P. Raniero Cantalamessa, Derde adventspreek

 

"De eerste evangelisatie van het Amerikaanse continent"

 

  1. Het christelijk geloof steekt de oceaan over

  2. Vier dagen geleden vierde het Amerikaanse continent het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Guadaloupe, in Mexico ook een verplichte feestdag. Het is een gelukkige samenloop van omstandigheden, aangezien het onderwerp van deze meditatie gaat over de derde grote evangelisatiegolf die volgde op de ontdekking van de Nieuwe Wereld. Meer dan ooit in de geschiedenis van deze devotie, verdiende Maria de titel “Ster van de evangelisatie”.
    Ik zal kort de hoofdzaken samenvatten in de groei van deze missionaire onderneming. Laat mij met een opmerking beginnen. Samen met het geloof, exporteerde het christelijk Europa ook zijn eigen verdeeldheid. Tegen het einde van de grote missionaire golf, zou het Amerikaanse vasteland juist dezelfde situatie reproduceren als die in Europa: een katholieke meerderheid in het zuiden en daarmee overeenstemmend een protestantse meerderheid in het noorden. Hier zullen we alleen de evangelisatie van Latijns Amerika behandelen, die eerst aan de beurt kwam, onmiddellijk na de ontdekking van de Nieuwe Wereld.
    Nadat Christoffel Columbus  in 1492 van zijn reis terugkeerde met het nieuws dat er nieuwe grondgebieden bestonden (waarvan men toen nog dacht dat het een deel van Indië was), nam katholiek Spanje twee beslissingen die onafscheidelijk met elkaar verbonden waren: het christelijk geloof bij de nieuwe volken brengen en zijn eigen politieke heerschappij over hen uit te breiden. Met dit doel verkreeg Spanje van Paus Alexander VI recht op al het ontdekte grondgebied dat honderd mijl aan de andere kant van de Azoren lag, en Portugal op het grondgebied aan deze kant van de lijn. De lijn werd later verlegd in het voordeel van Portugal, om Portugals bezit van Brazilië te legitimeren. Zo werd de toekomstige vormgeving van het Latijns Amerikaanse vasteland getekend, met inbegrip van hun talen.
    Telkens zij een land betraden, zouden de troepen een bevel uitvaardigen (“requerimiento”), om de inwoners te doen aansluiten bij het christendom en de heerschappij te erkennen van de koning van Spanje (cfr. J. Glazik, in Storia della Chiesa, ed. H. Jedin, vol. VI, Milano Jaca Book, p. 1075). Slechts enkele grote geesten, namelijk de dominicanen Antonio de Montesino en Bartolomeo de Las Casas, hadden de moed hun stem te verheffen tegen de misbruiken van de veroveraars om de rechten van de inboorlingen te verdedigen. In minder dan vijftig jaar, ook omwille van de zwakheid van de plaatselijke koninkrijken, was het continent onder Spaanse overheersing en ten minste met naam, christelijk.
    Recente geschiedkundigen hebben geprobeerd de sombere tonen af te zwakken waarmee de missionaire onderneming in het verleden afgeschilderd werd. Om te beginnen stellen zij dat in Latijns Amerika - in tegenstelling tot wat met de “Indiaanse” stammen in Noord-Amerika is gebeurd - het merendeel van de inlandse bevolking, al was zij uitgedund, met hun eigen taal en grondgebied overleefden en nadien in staat waren hun identiteit en onafhankelijkheid op te eisen en terug te krijgen. Ook dient men ermee rekening te houden dat de missionarissen door hun theologische opleiding geconditioneerd waren. Door het adagio “Extra Ecclesiam nulla salus” (Buiten de Kerk geen heil, n.v.d.r.) letterlijk en strikt te nemen, waren zij overtuigd van de noodzaak zo veel mogelijk mensen te dopen en dit in de kortst mogelijke tijd, om hun eeuwig heil te verzekeren.
    Het loont de moeite even bij deze stelling stil te staan, die in de evangelisatie van zo groot belang geweest is. Ze werd in de 3e eeuw door Origenes en vooral door de heilige Cyprianus geformuleerd. Om te beginnen, ging het daarbij niet om de redding van niet-christenen, doch integendeel over die van de christenen. Het waren de ketters en schismatieken van die tijd die rechtstreeks en exclusief eraan herinnerd werden dat zij zich door de gemeenschap met de Kerk te verbreken, schuldig maakten aan een zware zonde waardoor zij zichzelf van het heil uitsloten. De stelling  was dus gericht tegen degenen die de Kerk verlieten, niet tegen hen toetraden.
    Pas later wanneer het christendom staatsgodsdienst werd, begon men deze stelling toe te passen op heidenen en joden, op grond van de toen algemene, en objectief zelfs verkeerde overtuiging dat de boodschap nu door iedereen gekend was; ze weigeren zou daarom betekenen dat men schuldig was en de verdoemenis verdiende.
    Het was precies na de ontdekking van de Nieuwe Wereld dat deze geografische grenzen drastisch verbroken werden. De ontdekking van hele volken die buiten ieder contact met de Kerk geleefd hadden, verplichtte tot een herziening van zulk een strikte interpretatie van de stelling. De dominicanen - theologen van Salamanca en later enkele jezuïeten, begonnen zich kritisch op te stellen en erkenden dat men buiten de Kerk kon zijn, zonder noodzakelijk schuldig en daarom uitgesloten van het heil. Niet alleen dat, maar in het aanschijn van de manier en de methoden waarmee het Evangelie soms aan de inlandse bevolking verkondigd werd, stelde iemand voor het eerst de vraag of degenen die de christelijke boodschap kenden doch niet aanvaardden, werkelijk als schuldig konden aangezien worden (F. Sullivan, “Salvation outside the Church? Tracing the History of the Catholic Response”, Paulus Press, New York 1992).

    1. De broeders als protagonisten

    Dit is zeker niet de plaats om een geschiedkundig oordeel te vellen over de eerste evangelisatie van Latijns Amerika. Ter gelegenheid van zijn vijfhonderdste verjaardag, in mei 1992, werd in Rome een internationaal symposium gehouden van geschiedkundigen, gespecialiseerd in dit onderwerp. In zijn toespraak tot de deelnemers zei Paus Johannes Paulus II: “Natuurlijk waren in die evangelisatie, zoals in elke menselijke onderneming, fouten evenals successen, ‘licht en schaduw’, doch meer licht dan schaduw, te oordelen naar de vruchten die we vijfhonderd jaar later vinden: een Kerk die levend en dynamisch is, en vandaag een aanzienlijk deel van de universele Kerk vertegenwoordigt” (Johannes Paulus II, Toespraak tot de deelnemers aan het Internationaal Symposium over de evangelisatie van Latijns Amerika, 14 mei 1992).
    Van tegenovergestelde kant, spraken sommigen op dat symposium over de noodzaak om te dekoloniseren en te ont-evangeliseren, en gaven de indruk dat zij verkozen dat het continent helemaal niet geëvangeliseerd was geweest. Met alle respect en liefde die deze schrijvers voor de volken van Latijns Amerika bewogen, denk ik dat zulk een mening sterk moet afgewezen worden.
    Ten overstaan van een wereld zonder zonde maar ook zonder Jezus Christus, verkiest de theologie een zondige wereld, maar met Jezus Christus. “O gelukkige zonde”, roept de Paasliturgie in het “Exsultet” uit, “die ons zo een grote Verlosser geschonken heeft”. Zouden wij niet hetzelfde moeten zeggen over de evangelisatie van de twee Amerika’s, Zuid en Noord? Wat is verkieslijker: een continent zonder “fouten en schaduwen” die samengaan met de verkondiging van het Evangelie, maar ook een continent zonder Christus, of een continent met die schaduwen, en ook met Christus? Iedereen verkiest toch wel het laatste? Zou een christen, van links of rechts (vooral een priester of religieus/religieuze) het tegengestelde kunnen zeggen zonder daardoor zijn geloof te verraden?
    Ergens las ik deze uitspraak, waarmee ik het volledig eens ben: “Het grootste dat in 1492 gebeurd is, was niet dat Christoffel Columbus Amerika ontdekte, maar dat Amerika Jezus Christus ontdekte”. Juist, het is niet de hele Christus van het Evangelie, voor wie vrijheid de vereiste is om te geloven, maar wie kan beweren drager te zijn van een Christus los van iedere historische conditionering? Zijn zij die een revolutionaire Christus voorhouden, één die structuren uitdaagt en rechtstreeks betrokken is in de politieke strijd, misschien ook vergeten dat Christus bijvoorbeeld zei “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”?
    Indien in de eerste evangelisatiegolf de hoofdrolspelers de bisschoppen waren, en in de tweede de monniken, dan zijn de hoofdrolspelers in de derde golf ongetwijfeld de broeders, namelijk de religieuzen van de bedelordes, in de eerste plaats franciscanen, dominicanen en augustinianen, en op een later moment de jezuïeten. Kerkhistorici erkennen dat “de leden van de religieuze ordes de geschiedenis bepaalden van de missies en de Kerken” in Latijns Amerika (cfr. Glazik, op.cit., p. 708).
    De uitspraak van Johannes Paulus II dat “er meer licht was dan schaduw”, kan goed op hen toegepast worden. Het zou oneerlijk zijn het persoonlijk offer en de heldhaftigheid te onderschatten van zo velen van deze missionarissen. De conquistadores waren bewogen door een geest van avontuur en winstbejag, maar wat konden zij verwachten door hun vaderland en klooster te verlaten? Ze gingen niet naar ginder om te nemen, maar om te geven; zij wilden zielen winnen voor Christus, geen onderdanen voor de koning van Spanje, zelfs wanneer zij het patriottisch enthousiasme van hun landgenoten deelden. Als men de geschiedenissen leest over de evangelisatie van een bepaald gebied, realiseert men zich hoe onjuist en ver van de waarheid veralgemeningen zijn. Ik had eens de gelegenheid om ter plaatse de kroniek te lezen van de aanvang van de missionering in Guatemala en de omringende gebieden – geschiedenissen van offers en tegenvallers die nauwelijks kunnen herhaald worden. Van een groep 20 dominicanen die naar de Nieuwe Wereld vertrok, stierven er 18 onderweg naar de Filippijnen.
    In 1974 werd een synode gehouden over “Evangelisatie in deze tijd”. In een handgeschreven nota, bij het slotdocument gevoegd (dat de Prefectuur voor de Pauselijke Huishouding samen met het programma van deze preken publiceerde), schreef Paulus VI:
    “Is wat (in het document) gezegd werd, voldoende voor religieuzen? Zouden we er geen woord moeten bijvoegen over het vrijwillige, ondernemende, edelmoedige karakter van de evangelisatie door religieuze mannen en vrouwen? Hun evangelisatie moet afhangen van die van de hiërarchie en ermee gecoördineerd zijn, doch de originaliteit, het genie, de toewijding, dikwijls op de frontlijn en met groot gevaar voor zichzelf, is zeker lofwaardig.”
    Deze erkenning is helemaal toepasselijk op de religieuzen die de protagonisten waren in de evangelisatie van Latijns Amerika, vooral als we denken aan sommige dingen die zij bereikten, zoals de bekende “reducties” van de jezuïeten in Paraguay, dorpen waar christelijke Indianen, beschermd tegen de onrechtvaardigheden van de burgerlijke autoriteiten, konden onderricht worden in het geloof, maar ook hun menselijke talenten konden investeren.

    1. Actuele problemen

    Nu zullen we zoals gewoonlijk proberen verder te gaan en te zien wat deze kort gereconstrueerde geschiedenis van de ervaring van de Kerk inzake missionering, te zeggen heeft voor ons vandaag. De sociale en godsdienstige omstandigheden van het continent zijn zo diep veranderd dat wij in plaats van te benadrukken wat we zouden moeten leren of afleren van die tijden, het nuttig is na te denken over de huidige opdracht van de evangelisatie in het Latijns Amerikaanse continent.
    Over dit onderwerp werd en wordt zo veel nagedacht en het is zo gedocumenteerd door het pauselijk leergezag, door CELAM en de lokale Kerken, dat het van mij vermetel zou zijn nog maar te denken dat ik daar iets zou kunnen aan toevoegen. Maar ik kan enkele gedachten delen vanuit mijn eigen ervaring op dat vlak, omdat ik de gelegenheid had retraites te preken voor bisschoppenconferenties, geestelijken en leken in bijna alle landen van Zuid-Amerika, soms meerdere keren. De problemen op dit vlak in Latijns Amerika verschillen trouwens niet zo veel van die in de rest van de Kerk.
    Een bedenking betreft de noodzaak om een excessieve polarisatie te overkomen, die overal in de Kerk aanwezig is, maar vooral in Latijns Amerika, bijzonder de laatste jaren: de polarisatie tussen actieve en contemplatieve zielen, tussen de Kerk van het sociaal engagement voor de armen en de Kerk die het geloof verkondigt. Wanneer we met verschillen geconfronteerd worden, zijn we instinctief geneigd aan de een of andere kant te belanden, de ene op te hemelen en de andere te misprijzen. De leer over de charisma’s zou ons die twist moeten besparen. De gave van de katholieke Kerk is juist katholiek te zijn, met andere woorden, open om de meest verscheiden gaven van de Heilige Geest te verwelkomen.
    Dat wordt aangetoond door de geschiedenis van de religieuze ordes, die zich aan heel verschillende en soms tegengestelde eisen hebben aangepast: betrokkenheid op de wereld en vlucht uit de wereld, apostolaat onder geleerden, zoals de jezuïeten, en apostolaat onder het volk, zoals de kapucijnen. Er is plaats voor beide. Trouwens, we hebben elkaar nodig; niemand kan het hele Evangelie belichamen en Christus vertegenwoordigen in ieder aspect van Zijn leven. Iedereen zou zich daarom moeten verheugen dat anderen doen wat hij of zij niet kan: dat sommigen het spirituele leven beoefenen en het woord verkondigen en dat anderen zich wijden aan rechtvaardigheid en sociale ontwikkeling, en omgekeerd. De waarschuwing van de apostel is nog altijd geldig: “Laten wij dus voortaan elkander niet veroordelen” (Rom. 14,13).
    Een andere opmerking betreft het probleem dat katholieken de Kerk verlaten voor een andere christelijke kerk. Vooreerst zouden we moeten weten dat deze verschillende kerken niet allemaal en zonder onderscheid sekten kunnen genoemd worden. Met sommige van hen, de Pinksterbeweging inbegrepen, heeft de katholieke Kerk jarenlang een officiële oecumenische dialoog, wat niet het geval zou zijn indien zij de beweging eenvoudigweg zou beschouwen als een sekte.
    De bevordering van deze dialoog, zelfs op lokaal vlak, is de beste weg om het klimaat te verbeteren, de meer agressieve sekten te isoleren en de praktijk van proselitisme te ontmoedigen. Enkele jaren geleden vond in Buenos Aires een oecumenische gebedsbijeenkomst met Schriftlezing plaats, waaraan de katholieke aartsbisschop en leiders van andere kerken deelnamen, in aanwezigheid van zevenduizend mensen. Daar zag men duidelijk de mogelijkheid van een nieuwe band tussen de christenen, veel constructiever voor het geloof en de evangelisatie.
    In één van zijn documenten zei Johannes Paulus II dat de snelle opkomst van de sekten ons dwong tot de vraagstelling: waarom? wat ontbreekt aan onze pastorale methodes? Mijn eigen overtuiging, vanuit de ervaring – niet alleen in Latijns Amerikaanse landen – is deze. Wat buiten de Kerk aantrekkelijk is, zijn zeker niet de alternatieve vormen van volksvroomheid, die de meerderheid van de andere kerken en sekten verwerpen en bestrijden. Maar het is de verkondiging, misschien gedeeltelijk, maar krachtig, van Gods genade, de mogelijkheid om Jezus te ervaren als uw eigen Heer en Verlosser, tot een groep mensen behoren die persoonlijk zorg voor u dragen, die over u bidden wanneer de geneeskunde niets meer te zeggen heeft.
    Als we ons enerzijds kunnen verheugen dat deze mensen Christus gevonden hebben en bekeerd zijn, dan is het triest dat zij daarom voelen dat zij de Kerk moeten verlaten. In de meerderheid der kerken waar deze broeders en zusters terechtkomen, draait alles rond de eerste bekering en de aanvaarding van Jezus als Heer. In de katholieke Kerk is er dank zij de sacramenten, het leergezag en de weelde aan spiritualiteit, het voordeel om niet te stoppen bij dit beginstadium maar de volheid en volmaaktheid van het christenleven te bereiken. De heiligen zijn daar het bewijs van. Maar het is nodig die bewuste en persoonlijke eerste stap te zetten en daarin worden we juist uitgedaagd en gestimuleerd door de evangelische gemeenten en de Pinksterbeweging.
    Wat dit betreft, heeft de Charismatische Vernieuwing bewezen, om het met de woorden van Paulus VI te zeggen, “een kans te zijn voor de Kerk”. In Latijns Amerika zijn de herders van de Kerk zich bewust dat de Charismatische Vernieuwing niet (zoals sommigen aanvankelijk geloofden) een “deel van het probleem” is van de exodus van katholieken uit de Kerk, doch eerder een deel van de oplossing van het probleem. Statistieken zullen nooit aantonen hoeveel mensen door de Vernieuwing trouw gebleven zijn aan de Kerk, omdat zij daarin vonden wat anderen elders zochten. De vele gemeenschappen die vanuit de Charismatische Vernieuwing ontstaan zijn - met de beperkingen en soms afwijkingen, eigen aan ieder menselijk waagstuk - staan op de frontlijn van dienstbaarheid aan de Kerk en de evangelisatie.

    1. De rol van de religieuzen in de nieuwe evangelisatie

    Zoals ik zei, wil ik niet alleen spreken over de eerste evangelisatie. Maar er is een les die we daaruit moeten leren: het belang van de traditionele religieuze ordes voor de evangelisatie. Aan hen wijdde de zalige Johannes Paulus II zijn Apostolische Brief bij de vijfhonderdste verjaardag van de eerste evangelisatie van het continent, onder de titel “Los caminos del Evangelio” (De wegen van het Evangelie, n.v.d.r.). Het laatste deel van de brief handelt precies over de “religieuzen in de nieuwe evangelisatie”: “De religieuzen, die de eersten waren om het Evangelie te brengen en aldus aanzienlijk bijgedragen hebben om het geloof op het continent levend te houden, kunnen niet ontbreken op de afspraak met de Kerk voor de nieuwe evangelisatie. De verscheidenheid aan charisma’s in het gewijde leven brengt de boodschap van Christus tot leven, maakt ze aanwezig en relevant in elke tijd en plaats” (Johannes Paulus II, “Los caminos del Evangelio”, nr. 24 (AAS 83, 1991, pp. 22 ss.).
    Het gemeenschapsleven, een gecentraliseerd bestuur en een vormingshuis van hoge kwaliteit, waren de factoren die toen die grote missionaire uitstraling gaven aan de religieuze ordes. Maar wat is vandaag met hun kracht gebeurd? Zelf behorend tot één van deze oude ordes, kan ik het wagen met een zekere vrijheid te spreken. De snelle daling van de roepingen in de westerse landen veroorzaakt een gevaarlijke toestand: bijna al hun inkomsten worden besteed aan de interne behoeften van hun eigen religieuze familie (opleiding van de jongeren, onderhoud van structuren en werken), terwijl weinig actieve krachten beschikbaar zijn voor de grote Kerk. Het resultaat is dat zij neigen naar binnen te keren. In Europa zijn de traditionele religieuze ordes gedwongen om verschillende provincies te doen samensmelten en met pijn onder ogen te zien dat het ene huis na het andere moet gesloten worden.  
    De secularisatie is natuurlijk één van de redenen voor de daling van de roepingen, maar niet de enige. Er zijn religieuze gemeenschappen van recente stichtingsdatum die veel jonge mensen aantrekken. In de reeds geciteerde brief, moedigde Johannes Paulus II de religieuze mannen en vrouwen van Latijns Amerika aan om te “evangeliseren vanuit een diepe Godservaring”. En dat is, denk ik, waar het op aankomt: “een diepe Godservaring”. Dat is wat roepingen aantrekt en het fundament legt voor een nieuwe en doeltreffende evangelisatiegolf. Het adagio “nemo dat quod non habet” – ge kunt maar geven wat ge hebt – is nooit meer waar geweest dan hier.
    De provinciaal van de kapucijnen in de Marken (Italië, n.v.d.r.), die ook mijn overste is, heeft dit jaar een adventsbrief geschreven naar zijn broeders. Daarin daagt hij ons uit en ik geloof dat alle traditionele religieuze gemeenschappen er goed zouden aan doen daarop acht te slaan:
    “Als u deze lijnen leest, beeld u dan in dat u de Heilige Geest bent. Ja, u heeft het goed gehoord: beeld u in dat u niet alleen vol bent van de Heilige Geest, dank zij de sacramenten, maar dat u de Heilige Geest bent, de derde Persoon van de Heilige Drie-eenheid, en beeld u in dat u in die gedaante de macht hebt een jonge persoon te roepen om een weg op te gaan die hem zal helpen te groeien tot de volmaaktheid van de liefde – ik bedoel natuurlijk het religieuze leven. Zoudt ge dapper genoeg zijn om hem naar uw gemeenschap te brengen, in de vaste zekerheid dat uw gemeenschap de plaats is die hem terdege zou helpen om de volheid van de liefde te bereiken in de concrete realiteit van het alledaagse leven? Pover uitgedrukt, wat ik bedoel is: indien een jonge man enkele dagen of maanden in uw gemeenschap zou komen meeleven, en uw gebed delen, uw gemeenschapsleven, uw apostolaat … zou hij verliefd worden op uw manier van leven?”
    Toen de bedelordes, franciscanen en dominicanen, ontstonden in het begin van de 13e eeuw, trokken de bestaande monastieke ordes er zelfs voordeel uit en maakten zich de oproep tot grotere armoede en meer evangelisch leven eigen, terwijl zij volgens hun eigen charisma bleven leven. Zouden wij vandaag niet hetzelfde moeten doen, wij de traditionele ordes, ten overstaan van de nieuwe vormen van gewijd leven die in de Kerk tot leven gekomen zijn?
    De genade van deze nieuwe realiteiten neemt vele vormen aan, maar ze heeft een gemeenschappelijke noemer, de Heilige Geest, het “nieuwe Pinksteren”. Na het Concilie hebben bijna alle bestaande religieuze ordes hun Constituties herzien en vernieuwd, maar reeds in 1981 waarschuwde de zalige Johannes Paulus II: “Heel het werk van de Kerkvernieuwing, zo providentieel naar voor gebracht en ingezet door het Tweede Vaticaans Concilie – een vernieuwing moet zowel een herziening zijn als een versteviging van wat eeuwig en constitutief is in de zending van de Kerk – kan alleen uitgevoerd worden in de Heilige Geest, dat wil zeggen, met de hulp van Zijn licht en macht” (Johannes Paulus II, Apostolische Brief “Concilie van Constantinopel I” (25 maart 1981).
    “De Heilige Geest”, zo schreef de heilige Bonaventura, gaat “waar Hij bemind wordt, waar Hij uitgenodigd wordt, waar Hij verwacht wordt” (H. Bonaventura, Sermoen voor de IVe zondag na Pasen, 2, uitg. Quaracchi, IX, p. 311). Wij moeten onze gemeenschappen openstellen voor de adem van de Geest die het gebed vernieuwt, het gemeenschapsleven en de liefde voor Christus, en daarmee samen vernieuwt hij de missionaire gedrevenheid. Natuurlijk moeten we achterom kijken, naar onze oorsprong en onze stichters, maar we moeten ook vooruit kijken.
    Kijkend naar de situatie van de oude ordes in de Westerse wereld, komt spontaan de vraag naar boven die Ezechiël hoorde toen hij de verdroogde beenderen in ogenschouw nam: “Zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?”. De verdroogde beenderen waarover hier sprake is, zijn niet de beenderen van de doden, maar van levenden; het is het verbannen volk van Israël dat bleef zeggen: “Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan!” Soms komen dezelfde gevoelens naar boven in degenen onder ons die tot de oude religieuze ordes behoren.
    We kennen het hoopvol antwoord van God op deze vraag: “Ik schenk u mijn geest, zodat ge weer leeft, en laat u op uw eigen grond gaan wonen. Dan zult ge erkennen, dat Ik, Jahwe, doe wat Ik zeg, luidt de godsspraak van Jahwe”. We moeten geloven en hopen dat het laatste deel van de profetie tot vervulling komt, ook voor ons, en voor heel de Kerk: “De levensgeest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een onoverzienbaar leger” (cfr. Ez. 37,1-14).
    Vier dagen geleden, zoals ik bij de aanvang in herinnering bracht, vierde Latijns Amerika het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Guadaloupe. Er is veel discussie rond de historiciteit van de feiten die aan de oorsprong liggen van deze devotie. Maar we moeten begrijpen wat met een historisch feit bedoeld wordt. Er zijn zoveel feiten die geschiedkundig (Engels: “historical”, n.v.d.r.) zijn doch niet beroemd (Engels: “historic”, n.v.d.r.), omdat niet al wat gebeurt, beroemd is in de echte zin van het woord; alleen wat – naast het feit dat het gebeurd is – ook een impact had op het leven van een volk, heeft iets nieuws gecreëerd, heeft een spoor nagelaten in de geschiedenis. En welk spoor heeft de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Guadaloupe nagelaten in de religieuze geschiedenis van het Mexicaanse volk en de Latijns Amerikaanse volken!
    Het is van grote symbolische betekenis dat bij het dagen van de evangelisatie van het Amerikaanse continent, in 1531, op de Tepeyac – de heuvel ten noorden van Mexico Stad, een beeld van de Maagd Maria gedrukt werd in de tilma van de heilige Juan Diego als “la Morenita”, met andere woorden, met de trekken van een meisje van een bescheiden kaste. Er kon geen duidelijkere manier zijn om te zeggen dat de Kerk, in Latijns Amerika, geroepen is  – en wenst  – inheems te zijn met de inheemsen, Creools met de Creolen, alles in allen.
    Vert. Sorores Christi