derde adventspreek, door P. Raniero Cantalamessa ofm cap

 

Maria, moeder en voorbeeld van de priester


18-12-2009 Adventshomilie gegeven in aanwezigheid van Benedictus XVI

In zijn brief aan de priesters ter gelegenheid van Witte Donderdag in 1979, de eerste in een reeks tijdens zijn pausschap, schreef Paus Johannes Paulus II: “In ons dienbare priesterschap bestaat de wonderlijke en diepgaande dimensie van nabijheid tot de Moeder van Christus.” In deze laatste Adventsbezinning wil ik de nabijheid van Maria en de priester overwegen.

Er wordt niet veel gesproken over Maria in het Nieuwe Testament. Maar toch, als we opletten zien we dat zij niet afwezig is bij de drie centrale gebeurtenissen van het Christelijk mysterie: de Menswording, het Paasmysterie en Pinksteren. Maria was aanwezig bij de Menswording omdat het in haar schoot gebeurde; ze was aanwezig bij het Paasmysterie omdat er geschreven staat “Intussen stond[…] bij het kruis van Jezus zijn moeder” (Joh. 19:25); ze was aanwezig tijdens Pinksterfeest omdat er geschreven staat dat de apostelen “allen trouw en eensgezind in gebed [bleven], samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus” (Hand. 1:14). Elk van deze drie momenten laat ons iets zien van de geheimvolle nabijheid tussen Maria en de priester. Omdat we nu steeds dichter bij Kerstmis komen, wil ik mezelf beperken tot de eerste van deze, en bekijken wat Maria over en tot de priester zegt in het mysterie van de Menswording.

 

  1. 1. Wat is de Relatie tussen Maria en de Priester?


Ten eerste wil ik de kwestie van de naam ‘priester’ behandelen, die aan de Maagd Maria traditioneel werd toegekend. Een schrijver aan het einde van de vijfde eeuw noemt Maria “Maagd, en tegelijkertijd priester en altaar die ons Christus heeft gegeven – brood uit de Hemel voor de vergeving van zonden.” Daarna werd er vaak verwezen naar Maria als priester, en dat werd vervolgens onderwerp van een theologische ontwikkeling in de zeventiende eeuw, in de Franse school van Saint-Sulpice. In die theologie werd Maria’s priesterschap niet zozeer in verband gebracht met het priesterlijk ambt als met het priesterschap van Christus.
Op  het einde van de negentiende eeuw verspreidde zich een echte devotie tot de Maagd Maria Priester en de H. Pius X verleende zelfs een aflaat aan die devotie.
Maar toen het gevaar dreigde dat men het priesterschap van Maria zou gaan verwarren met het ministeriële  priesterschap werd het leergezag van de Kerk terughoudend en twee tussenkomsten van het Heilige Officie maakten praktisch een einde aan deze devotie.

Na het concilie word er nog steeds gesproken over het priesterschap van Maria, maar het is niet langer verbonden met het ambtelijk priesterschap noch zelfs met het hogepriesterschap van Christus, maar meer met het algemeen priesterschap van de gelovigen. Als beeld en eersteling van de Kerk bezat zij ten persoonlijke titel het “koninklijk priesterschap” (1 Pet. 2:9) dat alle gedoopten gezamenlijk bezitten.

Wat kunnen we van deze lange traditie, die Maria met de priester verbindt, behouden en welke betekenis kunnen we geven aan de “nabijheid” tussen Maria en de priester waarover  Johannes Paulus II sprak ? Wat er overblijft, dunkt mij, is de analogie of de overeenkomst tussen de verschillende dimensies van het verlossingsmysterie. Wat Maria eens en voor altijd was op het vlak van de historische werkelijkheid, dat is de priester steeds opnieuw op het vlak van de sacramentele werkelijkheid.

In die zin kunnen we de woorden van Paulus VI begrijpen: “Welk verband en welk onderscheid is er tussen het moederschap van Maria, universeel geworden door de waardigheid en liefdadigheid van die rol die God haar heeft gegeven op het vlak van de verlossing, en het apostolisch priesterschap, ingesteld door de Heer om een instrument van de verlossende communicatie tussen God en mensen te zijn? Maria geeft Christus aan de mensheid; en de priesters geven ook Christus aan de mensheid, maar op een andere wijze, zo moge duidelijk zijn; Maria door de Menswording en door de uitstorting van de genade waarmee God haar vulde; de priesters door de macht van de wijding.”

De analogie tussen Maria en de priester kan als volgt worden uitgedrukt: Maria ontving Christus door de kracht van de Heilige Geest en, na hem te hebben gevoed en in haar schoot te hebben gedragen, bracht ze Hem te Bethlehem ter wereld; de priester, gezalfd en gewijd in de Heilige Geest, wordt ook geroepen om door Christus gevuld te worden om Hem zo in de zielen van de gelovigen door de  verkondiging van het woord en het toedienen van de sacramenten ter wereld te brengen.

In deze zin heeft de verhouding tussen Maria en de priester een lange traditie achter zich, met meer autoriteit dan het idee van Maria-Priester. Een gedachte van Sint Augustinus overnemend schreef het Tweede Vaticaans Concilie: “[De Kerk is] eveneens moeder, want door de prediking en het doopsel brengt zij de kinderen, die van de Heilige Geest zijn ontvangen en uit God zijn geboren, voort tot een nieuw en onsterfelijk leven.”

De doopvont, zo zeiden de Kerkvaders, is de schoot van waaruit de Kerk haar kinderen ter wereld brengt, en het woord van God is de pure melk waarmee ze hen voedt. “O mystiek wonder! De universele Vader is één, en het universele Woord is één; en de Heilige Geest is één en overal dezelfde, en de ene maagdelijke moeder is één. Ik hou ervan haar de Kerk te noemen. […] Ze is tegelijk maagd en moeder – puur als een maagd, liefdevol als een moeder. En haar kinderen tot zich roepend, voedt zij hen met de melk van heiligheid,  het Woord (de Logos ) bestemd voor de pasgeborenen.” ( 1 Pet. 2:2).
De zalige Isaac van Stella maakt in een passage die we lazen tijdens de lezingendienst van afgelopen zaterdag een synthese van deze traditie. “Maria en de Kerk zijn één moeder, en meer dan één moeder; één maagd, en meer dan één maagd. Beiden zijn moeder, beiden zijn maagd. Elk verwekt door dezelfde Geest, zonder begeerte. Elk baarde een kind van God de Vader, zonder zonde. Zonder zonde baarde Maria Christus het hoofd ten bate van zijn lichaam. Door de vergiffenis van iedere zonde, baarde de Kerk het lichaam te bate van het hoofd.”

Wat deze teksten over de Kerk als geheel zeggen, als een sacrament van verlossing, zou speciaal moeten worden toegepast op priesters, omdat zij vanwege hun dienst degenen zijn die in de praktijk Christus verwekken in de zielen, door het woord en de sacramenten.

 

  1. 2. Maria heeft geloofd

 

Tot hiertoe hadden we het over de objectieve vergelijking tussen Maria en de priester, of de analogie van de genade. Er is echter ook een analogie te maken op het subjectieve vlak, tussen de persoonlijke bijdrage van de Maagd Maria aan de genade van haar uitverkiezing en de bijdrage die de priester geroepen is te geven aan de genade van zijn wijding. Geen van beide is een puur doorgeefluik waardoor de genade zonder eigen bijdrage kan passeren.

Tertullianus schrijft over een versie van het Gnostisch Docetisme, die zegt dat Jezus wel door Maria ter wereld werd gebracht, maar niet in haar noch door haar verwekt;  het lichaam van Christus, nedergedaald uit de hemel, zou doorheen de Maagd tot ons zijn gekomen, maar niet in en door haar voortgebracht; Maria was een weg voor Jezus, geen moeder, en voor Maria was Jezus een gast en niet een zoon.

Om te voorkomen dat hij deze versie van het Docetisme is zijn leven herhaalt kan de priester zich niet beperken tot het doorgeven van een Christus uit de boeken, die niet eerst vlees van zijn vlees en  bloed van zijn bloed is geworden. Als Maria (naar het beeld van Sint Bernardus), moet hij een overstromend reservoir zijn en niet slechts een kanaal dat water doorgeeft zonder er iets van vast te houden.

De persoonlijke bijdrage die Maria en de priester met elkaar gemeen hebben, kan worden samengevat in het geloof. Sint Augustinus schreef dat Maria “ door het geloof  verwekte en door het geloof baarde” (fide concepit, fide peperit). Ook door zijn geloof draagt de priester Christus in zijn hart en door het geloof geeft hij Hem door aan anderen. Dit zal de kern zijn van de overweging van vandaag: wat kan de priester leren van Maria’s geloof?

Als Maria bij Elisabet aankomt, ontvangt deze haar van harte en, “vervuld met de Heilige Geest”, roept zij uit: “Gelukkig zij die  geloofd heeft wat haar vanwege de Heer gezegd is“ (Luc. 1:45). Zonder twijfel is dit geloven een verwijzing naar Maria’s antwoord aan de engel: “Ziehier de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw Woord. (Luc. 1:38).

Op het eerste gezicht was dit een gemakkelijke geloofsdaad van Maria, die zelfs als normaal kan worden aangenomen. De moeder worden van een koning die in alle eeuwigheid zou heersen over het huis van Jacob, moeder van de Messias! Was dat niet de droom van ieder jong Joods meisje? Maar dit is een redenering  die veel te menselijk en vleselijk is. Maria was helemaal alleen. Aan wie kon zij uitleggen wat haar gebeurd was? Wie zou haar geloven als ze zou zeggen dat het kind dat zij in haar schoot droeg het “werk van de Heilige Geest” was? Dit was nog nooit gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren na haar.

Maria wist zeker wat er in de wet geschreven stond; als een jong meisje op het moment van de huwelijksvoltrekking niet maagdelijk was, moest zij voor de deur van het huis van haar vader gestenigd worden (zie bijvoorbeeld Deut. 22:20 en verder). Tegenwoordig spreken we graag over het risico van het geloof, begrijpend dat dat in het algemeen een intellectueel risico is: maar voor Maria was het maar al te echt!

In zijn boek over Onze Vrouwe beschrijft Carlo Carretto hoe hij Maria’s geloof ontdekte. Toen hij in de woestijn woonde, wist hij via een bevriende Touareg dat een meisje uit het kamp als vrouw beloofd was aan een jonge man, maar ze ging niet bij hem wonen omdat zij te jong was. Hij verbond dit feit met wat Lucas over Maria zegt. Daarom vroeg hij, toen hij twee jaar later weer in datzelfde kamp was, naar nieuws over het meisje. Hij zag een zekere schaamte bij zijn vrienden en later gaf één van hen hem in het geheim een teken: Hij haalde zijn hand voor zijn keel met het karakteristieke Arabisch gebaar dat betekent dat zij haar onthoofd hadden. Het meisje was zwanger geworden  voor de huwelijksvoltrekking en voor de eer van de familie moesten ze haar doden. Hij moest weer aan Maria denken en diezelfde nacht koos hij haar als zijn reisgezellin  en geloofslerares.

God vraagt geen toestemming van degenen die Hij roept, de gevolgen die zij zullen moeten overwinnen verbergend. Dat zien we in alle grote roepingsverhalen. Hij zegt tot  Jeremia: “Zij zullen u bestrijden” (Jer. 1:19). En over Saulus zegt hij tot Ananias: “Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden omwille van mijn naam” (Hand. 9:16). Zou Hij anders hebben kunnen handelen in het geval van Maria en haar roeping? In het licht van de Heilige Geest, die Gods roeping vergezelt, had zij zeker beseft dat haar pad niet anders zou zijn dan dat van anderen die geroepen waren. Simeon zou datzelfde al heel snel uitdrukken als hij zegt dat een zwaard haar hart zal doorboren.

Een moderne schrijver, Erri De Luca, heeft dit voorgevoel van Maria op het moment van de geboorte van Jezus poëtisch beschreven. Ze is alleen in de stal, Jozef staat op wacht buiten – volgens de wet mag geen man bij de geboorte aanwezig zijn – en meteen nadat ze haar zoon ter wereld heeft gebracht, schieten er vreemde gedachten door haar hoofd: “Waarom, mijn zoon, werd je hier geboren, in Bet Lehem, het Broodhuis? En waarom moeten we je Ieshu noemen? Maak dat deze rilling op mijn rug, deze koude uit de toekomst, Hem bespaard blijven.” Maria voelt aan dat haar zoon haar zal worden afgenomen, en dan herhaalt ze tegen zichzelf: “Tot aan het eerste licht is Ieshu van mij alleen. Ik wil een lied zingen met deze drie woorden en niet meer. Deze nacht, hier, in Bet Lehem, is hij van mij alleen.” En zo nam ze hem aan de borst om hem te voeden.

Maria is de enige die als ‘tijdgenoot’ geloofde, dat wil zeggen terwijl de gebeurtenis zich voltrok, voor enige bevestiging of instemming door andere gebeurtenissen en de geschiedenis.Jezus zei tot Thomas: “Omdat je Me gezien hebt geloof je? Gelukkig zij die niet gezien en toch geloofd hebben.” (Joh. 20:29): Maria is de eerste die geloofd heeft zonder gezien te hebben.

Paulus zegt dat God houdt van een blijde gever (2 Kor. 9:7), en Maria zij “ja” tegen God met blijdschap. Het werkwoord waarmee Maria haar instemming uitdrukt, en dat als “fiat” of “laat gebeuren” wordt vertaald, heeft in het Grieks de optatieve vorm (“genoito”), die gebruikt wordt om verlangen en zelfs vreugdevol ongeduld uit te drukken. Het is alsof de Maagd zei: “Ik wil met heel mijn wezen wat God wil: laat wat Hij wil snel gedaan worden.” Zoals Sint Augustinus zegt, ontving zij Hem in haar hart voordat zij Hem in haar lichaam ontving.

Maar in werkelijkheid zei Maria niet “fiat”, want ze sprak immers geen Latijn. Ook gebruikte ze het woord “genoito” niet, dat uit het Grieks komt. Wat zei ze dan wel? Welk woord in Maria’s taal komt het meest overeen met deze uitdrukking?

Als een Jood tot God wilde zeggen, “ja, laat het zo zijn,” zei hij “amen!” Als we het precieze woord willen terugvinden dat van Maria’s lippen kwam, komen we precies uit bij dat woord “amen”. De Psalmen die in de Latijnse Vulgaat eindigden met de uitdrukking “fiat, fiat” eindigen in de Griekse tekst van LXX met “genoito, genoito” en in het oorspronkelijke Hebreeuws dat Maria sprak met “amen, amen.”

Amen is een Hebreeuws woord waarvan de oorsprong zeker is; het werd in de liturgie als een geloofsantwoord op het Woord van God gebruikt. Door het “amen” erkent men het gezegde als echt, geldig en bindend. De exacte vertaling, als het een antwoord op het Woord van God is, is als volgt: “Zo is het, en zo zal het zijn.”

Het geeft tegelijk geloof en gehoorzaamheid aan; het erkent dat wat God zegt waar is en men geeft zich er aan over. Het is “ja” zeggen tegen God. Op deze wijze komt het van de lippen van Jezus: “Ja, Vader, zo hebt U het goedgevonden” (Matt 11:26).

Meer nog is Jezus de personificatie van amen – “Zo spreekt Amen” (Openb. 3:14) – en door Hem worden alle amens die in de wereld worden uitgesproken tot God gebracht (2 Kor. 1:20). Ook Maria is, na haar Zoon, de personificatie van het amen tot God.

Het geloof van Maria is een daad van liefde en gehoorzaamheid, geheimzinnig zoals iedere ontmoeting tussen genade en vrijheid. Dit is de ware persoonlijke grootheid van Maria, haar zegening, bevestigd door Christus zelf. “Gelukkig de schoot die U heeft gedragen, en de borsten die U hebben gevoed” (Luc. 11:27), zegt een vrouw in het Evangelie. De vrouw zegt dat Maria gezegend is omdat zij Jezus gedragen heeft; Elisabet verklaart haar gezegend omdat ze gelooft heeft; Jezus verklaart haar die Hem in het haart draagt gezegend: “gelukkig zij die het woord van God horen en het bewaren” antwoordt Hij. Zo helpt het deze vrouw en ons allemaal te begrijpen waar deze persoonlijke grootheid van Maria vandaan komt. Wie “bewaart” het Woord van God beter dan Maria, van wie bij twee gelegenheden in de Schrift gezegd wordt dat zij alles in haar hart bewaarde en erover nadacht? (Luc. 2:19, 51).

We moeten onze overweging over het geloof van Maria niet afsluiten met de indruk dat Maria eens geloofde, bij één gelegenheid, en daarna nooit meer; dat er slechts één grote geloofsdaad in haar leven was. Hoe vaak, na de verkondiging van de engel, leed Maria niet onder het schijnbare contrast tussen haar situatie en alles wat geschreven en bekend was over de wil van God in het Oude Testament, en over de persoon van de Messias? Het Tweede Vaticaans Concilie gaf ons de grote gave van de bevestiging dat ook Maria in geloof leefde, en dat zij zelfs vooruitgang maakte in geloof , dat wil zeggen, dat haar geloof groeide en zich vervolmaakt heeft. (“Lumen Gentium”, 58).

 

3. Laten Ook Wij Geloven!


We begeven ons nu van Maria naar de priester. Sint Augustinus schreef: “Maria geloofde, en aan haar gebeurde dat wat werd geloofd. Laten ook wij geloven, zo dat wat in haar gebeurde ook in ons kan gebeuren”. Laten ook wij geloven! De overweging van Maria zal ons moeten brengen tot een vernieuwing van bovenal onze persoonlijke geloofsdaden en ons verlaten op God.

We zouden allemaal Maria moeten en kunnen volgen in ons geloof, maar de priester in het bijzonder. “De rechtvaardige zal leven door zijn geloof” (Hab. 2:4, Rom. 1:17). Dit is in het bijzonder van toepassing op de priester. Hij is de man van geloof. Geloof is wat zijn soortgelijk gewicht uitmaakt en de vruchtbaarheid van zijn dienstwerk.

Wat de gelovigen meteen in een priester, een pastor, zien, is of hij gelooft in wat hij zegt en viert. Zij die bovenal God zoeken in de priesters  hebben het meteen door; zij die God niet in hem zoeken, worden gemakkelijk misleid en misleiden zelfs de priesters, en maken hem belangrijker, intelligenter, moderner, terwijl hij in werkelijkheid “een galmend bekken of een schelle cimbaal” is.

Zij die niet geloven maar de priester met een zoekende geest benaderen, begrijpen het verschil meteen. Een bekering wordt meestal niet veroorzaakt door een geleerde discussie over het geloof, maar eerder door een ontmoeting met iemand die werkelijk gelooft met heel zijn wezen. Geloof is besmettelijk. Men krijgt iets niet te pakken door iemand te horen spreken over een virus of door het te bestuderen, maar juist door in contact te komen met iemand die het heeft. Dat is geloof.

Soms lijden we en klagen we in gebed tot God omdat mensen de Kerk verlaten maar niet de zonde. We praten, en praten en praten… en er gebeurt niets. Eens probeerden de apostelen een duivel uit te drijven uit een jongen, maar het lukte hen niet. Nadat Jezus er wel in geslaagd was, benaderden ze hem, namen hem terzijde en vroegen: “’Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’ Hij zei hun: ‘Omdat jullie geloof zo klein is!’” (Matt 17:19-20).

De H. Bonaventura vertelt dat hij op een dag, toen hij op de berg Alvernia woonde, besefte wat de Kerkvaders zeggen: dat de gelovige ziel door de genade van de Heilige Geest en de kracht van de Almachtige, op spirituele wijze door geloof het zalige Woord van de Vader kan verwekken, het ter wereld kan brengen, een naam kan geven en het kan zoeken en aanbidden zoals de Drie Wijzen, en het uiteindelijk met blijdschap kan aanbieden aan God de Vader in zijn tempel. Hij schreef een werk met de titel “De Vijf Feesten van het Kind Jezus” en liet daarin zien hoe de Christen in zichzelf elk van de vijf momenten van het leven van Jezus kan herbeleven. Ik beperk mezelf tot wat Sint Bonaventura zegt over de eerste twee feesten, de verwekking en Zijn geboorte, en pas die in het bijzonder toe op de priesters.

De priester ontvangt, verwekt, Jezus wanneer hij, ontevreden met zijn leven en geïnspireerd door heilige bezieling en aangespoord door heilige hartstocht, zichzelf resoluut losmakend van zijn oude gewoonten, spiritueel vruchtbaar blijft door de genade van de Heilige Geest en een nieuw leven in zich ontvangt.

Eenmaal ontvangen wordt de Zoon van God in het hart van de priester geboren wanneer hij, na een heilig onderscheiden, noodzakelijk advies en de hulp van God, het heilig voorstel in de praktijk brengt en ontdekt wat hij wel gedacht maar nooit ondernomen had uit angst het niet aan te kunnen.

Dit aangeboden nieuwe leven zal zich echter meteen, en zonder uitstel, moeten vertalen naar iets specifieks, een verandering, mogelijk uiterlijk en zichtbaar, in ons leven en onze gewoontes. Als het aanbod niet wordt aangenomen is Jezus wel ontvangen, maar niet geboren. Het zou dan één van vele spirituele abortussen zijn waar de geestelijke wereld helaas vol van is.

Er zijn twee simpele woorden die Maria sprak bij de verkondiging en die de priester zegt op het moment van zijn wijding: “Hier ben ik,” en “Amen” of “Ja”. Ik herinner mijn eigen wijding, samen met tien metgezellen, toen mijn naam werd geroepen. Ik antwoordde vol emotie, “Hier ben Ik!”

Tijdens de wijdingsritus worden ons een aantal vragen gesteld: “Wilt u het priesterlijk dienstwerk uw hele leven lang uitoefenen?”, en “Wilt u trouw en waardig het woord verkondingen?” “Wilt u met geloof en trouw de geheimen van Christus vieren?” Op iedere vraag antwoorden we “Ja, dat wil ik.”

De geestelijke vernieuwing van het katholieke priesterschap, zoals verlangd door de Heilige Vader, zal in verhouding staan tot het enthousiasme waarmee ieder van ons, priesters en bisschoppen van de Kerk, een vreugdevol “Hier ben ik” en “Ja, ik wil” kunnen uitspreken en zo de zalving ontvangen tijdens de wijding herleven.

Jezus kwam in de wereld met de woorden; “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen” (Heb. 10:7). Laten wij hem met Kerstmis verwelkomen met dezelfde woorden: “Ik ben gekomen, Heer Jezus, om uw wil te doen!”


Ps. Epifanie, Homilie ter ere van de Heilige Maagd in praise of the Blessed Virgin, (PG 43, 497)

Cf. On the questions, R. Laurentin, Mary -- ecclesiology -- priesthood, Paris 1952; art. "Sacerdoti" in de New Dictionary of Mariology, Red. Paoline 1985, 1231-1242.

Paulus VI, Algemene Audiëntie, 7 okt. 1964.

St. Augustinus, Preken, 72 A, 8 (Misc. Aug. I, p.164).

“Lumen Gentium,” 64.

Clemens van Alexandrië, Paedagogus, I, 6.

Zalige Isaac Stella, Preken, 51 (PL 194, 1863).

Tertullianus, "De Carne Christi," 20-21 (CCL 2, 910 ss.).

St. Augustinus, Preken, 215, 4 (PL 38,1074).

C. Carretto, "Beata te che hai creduto," . Paoline, 1986, pp. 9 ss.

E. De Luca, "In Nome Della Madre," Feltrinelli, Milano, 2006, pp. 66 ss.

Tertullianus, "De Carne Christi," 20-21 (CCL 2, 910 ss.).

St. Augustinus, Preken, 215, 4 (PL 38,1074).