2011-12-2 Cantalamessa eerste adventspreek

 

"Gaat uit over de hele wereld: De eerste evangelisatiegolf"


In antwoord op de Heilige Vader die oproept tot nieuwe inspanningen voor de evangelisatie en in voorbereiding op de bisschoppensynode van 2012 over dit onderwerp, heb ik mij voorgenomen in deze adventsmeditaties over vier golven van nieuwe evangelisatie te spreken, of vier momenten die in de Kerkgeschiedenis getekend waren door een toename of wederopname van het missionair engagement. Dit zijn deze momenten:

 

  1. De drie eerste eeuwen van de uitbreiding van het christendom tot aan de vooravond van het edict van Constantijn, waarvan de hoofdpersonages vooreerst de profeten en vervolgens de bisschoppen zijn;
  2. De 6e – 9e eeuw waarin men dank zij de monniken een nieuwe evangelisatie van Europa meemaakt, na de inval van de barbaren;
  3. De 16e eeuw met de ontdekking en bekering van de volken uit de “nieuwe wereld” tot het christendom, door religieuzen;
  4. De huidige tijd die de Kerk ziet in een nieuwe evangelisatie van het geseculariseerde westen, met een doorslaggevende deelname van leken.

Bij elk van deze periodes zal ik proberen te belichten wat wij voor de Kerk van vandaag kunnen leren: welke vergissingen dienen vermeden te worden en welke voorbeelden na te volgen en wat de  specifieke bijdrage voor deze evangelisatie is vanwege de monniken, de religieuzen in het apostolisch leven en de leken.

 

  1. De verspreiding van het christendom in de drie eerste eeuwen

Laten wij vandaag beginnen met een reflectie over de christelijke evangelisatie in de drie eerste eeuwen. Er is zeker een reden waarom deze periode een model is voor alle tijden. Het is de tijd waarin het christendom zich een weg baant en daarbij uitsluitend op eigen krachten rekent. Geen enkele “seculiere arm” ondersteunt het; bekeringen zijn niet het resultaat van enig uiterlijk, materieel of cultureel voordeel; christen zijn is geen gewoonte of mode, maar een keuze tegen de stroom in, dikwijls op gevaar voor zijn leven. In zekere zin, een situatie die christenen in bepaalde streken van de wereld, vandaag bekend is. 
Het christelijk geloof staat sinds het begin open voor heel de wereld. Jezus had tot Zijn leerlingen gezegd “gaat uit over de hele wereld” (Mc. 16,15) en “maakt alle volkeren tot mijn leerlingen” (Mt. 28,19), Zijn getuigen zijn “tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1,8), “en dat in zijn naam bekering tot vergiffenis van de zonden gepredikt moet worden onder alle volken” (Lc. 24,47).
De toepassing van dit universaliteitsbeginsel komt reeds tot uiting in de generatie van de apostelen, doch niet zonder moeilijkheden noch scheuren. Op de dag van Pinksteren, is de eerste hindernis die genomen wordt die van het ras (de drieduizend bekeerlingen kwamen uit verschillende volken, maar waren allen proselieten uit het Jodendom); in het huis van Cornelius en op het concilie “van Jeruzalem” genoemd, vooral onder de impuls van Paulus, wordt de hardnekkigste  van alle hindernissen genomen, de religieuze hindernis die joden en heidenen verdeelde. Doch, het Evangelie heeft voortaan heel de wereld voor zich, ook wanneer deze wereld zich volgens de kennis van de mensen uit die tijd, beperkt tot het Middellandse Zeegebied en de grenzen van het Romeinse Rijk.
De concrete of geografische expansie van het christendom opvolgen gedurende de drie eerste eeuwen is ingewikkelder maar tenslotte minder noodzakelijk voor ons doel. De meest volledige studie over dit onderwerp, en nog steeds geldig, is die van Adolph von Harnack, “Zending en uitbreiding van het christendom in de drie eerste eeuwen”.
In de Kerk kent de missionaire activiteit een sterke impuls onder keizer Commodus (180-192) en vervolgens in de tweede helft van de 3e eeuw, namelijk op de vooravond van de grote vervolging onder Diocletianus (302). Afgezien van enkele sporadische plaatselijke vervolgingen, was het een periode waarin de opkomende Kerk zich intern heeft kunnen versterken en een missionaire activiteit heeft ontplooien van een nieuw type.
Laten we eens kijken waarin die nieuwigheid bestaat. In de loop van de twee eerste eeuwen, werd de verkondiging van het geloof aan het persoonlijk initiatief toevertrouwd. De rondtrekkende profeten over wie de Didache spreekt, verplaatsten zich van de ene plaats naar de andere; vele bekeringen waren het resultaat van persoonlijke contacten, in de hand gewerkt door de beoefening van eenzelfde beroep, door handelsreizen en –betrekkingen, militaire dienst of andere levensomstandigheden. Origines biedt ons een aangrijpende beschrijving van de ijver van deze eerste missionarissen: “De christenen doen al het mogelijke om het geloof in de wereld te verspreiden. Sommigen stellen zich daarom tot levensdoel, van stad tot stad te gaan, maar ook van dorp tot dorp en van huis tot huis om nieuwe gelovigen te winnen voor de Heer. En dat men hopelijk niet zegt dat ze het doen om er iets aan te verdienen, want dikwijls weigeren ze zelfs het levensnoodzakelijke aan te nemen”.
In de tweede helft van de 3e eeuw worden deze persoonlijke initiatieven meer en meer gecoördineerd en gedeeltelijk vervangen door de plaatselijke gemeenschap. De bisschop, zij het als reactie op de vernietigende opmars van de gnostische ketterij, neemt uiteindelijk de bovenhand boven de leraars, speelt zijn centrale rol in het interne leven van de gemeenschap en wordt zo ook de motor van haar missionaire activiteit. Voortaan is de gemeenschap het evangeliserend subject, zodanig zelfs dat een expert als Harnack, die men niet kan verdenken van sympathie voor het instituut, kan zeggen: “We moeten voor waar erkennen dat alleen het bestaan en het constante werk van elke gemeenschap, de belangrijkste factor was in de verkondiging van het christendom”.
Tegen het einde van de 3e eeuw, is het christelijk geloof bijna doorgedrongen tot elke laag van de samenleving. Het heeft zijn eigen literatuur in het Grieks en ook in een andere opkomende taal, het Latijn.  Zijn interne organisatie is sterk. Het begint steeds grotere gebouwen op te trekken, een teken dat het aantal gelovigen toeneemt. De grote vervolging onder Diocletianus heeft naast het groot aantal slachtoffers, de haast niet te onderdrukken kracht van het christelijk geloof aan het licht gebracht. De laatste ijzeren arm tussen het keizerrijk en het christendom was er het bewijs van.
Constantijn zal in de grond niet anders doen dat deze nieuwe machtsverhouding vaststellen. Niet hij zal het christendom opleggen aan het volk, maar het volk aan hem. Uitspraken zoals die van Dan Brown in de roman, de “Da Vinci code” en van andere onthullende auteurs, volgens wie Constantijn om persoonlijke redenen, met een edict van tolerantie en met het concilie van Nicea, een duistere joodse religieuze sekte zou veranderd hebben in de godsdienst van het keizerrijk, is gebaseerd op totale onwetendheid over wat aan dergelijke gebeurtenissen is voorafgegaan.

 

  1. De redenen van het succes

Een vraag die historici altijd gepassioneerd heeft, is die naar de redenen van de zege van het christendom. Een boodschap ontstaan in een donkere hoek en door het keizerrijk geminacht, te midden van eenvoudige mensen, zonder cultuur en macht, breidt zich uit, in minder dan drie eeuwen, in de toenmalig gekende wereld, en overheerst tenslotte de uiterst geraffineerde cultuur van de Grieken en de keizerlijke macht van Rome! Onder de verschillende redenen van dit succes, benadrukken sommigen  de christelijke liefde en actieve beoefening van de naastenliefde, zodanig dat ze er de “machtigste factor” van maken, “voor het succes van het christelijk geloof”, waardoor keizer Julianus de Apostaat het heidendom later begiftigd heeft met dezelfde werken van naastenliefde om zich tegenover zo een succes staande te houden.
Harnack hecht wat hem betreft, veel belang aan wat hij de “syncretische” natuur noemt van het christelijk geloof, dat wil zeggen de bekwaamheid om tegengestelde tendensen en de verschillende waarden die in de godsdiensten en de cultuur van die tijd aangeboden werden, in zich met elkaar te verzoenen. Het christendom presenteert zich tezelfdertijd als de godsdienst van de Geest en van  macht, dat wil zeggen vergezeld van bovennatuurlijke tekens, charisma’s en wonderen; en ook als de godsdienst van de rede en de integrale Logos, “de ware filosofie” zoals de martelaar de heilige Justinianus zei. De christelijke schrijvers zijn “rationalisten van het bovennatuurlijke”, zegt Harnack wanneer hij Paulus citeert en zijn woorden over het geloof dat hij “geestelijke eredienst” noemt (Rom. 12,1).
Zo verenigt het christendom in zich, in een volmaakt evenwicht, wat de filosoof Nietzsche het element van Apollo en het element van Dionysius van de Griekse filosofie noemt, de Logos en de Pneuma, orde en begeestering, maat en overdaad. Dat is wat de Kerkvaders bedoelden, ten minste gedeeltelijk, met het thema van de “nuchtere dronkenschap van de Geest”.
“Sinds het begin, schrijft Harnack op het einde van zijn monumentale zoektocht, heeft de christelijke godsdienst een universaliteit ten toon gespreid waardoor hij heel het leven kon omvatten met al zijn functies, verhevenheden en diepten, gevoelens, gedachten en handelingen. Het is deze geest van universaliteit die zijn overwinning garandeerde. Dat heeft hem ertoe gebracht te belijden dat de Jezus die hij verkondigde, de Goddelijke Logos is … een nieuw licht verlicht hem en deze sterke aantrekking die maakt dat hij het hellenisme is gaan opslorpen, aan zich is gaan onderwerpen, leek bijna een noodzaak. Al wat in zekere zin nog levensbekwaam was, trad toe als een element in zijn constructie … Hoe zou een dergelijke godsdienst niet kunnen winnen?”
De indruk bij het lezen van deze synthese is dat het succes van het christendom te wijten is aan een geheel van factoren. Sommigen zijn in hun zoektocht naar de redenen van een dergelijk succes zo ver gegaan dat zij twintig redenen gevonden hebben in het voordeel van het geloof en andere redenen in zijn nadeel; de uiteindelijke afloop was dus afhankelijk van de overwinning van de eersten op de tweeden.
Ik zou nu de beperktheid van een dergelijke historische benadering willen belichten, alhoewel dit reeds gedaan werd door gelovige historici zoals degenen die ik tot hiertoe voor de geest heb gehaald. Deze beperking, te wijten aan de historische methode zelf, is dat men meer belang hecht aan het onderwerp van de zending dan aan het voorwerp, aan de evangelisten en de omstandigheden waarin deze plaatshad, meer dan aan de inhoud.
De reden die me ertoe aanzet dit te doen is dat deze beperking ook de beperking is en het gevaar die men in vele benaderingen van deze tijd en van de media vindt wanneer men over nieuwe evangelisatie spreekt. Men vergeet iets heel eenvoudigs: dat Jezus zelf op voorhand de verspreiding van Zijn Evangelie uitgelegd had; dat is het vertrekpunt voor elke nieuwe missionaire inspanning.
Herbeluisteren wij twee korte parabels uit het Evangelie, die van het graan dat ontkiemt en opschiet, zelfs ’s nachts, en die van het mosterdzaadje.
“Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar. Zodra de vrucht het toelaat, slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.” (Mc. 4,26-29).
Alleen reeds deze parabel zegt ons dat de essentiële reden voor het succes van de christelijke zending niet van buitenaf komt maar van binnen, dat het succes niet het werk is van de zaaier noch van de aarde, maar van de gezaaide graankorrel. De graankorrel kan zichzelf niet zaaien, toch ontkiemt hij automatisch en uit zichzelf. Als hij de graankorrel uitgeworpen heeft, kan de zaaier gaan slapen, het leven van de graankorrel hangt niet van hem af. Wanneer deze graankorrel “de graankorrel is die in de aarde valt en sterft”, met andere woorden Jezus Christus, kan niets hem tegenhouden om “veel vrucht te dragen”. Men kan aan die vrucht alle verklaringen geven die men wil, ze zullen altijd aan de oppervlakte blijven en nooit de essentie raken.
De apostel Paulus is degene die de prioriteit van het voorwerp van de verkondiging ten overstaan van het subject, scherpzinnig zag: “Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God zelf gaf de groei”. Deze woorden lijken een commentaar op de parabel van Jezus. Het gaat niet om drie operaties met dezelfde graad van belangrijkheid; de apostel voegt er namelijk bij:  “Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft” (1 Kor. 3,6-7). Dezelfde kwalitatieve afstand tussen subject en voorwerp van de verkondiging is aanwezig in een ander woord van de apostel: “Maar wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijft dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons” (2 Kor. 4,7). Dat alles vertaalt zich in deze programmatische uitroepen: “Wij verkondigen niet onszelf, maar Jezus Christus onze Heer!” of nog: “Wij verkondigen de gekruisigde Christus”.
Jezus heeft een tweede parabel verteld, gebaseerd op het beeld van de graankorrel die het succes van de christelijke zending verklaart en waarmee vandaag moet rekening gehouden worden ten overstaan van deze immense opdracht die bestaat in de nieuwe evangelisatie van een geseculariseerde wereld.
“Welke vergelijking kunnen we vinden voor het Rijk Gods en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen? Het lijkt op een mosterdzaadje. Wanneer dat gezaaid wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde; maar eenmaal gezaaid, schiet het op en wordt groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken, zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.” (Mc. 4,30-32).
Het onderricht dat Christus ons met deze parabel geeft is dat Zijn Evangelie, Zijn Persoon zelf, het kleinste is dat er op aarde is want er bestaat niets kleiner en zwakker dan een leven dat eindigt met een dood op het kruis. Nochtans is dit kleine mosterdzaadje bestemd om een immense boom te worden, zo groot dat zijn takken alle vogels kunnen dragen die er hun toevlucht zoeken. Dat betekent dat heel de schepping, werkelijk helemaal, er zijn toevlucht zal nemen.
Wat een contrast met de historische reconstructies hierboven vermeld! Daar leek alles onzeker, wisselvallig, zwevend tussen succes en mislukking; hier is alles beslist en gewaarborgd vanaf het begin! Jezus beëindigt het gebeuren van de zalving in Bethanië met deze woorden: “Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft” (Mt. 26,13). Hetzelfde rustige bewustzijn dat Zijn boodschap ooit “in de hele wereld” zou verkondigd worden. En het gaat zeker niet om een profetie “post eventum”, want op dat moment liet alles het tegenovergestelde vermoeden.
Ook op dit punt, is het Paulus die beter dan anderen “het verborgen mysterie” gevat heeft. Er is een feit dat me altijd treft: de apostel heeft op de areopaag van Athene gepreekt en zijn boodschap werd, zij het beleefd, afgewezen met de belofte dat men een andere keer naar hem zou luisteren. In Korinthe, waarheen hij zich onmiddellijk daarna begaf, heeft hij zijn brief aan de Romeinen geschreven, en bevestigt daarin dat hij de opdracht gekregen heeft “onder alle volken mensen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof” (Rom. 1,5-6). Die mislukking had zijn vertrouwen in de boodschap niet in het minst beschadigd: “Voor dit evangelie schaam ik mij niet. Het is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft, allereerst de jood, maar ook de heiden” (Rom. 1,16).
“Iedere boom, zegt Jezus, wordt gekend aan zijn vruchten” (Lc. 6,44). Dat geldt voor elke boom, uitgezonderd de boom die uit Hem gekomen is: het christendom (en inderdaad, in Lc. 6,44 spreekt Hij over mensen); Hij is de enige boom die niet aan zijn vruchten erkend wordt, maar aan zijn wortel. In het christendom is de volheid niet op het einde, zoals in de hegeliaanse dialectiek van het worden (“het ware is het geheel”), maar aan het begin; geen enkele vrucht, zelfs de grootste heiligen niet, voegen iets toe aan de volmaaktheid van het model. In die zin, heeft degene gelijk die beweerde dat “het christendom niet kan vervolmaakt worden”.

 

  1. Zaaien en … gaan slapen

Wat de geschiedkundigen  niet onthouden over de oorsprong van het christendom, of wat zij weinig belangrijk vinden, is deze oncontroleerbare zekerheid die de christenen van toen, ten minste de besten onder hen, hadden over de goedheid en de uiteindelijke zege van hun zaak. “U kunt ons doden, maar nooit schade berokkenen”, had de martelaar de heilige Justinianus tegen de Romeinse rechter gezegd die hem had ter dood veroordeeld. Uiteindelijk was deze rustige zekerheid de waarborg voor hun zege en heeft zij de politieke autoriteiten overtuigd heeft van de nutteloosheid van hun inspanningen om het christelijk geloof uit te roeien.
Dat is wat wij vandaag het meest nodig hebben: bij de christenen, ten minste bij hen die zich aan dit nieuwe evangelisatiewerk willen wijden, de innige zekerheid wakker maken van de waarheid die zij verkondigen. “Wat de Kerk nodig heeft, zei Paulus VI ooit, is de zorg, de smaak en de zekerheid van haar waarheid opnieuw te vinden.” Wij moeten als eersten geloven wat wij verkondigen; maar werkelijk geloven. Wij moeten met Paulus kunnen zeggen: “Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij” (2 Kor. 4,13).
De concrete opdracht die de twee parabels van Jezus ons toevertrouwen, is te zaaien. Zaaien met volle handen, “te pas en te onpas” (2 Tim. 4,2). De zaaier van de parabel die uit zaaien gaat, maakt er zich geen zorgen over dat een deel van het gezaaide zaad op de weg valt en een ander deel tussen de distels, en zeggen dat deze zaaier, los van de parabel, Jezus zelf is! Want in dat geval kan men op voorhand niet weten welke grond de goede zal zijn, ofwel hard als asfalt en verstikkend als struikgewas. Hier komt de vrijheid van de mens tussenbeide, die de mens niet kan voorzien en die God niet wil ontkrachten. Hoe dikwijls ontdekt men niet dat onder degenen die naar een sermoen geluisterd of een boek gelezen hebben, en het werkelijk ernstig genomen en zijn leven veranderd heeft, degene is van wie men het ’t minst verwacht had, degene die er toevallig was of met tegenzin. Zo zou ik zelf tientallen gevallen kunnen vertellen.
Dus zaaien en daarna … gaan slapen! Anders gezegd, zaaien en niet de hele tijd blijven kijken, wanneer het groeit, waar het groeit, hoeveel centimeter het elke dag groeit. Het wortel schieten en de groei zijn onze zaak niet, maar de zaak van God en van degene die luistert. Een groot Engels humorist uit de 19e eeuw, Jerome Klapka Jerome, zegt dat het beste middel om het opborrelen van kokend water in een kookpot te vertragen is erboven te hangen en met ongeduld te wachten.
Het tegendeel is een bron van onvermijdelijke onrust en ongeduld: dat zijn dingen die Jezus niet welgevallen en die Hij nooit deed wanneer Hij op aarde was. In het Evangelie lijkt Hij nooit gehaast. “Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed” (Mt. 6,34).
Wat dit betreft, legt de gelovige dichter Charles Péguy God woorden in de mond, waarover ook wij voor ons welzijn kunnen mediteren:
“Men zegt Mij dat er mensen zijn die goed werken en slecht slapen. Die niet slapen. Wat een gebrek aan vertrouwen in Mij! Het is bijna erger dan wanneer zij niet zouden werken en wel slapen, want luiheid is geen grotere zonde dan onrust … Ik spreek niet, zegt God, over die mensen die niet werken en niet slapen. Dat zijn wel te verstaan zondaars … Ik spreek over hen die werken en niet slapen … Ik beklaag ze. Ik heb met hen te doen. Een beetje. Ze stellen geen vertrouwen in Mij … ze beheren hun zaken heel goed overdag. Maar ze willen het beheer aan Mij niet toevertrouwen gedurende de nacht … wie niet slaapt is ontrouw aan de Hoop ….”
Tot besluit, de reflecties in deze meditatie moedigen ons aan om aan de basis van het engagement voor een nieuwe evangelisatie, een groot akte van geloof en hoop te leggen, ons te ontdoen van ieder gevoel van onmacht en berusting. Tegenover ons staat, inderdaad, een wereld die opgesloten is in haar secularisme, in de roes van het succes van de techniek en de mogelijkheden die de wetenschap biedt, en afkerig van de boodschap van het Evangelie. Doch, de wereld waartegenover de eerste christenen zich bevonden – het hellenisme met zijn kennis en het Romeinse rijk met zijn macht – zou die minder afwijzend gestaan hebben tegenover het Evangelie?
Als er één zaak is die wij, na “gezaaid” te hebben, kunnen doen, is het gezaaide zaad “begieten”, door gebed. Laten wij dan eindigen met dit gebed dat de liturgie ons laat bidden in de Mis “voor de evangelisatie van de volken”:
“God die wil dat alle volken gered worden en tot de kennis van de waarheid komen, zie hoe groot de oogst is, zend arbeiders opdat het Evangelie aan ieder schepsel zou verkondigd worden en uw volk, verzameld door het woord van leven en gevormd door de kracht van de sacramenten, voortgang zou maken op de weg van heil en liefde. Door Christus, onze Heer. Amen.”

Vert. Sorores Christi