Eerste adventspreek, door pater Cantalamessa

 
De vreugde van het verkondigen van Jezus en zijn Evangelie


ROME, vrijdag 7 december 2012 (Zenit.org) - « De zalving van de Heilige Geest heeft om zo te zeggen een « zijdelings» effect op de verkondiger: zij doet hem de vreugde ervaren van het verkondigen van Jezus en zijn Evangelie, verklaart ons de predikant van het Vaticaan, pater Raniero Cantalamessa, die zijn eerste Adventspredicatie gehouden heeft deze vrijdagmorgen in tegenwoordigheid van Benedictus XVI en van de Romeinse curie. 
P. Raniero Cantalamessa, ofm cap
Eerste Adventspredicatie 2012


Het JAAR VAN HET GELOOF,
En de Catechismus van de Katholieke Kerk


1. De "pgegeten" boekrol

 

In mijn prediking voor de Romeinse Curie, probeer ik me voor de keuzes van de thema’s te laten leiden door de genaden of de gebeurtenissen die de Kerk op een bepaald ogenblik van haar geschiedenis doormaakt.  Onlangs hebben we de opening van het Jaar van het Geloof gevierd, de vijftigste verjaardag van het tweede Vaticaans Concilie en de synode voor de evangelisatie en het doorgeven van het christelijk geloof. Ik heb dus gemeend er goed aan te doen de meditaties voor de Advent te centreren rond ieder van deze drie gebeurtenissen.
Ik ga beginnen met het Jaar van het Geloof. Om niet te verdwalen in een thema dat zo ruim is als het geloof, ga ik me concentreren op een fragment uit de brief «Porta fidei» van onze Heilige Vader Benedictus XVI, precies op die plaats waar hij een warm pleidooi houdt om van de Katechismus van de Katholieke Kerk, waarvan we dit jaar de twintigste verjaardag van zijn eerste verschijnen vieren, een uitverkoren werktuig te maken om op een vruchtbare manier de genade van dit jaar te beleven.  Ziehier zijn woorden:
« Het Jaar van het Geloof »zou een algemeen engagement moeten uitdrukken voor de herontdekking en de bestudering van de fundamentele inhoud van het geloof die beide in de Katechismus van de Katholieke Kerk hun systematische en organische synthese vinden.Hier ontspringt inderdaad de rijkdom van de leer die de Kerk in de loop van haar tweeduizend jarige geschiedenis ontvangen, bewaard en aangeboden heeft. Van de heilige Schrift naar de Kerkvaders, van de meesters in theologie naar de heiligen in de loop van de eeuwen, biedt de Katechismus een permanent aandenken aan de verschillende wijzen waarop de Kerk gemediteerd heeft over het geloof en toont aldus ook de vooruitgang van de leerstellingen, om de gelovigen in hun geloofsleven een zekerheid aan te bieden.»[1].
Ik ga het vanzelfsprekend niet hebben over de inhoud van de Katechismus van de Katholieke Kerk, over haar indeling en de informatieve criteria; dat zou zijn als de Divina Comedia willen uitleggen aan Dante Alighieri. Ik zou eerder willen pogen aan te tonen hoe men dit boek, dat stom is zoals een kostbaar muziekinstrument dat op fluweel ligt, kan omvormen in een instrument dat speelt en de harten raakt. De Mattheüspassie van Bach is bijna een volle eeuw een schriftelijke partituur gebleven die bewaard werd in de muziekarchieven, tot op het moment dat Felix Mendelssohn haar bekend heeft gemaakt door een magistrale uitvoering ervan in Berlijn in 1829; sedert die dag kent de hele wereld de melodieën en de sublieme koorgezangen die op die weggeborgen partituren stonden.
Zo is het ook een beetje met elk boek dat spreekt over het geloof, ook met de Katechismus van de Katholieke Kerk: men moet overgaan van de partituur naar de uitvoering, van een nietszeggend blad naar iets levendig dat de harten beroert. Het beeld van Ezechiel die ons een boekrol voorhoudt, kan ons helpen begrijpen wat er nodig is opdat dat ook zou kunnen gebeuren :
« Ik keek op en zag een hand die zich naar mij uitstrekte en in die hand zag ik een boekrol. Hij rolde haar voor mij open; ze was beschreven van binnen en van buiten. Er stonden klaagliederen, treurzangen en weeklachten op. Hij zei: ‘Mensenkind, eet wat u voorgehouden wordt, eet deze boekrol op en richt dan het woord tot het volk van Israël.’ Toen opende ik mijn mond en Hij gaf me die boekrol te eten. Hij zei: ‘Mensenkind, laat uw lichaam deze boekrol die Ik u geef, opnemen en verzadig u ermee. Ik at dus de boekrol op: ze smaakte zo zoet als honing.» (Ez 2,9-3,3).
De paus is de hand, die opnieuw de Katechismus van de Katholieke kerk voorhoudt aan de Kerk, en tegen elke katholiek zegt: « Neem dit boek, eet het op en verzadig u ermee». Wat betekent dat een boek «opeten»?  Niet alleen maar het bestuderen, het analyseren, het uit het hoofd leren, maar er vlees van zijn eigen vlees van maken, en bloed van zijn eigen bloed, het helemaal tot onszelf maken, zoals wij materieel ook doen met het voedsel dat we tot ons nemen.  Overgaan van het geloof dat we bestudeerd of verkondigd hebben, naar een doorleefd geloof.
Dat kunnen we niet doen met het boek in zijn geheel, omdat het te dik is, en ook niet met alles wat erin te lezen staat.  We kunnen dat dus onmogelijk op een analytische manier doen, alleen maar als een synthese.  Ik leg het uit. We moeten achter het principe komen dat informeert en het geheel tot een eenheid maakt, als je wil het kloppend hart van de Katechismus van de Katholieke Kerk.  En wat is dat hart?  Niet een dogma, noch een waarheid, een leerstelling of een moreel principe.  Het is een persoon: Jezus Christus! 
« Bladzijde na bladzijde – schrijft de Heilige Vader over de Katechismus van de Katholieke Kerk, in deze zelfde apostolische brief – ontdekt men dat wat er wordt aangeboden geen holle theorie is, maar een ontmoeting met een levende Persoon in de Kerk ».
Als de Heilige Geschriften, zoals Jezus Zelf zegt, over Hem spreken (cfr. Joh 5, 39), als zij vol zijn van Christus en zichzelf samenvatten in Hem, hoe zou dat dan anders kunnen zijn voor de Katechismus van de Katholieke Kerk, die niets anders is dan een systematische uitstalling, bewerkt door de Traditie, onder de leiding van het Leergezag, van deze zelfde Geschriften?  
In het eerste gedeelte, dat aan het geloof is gewijd, verwijst de Katechismus van de Katholieke Kerk naar het grote principe van de heilige Thomas van Aquino die zegt dat « de geloofsact van gelovige niet ophoudt bij wat hij zegt, maar blijkt uit de realiteit ». (« Fides non terminatur ad enunciabile sed ad rem »)[2]. Wat is nu die realiteit, dat uiteindelijke object van het geloof? God, vanzelfsprekend! Maar geen God die wij ons zouden voorgesteld hebben naar de smaak en de willekeur van iedereen, maar God die zich geopenbaard heeft in Jezus Christus, die zich zodanig met hem « identificeert » dat hij zegt: «Wie mij ziet, ziet de Vader » en « Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen.»  (Joh 1,18).
Als we zeggen geloof « in Jezus Christus » dan zien we het Nieuw Testament niet los van het Oude Testament, dan bedoelen we niet dat het ware geloof pas begonnen is bij de komst van Christus op aarde.  Als we dat zouden doen, dan zou Abraham, die we toch « onze vader in het geloof » (cfr. Rom 4,16) noemen, er niet eens bij horen. Door zijn Vader te identificeren met de « God van Abraham, Izaak en Jacob » (Mat 22,32) en met de God « van de wet en de profeten  » (Mat 22,40), verkondigt Jezus dat het Joodse geloof waarachtig is, en wijst hij op het profetisch karakter ervan, als Hij bevestigt dat het over Hem was dat ze spraken. (cfr. Luc 24, 27. 44; Joh 5, 46). Dat maakt in de ogen van de christenen juist het verschil tussen het Joodse geloof en alle andere godsdiensten en het rechtvaardigt het bijzondere statuut dat de dialoog tussen Joden en alle andere godsdiensten inneemt sinds het Tweede Vaticaans Concilie.


2. Kerygma en didachè

 

In het begin van de Kerk, bestond er een duidelijk onderscheid tussen het kerygma en de didachè.  In het kerygma , dat Paulus ook « het Evangelie » noemt, ging het om hoe God zich manifesteert in Jezus Christus en over het paasmysterie van zijn dood en opstanding, die zich vertaalden in korte krachtige zinnen die ons geloof samenvatten, zoals Petrus er enkele gebruikt op de dag van Pinksteren: « Jullie hebben hem gedood door hem aan een kruis te slagen, maar God heeft hem doen opstaan en heeft hem tot Heer gemaakt » (cf. Hand 2, 23-36), of ook nog: « Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden »  (Rm 10, 9).
De didaché daarentegen, verwees naar de leer die onderwezen was aan degenen die het geloof hadden aangenomen, de ontwikkeling daarvan en de volledige geloofsvorming van de gelovigen. Men was ervan overtuigd – vooral Paulus – dat het geloof als zodanig niet zou overleven zonder het kerygma.  Dat was niet de samenvatting van het geloof, ook geen deel daarvan, maar het zaad dat al de rest voortbracht.  Ook de vier evangelies zijn nadien geschreven, precies om dit kerygma uit te leggen.
Hetzelfde geldt voor de oudste kern van het Credo, dat alleen maar over de person van Christus ging, zoals hij zich vertoond heeft in zijn twee naturen: menselijk en goddelijk.  Daarvan vinden we een voorbeeld in de Romeinenbrief, waar men spreekt over Christus « die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, die naar de Heilige Geest is aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden» (Rom 1, 3-4). Maar al vlug is deze oorspronkelijke kern, dit christologisch credo, opgenomen in een bredere context als het tweede artikel van het Symbolum van het geloof, en heeft aldus, omwille van de voorwaarden die noodzakelijk waren om gedoopt te kunnen worden, aanleiding gegeven tot het ontstaan van de symboliek rond de Drievuldigheid, zoals wij die vandaag kennen.
Dit verloop maakt deel uit van wat Newton noemt  « de ontwikkeling van de christelijke leer»; dat is een verrijking en geen verwijdering van het oorspronkelijk geloof.  En vandaag is het aan ons – vooreerst aan de bisschoppen, de predikanten en de catechisten – om het apart karakter van het kerygma opnieuw in het licht te stellen als het moment waarop ons geloof gekiemd is. In de uitvoering van een muziekstuk, om dat beeld te hernemen, zijn er « verhalende » en « gezongen » gedeelten, en in die gezongen gedeelten zijn er hoogtepunten die het publiek beroeren en sterke emoties oproepen, soms zelfs rillingen.  Nu weten we wat dat hoogtepunt is van iedere catechese.
Onze hedendaagse situatie is opnieuw dezelfde als die van de tijd van de apostelen.  De laatsten hadden een prechristelijke wereld voor zich, die ze moesten evangeliseren; wij hebben, tenminste in sommige opzichten en in sommige milieus, een postchristelijke wereld voor ons, die we opnieuw moeten evangeliseren.  Wij moeten hun methode terug opnemen, het « het zwaard van de Geest » terug in het leven roepen, die naar de Geest en Gods macht de aankondiging is van  Christus « die is overgeleverd om onze misslagen en opgewekt is om onze rechtvaardiging » (cfr. Rom 4,25).
Maar het kerygma gaat verder dan de loutere verkondiging van de feiten of van de precieze geloofswaarheden: het is ook een welbepaald geestelijk klimaat dat ge kunt scheppen, ongeacht wat ge zegt, een soort horizon achter alles. Het is aan de verkondiger om, door zijn geloof, de Geest toe te staan die atmosfeer te creëren.
Wat is dan de zin van de Katechismus van de Katholieke Kerk? Dezelfde als, in de apostolische kerk, die van de didaché: het geloof gestalte geven, er inhoud aangeven, haar concrete morele eisen uiteenzetten, het geloof brengen « tot een uiting van liefde » (cf. Gal 5,6).  Een paragraaf uit de Katechismus toont dat duidelijk aan.  Nadat het thomistische principe in herinnering is gebracht, volgens hetwelk « de (geloofs)daad van de gelovige niet blijft staan bij de formulering, maar bij de zaak zelf », wordt eraan toegevoegd :
« Toch benaderen wij deze werkelijkheden met behulp van de geloofsformuleringen;  deze stellen ons in staat het geloof tot uitdrukking te brengen en over te dragen, het in gemeenschap te vieren, het in ons op te nemen en steeds meer vanuit dit geloof te leven. » [3].
Vandaar het belang van het adjectief « katholiek » in de titel van het boek. De kracht van sommige niet-katholieke Kerken bestaat erin om alles toe te spitsen op dit allereerste moment, waarop men het geloof ontdekt, met heel zijn wezen het kerygma beaamt  en waarop men Jezus als Heer aanneemt-, wat men dan « wedergeboorte » noemt of « tweede bekering ». Het kan echter een beperking worden, als men daar ophoudt en als alles blijft draaien om dit (nieuwe) vertrekpunt.
Wij kunnen als katholieken veel leren van deze Kerken, maar wij hebben zelf ook veel te geven. In de katholieke Kerk is dit alles een vertrekpunt, maar zeker niet het einddoel van het christelijk leven. Na deze beslissing, gaat er immers een nieuwe weg open om te groeien en vooruit te gaan in het geestelijk leven.  En door de rijkdom van de sacramenten, door het Leergezag en het voorbeeld van talloze heiligen, bevindt de katholieke Kerk zich in een bevoorrechte situatie om de gelovigen te brengen tot de volmaaktheid van het christelijk leven.  In zijn brief « Porta fidei », schrijft de paus:
« Van de heilige Schrift naar de Kerkvaders, van de meesters in theologie naar de heiligen in de loop van de eeuwen, biedt de Katechismus een permanent aandenken aan de verschillende wijzen waarop de Kerk nagedacht heeft over het geloof en toont aldus ook de vooruitgang van de leerstellingen, om de gelovigen in hun geloofsleven een zekerheid aan te bieden ».

 

3. De inwijding in het geloof [zalving van de H.Geest]

 

Ik heb gezegd dat het kerygma het hoogtepunt is van de catechese.  Maar om daarop aan te sturen, volstaat het niet zijn stem te verheffen, er is iets anders nodig.« Niemand kan zeggen: ‘Jezus is de Heer!’ [het hoogtepunt bij uitstek], tenzij door de Heilige Geest » (1 Kor 12,3). Wat Johannes zegt in zijn eerste brief in verband met de zalving, is ons hier bijzonder dienstbaar.  Hij schrijft:
« Maar ook gij hebt van de Heilige Geest alle inwijding ontvangen, ook gij bezit allen ‘kennis’, […] de inwijding die gij van hem hebt ontvangen, blijft bij u, gij hebt geen andere leraar nodig.  Zijn wijding onderricht u in alles; ze is waarachtig en zonder bedrog.  Blijft in Hem, zoals zij het leert. » (1 Joh 2, 20.27).
De Heilige Geest is de uitvoerder van deze inwijding [zalving], zoals ook elders het feit suggereert dat de functie van « alles te onderrichten » toegeschreven wordt aan de Paracleet als zijnde de « Geest van waarheid » (Joh 14, 26). Het gaat hier – zoals vele Kerkvaders schrijven -, over een « inwijding in het geloof» : « de inwijding die komt van de Heilige Geest, schrijft Clemens van Alexandrië, wordt tastbaar in het geloof». « De inwijding is het geloof in Jezus Christus», schrijft een andere auteur uit dezelfde school. [4].
In zijn commentaar stelt Augustinus in dit verband een vraag aan de evangelist. Waarom, zegt hij, hebt gij die brief geschreven, als degenen tot wie gij u richtte die inwijding ontvangen hadden die alles leert, en die het niet nodig hadden om onderricht te worden?  Wat is de zin van het onderrichten van en spreken tot de gelovigen? En zie hier zijn antwoord, dat gebaseerd is op het thema van de innerlijke Leraar:
« De klank van onze woorden bereikt uw oren, maar de ware Leraar zit van binnen. […] Ik heb tot allen gesproken, maar diegenen tot wie deze inwijding niet spreekt van binnenuit, zij die door de heilige Geest niet van binnenuit onderricht worden, gaan weer weg zonder iets begrepen te hebben. […].  De Meester die onderricht, leert dus van binnenuit ; het is Christus die onderricht ; het is zijn inspiratie die onderricht. [5].
Een onderricht van buiten uit is dus noodzakelijk, er zijn meesters nodig; maar hun stem zal nooit de harten raken, als het onderricht van binnenuit van de heilige Geest het eerste niet komt aanvullen. « Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de Heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen. » (Hnd 5, 32). Door deze woorden die Petrus uitspreekt voor het Sanhedrin, bevestigt Petrus de noodzakelijkheid van de Heilige Geest die van binnenuit spreekt, maar hij geeft ook aan wat de voorwaarde is om die Geest te ontvangen: de beschikbaarheid om te gehoorzamen en zich aan het Woord te onderwerpen.  
Het is die inwijding van de Heilige Geest die doet overgaan van wat gezegd wordt in het geloof naar de realiteit.  Het is een thema dat dierbaar is voor de Heilige Johannes, dat « geloven » ook « kennen » is: « Wij hebben de liefde van God leren kennen en we hebben in haar geloofd » (1 Joh 4,16). « En wij geloven en weten dat gij de Heilige Gods zijt » (Joh 6, 69). « Kennen », heeft in dit geval, zoals trouwens in heel de Heilige Schrift, een andere betekeneis dan degene die wij er vandaag aan geven, nl. een idee of begrip hebben van een bepaalde zaak. Dat betekent dat ge er een ervaring mee hebt, dat ge in relatie treedt met die zaak of die persoon.  Het antwoord van de Heilige Maagd «…daar ik geen man beken », betekende zeker niet dat ze niet wist wat een man was.
Een voor de hand liggend voorbeeld van de inwijding in het geloof is het « Mémorial » van Blaise Pascal, een ervaring die hij heeft doorgemaakt in de nacht van 23 november 1654, en die hij heeft opgeschreven in enkele korte uitroepen, die men na zijn dood gevonden heeft in de voering van zijn jas:
« God van Abraham, God van Izaak, God van Jakob. Niet de God van filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede. God van 'Jezus Christus' […]. Hij laat zich pas vinden op de wegen die het Evangelie leert. […] Vreugde, vreugde. Vreugde, tranen van vreugde. […] Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus. »[6].
In het algemeen ervaart ge die inwijding in het geloof, als het licht van de Heilige Geest valt op het Woord van God, of op een geloofsverklaring, een moment dat gewoonlijk gepaard gaat met een sterke emotie. Op een keer luisterde ik naar de eerste lezing uit de profeet Daniel in de eucharistie van het feest van Christus Koning, over de Mensenzoon: 
«  In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. [14] Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan. » (Dn 7,13-14).
We weten dat die profetie van Daniel vervuld is geworden in het Nieuw Testament in Jezus: hij heeft ze op zichzelf betrokken voor het sanhedrin (cf. Mat 26, 64); een zin uit die profetie is opgenomen in het Credo: « en aan zijn Rijk komt geen einde» (« cuius regnum non erit finis »). Ik wist dat alles, omdat ik het geleerd had, maar toen was het anders.  Het was alsof het tafereel zich vóór mijn ogen afspeelde.  Ja, die Mensenzoon die dichterbij kwam, was Jezus zelf.  Op dat ogenblik leken mij alle twijfels, en alle mogelijke verklaringen van de wijzen, die ik had moeten studeren, alleen maar voorwendsels om niet te geloven. Zonder het te weten, ervaarde ik toen een inwijding in het geloof [zalving van de Heilige Geest].
Een andere keer ( ik denk dat ik het ooit al eens verteld heb, maar het zal helpen om het beter te begrijpen) concelebreerde ik de middernachtmis samen met Johannes Paulus II in de Sint-Pietersbasiliek.  Het ogenblik brak aan dat we de plechtige aankondiging gingen zingen van de geboorte van de Redder, zoals het staat in het oude Martyrologium en opnieuw is opgenomen in de kerstliturgie na Vaticanum II:
« Vele eeuwen na de schepping van de wereld …
Dertien eeuwen na het vertrek uit Egypte …
Op de honderd vijfennegentigste Olympiade,
In het jaar 752 van de stichting van Rome …
In het tweeënveertigste regeringsjaar van keizer Augustus …
is Jezus Christus, eeuwig God en Zoon van de eeuwige Vader, ontvangen door de Heilige Geest, en negen maanden na zijn ontvangenis in de Maagd Maria, mens geworden en geboren in Bethlehem in Judea … ».
Bij deze laatste woorden kwam er een grote zekerheid in mij en ik zei tegen mezelf « Het is waar! Al wat we zingen is waar! Dit zijn niet alleen maar woorden.  De eeuwige is dus binnengetreden in de tijd. De laatste gebeurtenis in de reeks heeft heel de reeks uit mekaar doen spatten; hij heeft een « ervoor» en een « erna » geschapen, die onomkeerbaar zijn.  Tot dan toe rekende men in functie van verschillende gebeurtenissen (de zoveelste olympiade, het zoveelste regeringsjaar van die of die), maar vanaf dan rekent men in functie van één enkele gebeurtenis: vóór hem en ná hem. Een plotse emotie maakte zich van mij meester, en al wat ik kon stamelen was: « Dank, allerheiligste Drieëenheid, en dank ook aan u, heilige Moeder van God! »
De zalving [inwijding]van de Heilige Geest heeft a.h.w. een nieuw « zijdelings » effect op de verkondiger: zij doet hem de vreugde ervaren van Jezus en zijn Evangelie te verkondigen. Zij buigt de plicht van het verkondigingswerk om in een eer en een reden tot fierheid. Het is de vreugde van de bode die in een belegerde stad de boodschap komt brengen dat de staat van beleg is opgeheven, of van de heraut in de oudheid die in de stad de eindoverwinning kwam melden die het leger behaald had in de beslissende slag.  Het « goede nieuws » veroorzaakt eerst vreugde bij degene die haar brengt, nog vóór de vreugde van wie de boodschap ontvangt.
Het visioen van Ezechiel van de boekrol die wordt opgegeten heeft zich nog eens letterlijk voorgedaan in de geschiedenis, niet alleen maar in overdrachtelijke zin.  Het is op het ogenblik dat de boekrol van het woord van God, zich toegespitst heeft op één enkel woord, hét Woord.  De Vader heeft het aangeboden aan Maria; Maria heeft het ontvangen, heeft het ook letterlijk helemaal tot zich genomen in haar schoot, en heeft het nadien aan de wereld gegeven. Maria is het model van alle evangelisten en alle catechisten: zij leert ons om ons helemaal te laten vullen met Jezus, om Hem nadien door te geven aan anderen. Maria heeft Jezus « ontvangen van de Heilige Geest » en zo zou het moeten gaan bij elke verkondiger.
De Heilige Vader eindigt zijn brief voor het Jaar van het Geloof door te verwijzen naar de heilige Maagd : « Laten we deze tijd van genade in de handen leggen van Maria, zij die « zalig genoemd wordt omdat zij geloofd heeft » (Luc 1, 45) [7]. Laten we haar vragen om ons de genade te bekomen om dit Jaar van het Geloof talloze keren deze inwijding in het geloof te mogen ervaren: « Virgo fidelis, ora pro nobis », Gelovige Maagd, bid voor ons.
***
Vertaling uit het Frans: Jeanine Gilis
Noten:
[1] Benedictus XVI, Apostolische brief « Porta fidei », n.11
[2] Sint-Thomas van Aquino, Summa theologiae, II-II, 1, 2, ad 2; cit. in KKK, n.170.
[3] KKK, n. 170
[4] Clemens van Alexandrie, Adumbrationes in 1 Johannis (PG 9, 737B); Paaspreken SCh 36, p.40): teksten aangehaald door I. de la Potterie, De inwijding in het geloof van de christen, dans Biblica 40, 1959, 12-69.
[5] Sint-Augustinus, Commentaar op de Eerste Brief van Johannes 3,13 (PL 35, 2004 s).
[6] B. Pascal, Mémorial, uitg. Brunschvicg.
[7] « Porta fidei », n. 15.