel, in stank en, in plaats van aantrekken, vervreemdt het ons van Hem.

Mede in antwoord op deze situatie heeft de Heilige Vader het huidige Jaar van de Priester afgekondigd. Hij geeft dat duidelijk aan in de brief geschreven voor deze gelegenheid: “Helaas zijn er ook situaties, die nooit genoeg betreurd kunnen worden, waarin de Kerk zelf lijdt, en wel vanwege de ontrouw van sommige van haar bedienaren. De wereld ziet daarin dan aanleiding tot ergernis en afwijzing.” De pauselijk brief beperkt zich niet tot deze opmerking, maar gaat verder: “Wat in zulke gevallen het meest behulpzaam is voor de Kerk is niet zo zeer het steeds maar benadrukken van de zwakheden van haar bedienaren, als wel veel meer het hernieuwde en vreugdevolle bewustzijn van de grootheid van Gods gave, die op stralende wijze gestalte krijgt in edelmoedige herders, in van brandende liefde tot God en de mensen vervulde religieuzen, in verlichte en geduldige geestelijke leiders.”

Het onthullen van deze zwakheden is ook noodzakelijk, om recht te doen aan de slachtoffers en de Kerk erkent dat nu en handelt zo goed als ze kan, maar dat moet op andere momenten gebeuren: in ieder geval komt de impuls voor een vernieuwing van de priesterlijke dienst niet hieruit. Ik heb deze serie overwegingen over het priesterschap gedacht als een kleine bijdrage op de manier zoals de Heilige Vader die verlangt. Ik zou graag mijn engelachtige Vader Sint Franciscus voor mij later spreken. In een tijd waarin de morele situatie van de clerus zonder twijfel triester was dan nu, schreef hij in zijn Testament:

“De Heer heeft me zoveel geloof gegeven, en blijft dat geven, in priesters die volgens de weg van de Heilige Roomse Kerk leven vanwege hun wijding, dat als zij mij zouden vervolgen ik me tot hen voor hulp zou wenden. En als ik zoveel wijsheid als Salomon had, en ik een arme priester in deze wereld was, in de parochies waar wij wonen, zou ik niet tegen hun wil in willen preken. En deze, en alle anderen, wil ik vrezen, liefhebben en eren als mijn heren. En dit doe ik omdat ik van de Allerhoogste Zoon van God niets anders fysiek in deze wereld zie behalve zijn allerheiligste Lichaam en Bloed die alleen zij kunnen consecreren en alleen zij aan anderen kunnen toedienen.”

In de tekst die ik in het begin citeerde spreek Paulus over de ‘heerlijkheid’ van de dienstknechten van het Nieuwe Verbond van de Geest, veel grootser dan het oude. Deze heerlijkheid komt niet van mensen en kan niet door hen teniet worden gedaan. St. Johannes Maria Vianney verspreidde zeker de goede geur van Christus om zich heem en hierom kwamen de massa’s naar Ars: dichterbij verspreidde Padre Pio van Pietrelcina het parfum van Christus, soms zelfs als fysiek parfum, zoals zoveel eerzame gelovigen getuigden. Zoveel priesters, onbekend voor de wereld, zijn in hun eigen omgeving de goede geur van Christus en het Evangelie. De ‘Plattelandspriester’ van Bernanos heeft ontelbare metgezellen over de hele wereld, evenzeer in de stad als op het platteland.

Pater Lacordaire schetste een profiel van de katholieke priester, dat vandaag de dag misschien een te optimistische en geïdealiseerd lijkt, maar het herontdekken van de idealen en het enthousiasme voor het priesterlijke dienstwerk is precies wat er tegenwoordig nodig is. Laten we daarom aan het einde van deze overweging naar hem luisteren:

“Te leven temidden van de wereld zonder enig verlangen naar de geneugten ervan; lid zijn van iedere familie, zonder tot enige familie te behoren; elk leed te delen, deelgenoot te zijn van ieder geheim, elke wond te helen; iedere dag van mensen naar God te gaan om Hem hun toewijding en gebeden aan te bieden, en van God naar de mensen te keren om hen zijn vergiffenis en hoop te brengen; een hart van staal te hebben voor de maagdelijkheid en een hart van vlees voor de vrijgevigheid; te onderwijzen en te vergeven, troosten en zegenen en eeuwig gezegend te zijn. Oh God, wat voor leven is dit? Het is uw leven, oh priester van Jezus Christus!” [10]

--- --- ---

Voetnoten

[1] Sint Irenaeus, Adv. Haer. III, 24, 1.
[2] Sint Athanasius, Brief aan Serapion, III, 3 )PG 26, 628 f.).
[3] PO, 1, 2.
[4] Sint Augustinus, Over de Eerste Brief van Johannes, 3, 5 (PL 35, 2000); cf. 3, 12 (PL 35, 2004).
[5] Cf. Sint Augustinus, Over de Eerste Brief van Johannes, 3, 13 (PL 35, 2004 f.); cf. Sint Gregorius de Grote, Homilieën over het Evangelie, 30, 3 (PL 76, 1222).
[6] Sint Bernardus, Over het Hooglied, I, 6, 11 (Cistercian publications, I, Rome, 1957, p. 7).
[7] Sint Bonaventura, IV, d. 23, a. 1, q. 1 (ed. Quaracchi, IV, p. 589); Preek III over Sint Maria Magdalena (ed. Quaracchi, IX, p. 561).
[8] Ibidem, VII, 5.
[9] Sint Basilius, Over de Heilige Geest, XVI, 39 (PG 32, 140C).
[10] H. Lacordaire, geciteerd door D. Rice, Shattered Vows, The Blackstaff Press, Belfast, 1990, p. 137.