Tweede Adventspredikatie 2012.

P. Cantalamessa 14-12-2012

 

De Leessleutel van Vaticanum II: de Heilige Geest

 

Rome, vrijdag 14 december 2012 (Zenit.org.) “Wat kan de paradox oplossen, en wat laat ons toe te spreken over nieuwheid in continuïteit en permanentie in de verandering, tenzij de actie van de H. Geest” verklaart P. Cantalamessa. Hij preciseert verder: “De H. Geest zegt niets nieuw, creëert geen nieuwe sacramenten of nieuwe instellingen. Maar Hij vernieuwt voortdurend de woorden, sacramenten en instellingen die Jezus creëerde.”

De Predikant van het Pauselijk Huis hield op 14 december in het Vaticaan zijn tweede homilie van de Advent, in tegenwoordigheid van Benedictus XVI en de Romeinse Curie.

 

Het Tweede Vaticaans Concilie: vijftig jaar later
Een leessleutel

 

1. Het Concilie: hermeneutiek van breuk en continuïteit

 

In deze tweede meditatie wil ik graag nadenken over het tweede, belangrijke motief dat dit jaar gevierd wordt: de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie.

De laatste decennia zagen wij hoe vaak men getracht heeft een balans op te maken van Vaticanum II [1]. Het loont de moeite niet dit spoor te vervolgen. Bovendien hebben wij er de tijd niet toe. Parallel met deze analyses, was er sinds de concilieperiode zelf een poging tot synthetische evaluatie, anders gezegd een zoeken naar een leessleutel voor dit conciliaire gebeuren. Ik wil mij aansluiten bij deze inspanningen en proberen – waarom niet – de verschillende leessleutels te ontcijferen.

Er zijn drie fundamentele leessleutels: ‘aggiornamento’, breuk, vernieuwing binnen de continuïteit. Toen Johannes XXIII het Concilie aan de wereld aankondigde, gebruikte hij voortdurend het woord ‘aggiornamento’, dat dankzij hem tot de universele woordenschat is gaan behoren. De paus gaf in zijn openingstoespraak op het Concilie een eerste uitleg over die term:

“Het XXIe oecumenisch Concilie….wil de katholieke leer in haar geheel, onverminderd en ongewijzigd doorgeven…. Wij hebben echter niet alleen de plicht deze kostbare schat te bewaren alsof wij ons alleen met het verleden bezighouden, maar wij moeten thans blij en zonder vrees het werk aanpakken dat onze tijd vereist en de weg vervolgen, die de Kerk bijna twintig eeuwen gaat. “ [2]

Maar naarmate het werk en de zittingen van het Concilie vorderen, vormen zich twee tegengestelde kampen, naargelang de ene of de andere vereiste die de pausnaar voor bracht, namelijk continuïteit met het verleden of het nieuwe in vergelijking daarmee. Voor deze tweede categorie mensen is de uitdrukking ‘aggiornamento’ synoniem geworden van ‘breuk’, maar in een heel verschillende geest en met heel verschillende bedoelingen, naargelang de oriëntatie. Voor de zogenaamde ‘progressieve vleugel” was het een verovering die met enthousiasme begroet werd. Voor het tegenovergestelde front was het een tragedie voor de hele Kerk.

Tussen die twee fronten – unaniem in hun bevestiging van het feit, maar tegengesteld in hun beoordeling ervan – situeert zich het pauselijk Magisterium dat spreekt over “vernieuwing  binnen de continuïteit”. In de encycliek Ecclesiam suam  herneemt Paulus VI de uitdrukking ‘aggiornamento’ van Johannes XXIII en zegt dat hij ze wilde behouden als de ‘leidraad van zijn programma’. [3] Bij het begin van zijn pontificaat herneemt Johannes-Paulus II het standpunt van zijn voorganger [4] en drukt zich bij verschillende gelegenheden in dezelfde geest uit. Maar het is vooral onze huidige paus Benedictus XVI die uitlegt wat het Magisterium van de Kerk verstaat onder “vernieuwing binnen de continuïteit”. Hij deed dat enkele maanden na zijn verkiezing in zijn toespraak van 22 december 2005 tot de Romeinse Curie. Hier volgen enkele passages:

“De vraag stelt zich, waarom het Concilie door velen in de Kerk tot op de dag van vandaag zo moeizaam onthaald wordt? Wel, alles hangt af van de juiste interpretatie van het Concilie of – zoals we vandaag zouden zeggen – van een correcte hermeneutiek, van de juiste leessleutel en toepassing. Het probleem van het onthaal komt voort uit het feit dat twee tegengestelde hermeneutieken met elkaar geconfronteerd werden en met elkaar in strijd waren. De ene stichtte verwarring, de andere droeg en draagt vrucht, zij het in stilte, maar steeds duidelijker zichtbaar. Aan de ene kant is er een interpretatie die ik de ‘hermeneutiek van de discontinuïteit en van de breuk’ zou noemen. Deze kan niet zelden rekenen op de sympathie van de massamedia en ook op een deel van de moderne theologie. […] Tegenover de hermeneutiek van de discontinuïteit staat de hermeneutiek van de hervorming.”

De Paus geeft toe dat er inderdaad een zekere discontinuïteit en breuk was, die echter niet slaat op de principes en basiswaarheden van het christelijke geloof, maar eerder op historische beslissingen. In dit verband haalt hij de conflictsituatie aan tussen de Kerk en de moderne wereld.  Zij bereikte haar hoogtepunt met de algemene veroordeling van het modernisme onder Pius IX. Maar hij spreekt ook over meer recente situaties zoals door de ontwikkeling van de wetenschappen, met de nieuwe betrekkingen tussen de godsdiensten en hun implicatie op het probleem van de gewetensvrijheid, de tragedie van de Shoah, die een herziening vereiste van de houding tegenover het Joodse Volk.

“Het is duidelijk dat op al deze terreinen, die samen gezien één en dezelfde kwestie uitmaken, een zekere vorm van discontinuïteit kon ontstaan en dat zich in zekere zin een discontinuïteit manifesteerde waarbij echter geen afstand gedaan werd van de continuïteit van de principes, eens dat het onderscheid gemaakt was tussen de concrete historische situaties en hun vereisten – een feit dat op het eerste zicht gemakkelijk over het hoofd kan gezien worden. Juist in het samenspel van continuïteit en discontinuïteit op verschillende niveaus ligt de natuur van de ware hervorming.”

Als wij op het axiologische plan, d.w.z. van de principes en waarden, overgaan naar het chronologische plan, dan kunnen wij zeggen dat het Concilie een breuk en discontinuïteit brengt ten overstaan van het recente verleden van de Kerk, doch continuïteit ten overstaan van zijn verre verleden. Op zoveel punten, maar vooral op het centrale punt, namelijk de gedachte over de Kerk, heeft het Concilie inderdaad een terugkeer naar de oorsprong, naar de bijbelse en pratistieke bronnen van het geloof willen zijn.

De interpretatie van het Concilie door het Magisterium zelf, namelijk van het nieuwe binnen de continuïteit, had een voorloper in het ‘Essay over de ontwikkeling van de christelijke leer’ van kardinaal Newman, om die reden dikwijls ‘de afwezige concilievader’ genoemd. De zalige John Newman toont dat, wanneer het om een belangrijke filosofische idee gaat of over een religieuze overtuiging zoals het christendom, “men bij de aanvang geen idee heeft van haar potentieel vermogen en de doelstellingen die ze beoogt. […]  Naargelang de nieuwe relaties waarmee ze geconfronteerd wordt, ontstaan gevaren en hoop, en verschijnen de oude principes opnieuw  onder een andere vorm. Deze filosofie idee verandert samen met hen, om steeds zichzelf te blijven. In een bovennatuurlijke wereld gaat dat anders, maar hier op aarde betekent ‘leven’ veranderen en is volmaaktheid het resultaat van veel transformaties” [5] (eigen vertaling).

De heilige Gregorius de Grote was deze overtuiging in zeker zin voor. Hij zegt dat de Schrift “cum legentibus crescit”, “groeit met wie haar leest” [6]. Dit wil zeggen dat zij vordert in de mate dat zij gelezen en beleefd wordt op het ritme van nieuwe vragen en nieuwe uitdagingen die zich in de loop van de geschiedenis stellen. Dus de leer van het geloof verandert, ten einde trouw te blijven aan zichzelf. Zij verandert naargelang de historische wisselingen, niet om in haar wezen te veranderen, zoals Benedictus XVI zei.

De taal is een banaal maar veelzeggend voorbeeld. Jezus sprak de taal van Zijn tijd, geen Hebreeuws - dat was de officiële taal en de taal van de Schrift (het Latijn van toen) - maar Aramees, zoals het gewone volk. Trouw aan dit oorspronkelijk gegeven betekent niet dat de toekomstige toehoorders van het Evangelie in het Aramees moeten toegesproken worden. Grieken moeten in het Grieks, Latijnen in het Latijn, Armeniërs in het Aramees, Kopten in het Koptisch worden toegesproken en zo verder tot in onze tijd. Zoals kardinaal Newman zei, juist door te veranderen blijft men meestal trouw aan de oorspronkelijke aanwijzingen.

 

2. De letter doodt, de Heilige Geest schenkt leven

 

Met alle respect en bewondering voor de immense pionierbijdrage van kardinaal Newman kunnen wij anderhalve eeuw na zijn essay en in het licht van alles wat het christendom ondertussen heeft meegemaakt, niet anders dan een leemte vaststellen in de ontwikkeling van zijn argumentatie: een bijna totale afwezigheid van de Heilige Geest. In de dynamiek van de ontwikkeling van de christelijke leer wordt geen rekening gehouden met de dominerende rol die Jezus aan de Vertrooster voorbehouden heeft om aan de leerlingen de
waarheden te openbaren die zij “ nu nog niet konden dragen”  en om hen “te leiden naar de volle waarheid” Joh. 16,12-13).

En inderdaad, hoe kunnen wij anders de paradox oplossen en hoe kunnen wij speken over “het nieuwe binnen de continuïteit” en “wat blijft in de verandering” tenzij door de werking van de Heilige Geest in de Kerk? De heilige Ireneüs had dat perfect begrepen toen hij zei dat de openbaring “iets kostbaars is dat in een kostbare vaas bewaard wordt. Dankzij de Geest van God wordt zij voortdurend verjongd, evengoed als de vaas waarin zij bewaard wordt [7] (eigen vertaling). De H. Geest zegt niets nieuw, creëert geen nieuwe sacramenten of nieuwe instellingen. Maar Hij vernieuwt voortdurend de woorden, sacramenten en instellingen die Jezus creëerde. Hij maakt geen nieuwe dingen, maar maakt alles nieuw!

Deze gebrekkige aandacht voor de rol van de Heilige Geest verklaart grotendeels waarom het Vaticanum II zo moeizaam onthaald werd. De Traditie, in wiens naam sommigen weigerden het Concilie te aanvaarden, was een Traditie waarin de Heilige Geest geen enkele rol speelde. Ze was een geheel van overtuigingen en praktijken die voor eens en altijd waren vastgesteld; ze was niet de golf van de apostolische prediking die vordert en in de loop van de eeuwen verkondigd wordt: zoals men een golf maar vatten als men met haar meegaat, zo ook met de Traditie. De Traditie bevriezen en haar doen verdwijnen – of haar doen ophouden – betekent op zeker ogenblik er een dode Traditie van maken, en niet langer een ‘levende Traditie” zoals Ireneüs haar noemt. De dichter Charles Péguy drukt deze grote theologische waarheid in verzen uit :

“Jezus gaf ons geen dode woorden
die wij in kleine (of grote dozen) moeten opsluiten,
en die wij in ranzige olie moeten bewaren…
zoals Egyptische mummies.
Jezus Christus gaf eens geen ingeblikte woorden
om te bewaren.
Hij gaf ons levende woorden.
tot voedsel. [….]

Het is aan ons, zwakke en vergankelijke mensen,
om deze woorden die in de tijd levend gesproken werden,
te laten leven, te voeden
en levend te houden in de tijd. [8] (eigen vertaling)

Maar zeggen wij er onmiddellijk bij aan het front van het tegengestelde extremisme, de dingen niet anders waren. Daar werd graag gesproken over een “geest van het Concilie”. Maar het ging helaas niet om de Heilige Geest. Met “de geest van het Concilie” bedoelde men dit surplus aan elan, van moed tot vernieuwing, die niet tot de teksten van het Concilie kon doordringen omwille van de weerstand van enkelen en van de noodzaak van een compromis tussen alle partijen.

Ik wil nu trachten te illustreren waarin volgens mij de echte pneumatische interpretatie van het Concilie bestaat, namelijk de rol van de Heilige Geest bij de uitvoering van het Concilie. De H. Thomas neemt een gedurfde gedachte over van de heilige Augustinus in verband met de uitspraak bij Paulus over de letter en de Geest (2 Kor. 3,6):

“De letter betekent elke geschreven wet die buiten de mens blijft, zelfs de morele voorschriften in het Evangelie. Daarom zou zelfs de letter van het Evangelie doden indien de zuiverende genade van het geloof zich er niet bij aansloot” [9] (eigen vertaling).

In diezelfde context zegt de heilige kerkleraar: “De nieuwe wet is in de eerste plaats de genade van de Heilige Geest die de gelovigen geschonken wordt” [10]. De voorschriften van het Evangelie zijn zelf ook de nieuwe wet, doch in materiële zin, zoals de inhoud. De genade van de Heilige Geest is de nieuwe wet in formele zin, want zij geeft de kracht om de evangelische voorschriften in praktijk te brengen. Paulus noemt ze “de wet van de Geest die leven geeft in Jezus Christus” (Rom. 8,2).

Dit is een universeel principe dat geldt voor iedere wet. Indien de evangelische voorschriften, zonder de genade van de H. Geest een “woord zouden zijn dat doodt”, wat dan te zeggen van de voorschriften van de Kerk, en wat moeten wij dan zeggen in ons geval over de decreten van het Vaticanum II? De inworteling of toepassing van het Concilie gebeurt dus niet recto tramite.  We moeten ze niet zoeken in de letterlijke en bijna mechanische toepassing van het Concilie maar “in de Geest”. Hieronder verstaan we de Heilige Geest, en niet een vage “geest van het Concilie” die openstaat voor ieder subjectivisme. Het pauselijk Magisterium heeft deze eis als eerste erkend. Johannes-Paulus II schreef in 1981:

“Heel de vernieuwing van de Kerk die het Tweede Vaticaans Concilie providentieel aanbood, - vernieuwing die tegelijk ‘aggiornamento’ moet zijn én bevestiging  van wat eeuwig is en constitutief voor de zending van de Kerk – kan slechts gerealiseerd worden in de Heilige Geest, dit wil zeggen met behulp van Zijn licht en kracht “ [11] (eigen vertaling).

 

3. Waar moeten wij de vruchten het Tweede Vaticaans Concilie zoeken?

 

Heeft het ‘nieuwe Pinksteren’ dat verwacht werd, echt plaatsgevonden? Een van de beste kenners van Kardinaal Newman, Ian Ker, heeft heel de bijdrage van Newman belicht, niet alleen om de ontwikkeling van het concilie te begrijpen, maar ook om wat daarna gebeurde [12]. Na de bepaling van de onfeilbaarheid van de paus op het Eerste Vaticaans Concilie in 1870, kwam Kardinaal Newman tot een algemene reflectie over de concilies en de betekenis van hun bepalingen. Hij besloot dat concilies dikwijls een uitwerking kunnen hebben die op dat ogenblik niet begrepen worden door hen die eraan deelnamen.  Dezen kunnen er veel meer of veel minder in zien dan wat de bepalingen later zullen meebrengen.

Aldus deed kardinaal Newman niet anders dan het ontwikkelingsprincipe toepassen op de conciliaire bepalingen, waarvan hij een voorbeeld had gegeven in verband met de christelijke leer in het algemeen. Zoals elke grote idee kan een dogma pas in zijn geheel verstaan worden nadat men er de consequenties en historische ontwikkelingen van gezien heeft. Om zijn beeld te nemen: nadat de stroom, door de oneffen grond die hem zag ontspringen, een bredere en diepere bedding gevonden heeft [13]. Dat is gebeurd met de bepaling van de onfeilbaarheid van de paus : in het verhitte klimaat van dat moment dachten velen er meer in te zien dan de Kerk en de Paus zelf. Deze bepaling heeft elk toekomstig oecumenisch concilie niet overbodig gemaakt, zoals velen op dat moment vreesden of hoopten. Het Tweede Vaticaans Concilie is er het bewijs van [14].

Dit alles wordt bevestigd door het hermeneutische principe van de “geschiedenis van de uitwerkingen” (Wirkungsgeschichte) van Hans-Geog Gadamer. Volgens dit principe is het voor het verstaan van een tekst vereist dat men rekening houdt met de effecten die deze tekst in de geschiedenis heeft veroorzaakt door zich bij die geschiedenis aan te sluiten en ermee in dialoog te treden [15]. Dat gebeurt op een voorbeeldige manier bij een geestelijke lezing van de Schrift. De tekst wordt niet uitsluitend uitgelegd in het licht van wat vooraf gaat zoals dat het geval is bij een geschiedkundige of filosofische lezing, die zich beperkt tot het zoeken naar de bronnen van een tekst. De Schrift wordt ook gelezen in functie van wat volgt. Zo wordt een profetie uitgelegd in het licht van de vervulling ervan in Jezus Christus. En het Oude Testament wordt uitgelegd in het licht van het Nieuwe.

Dat alles werpt een licht op de postconciliaire periode. Ook daar zijn de echte realisaties misschien elders te vinden dan waar wij keken. Wij dachten aan een ‘verandering’ van structuren en instellingen. Wij dachten aan een andere verdeling van de macht. Wij hielden ons bezig met de vraag welke de taal in de liturgie moest gebruikt worden. En wij gaven er ons geen rekenschap van dat deze nieuwigheden heel miniem zijn in vergelijking met de veranderingen die de Heilige Geest aan het bewerken was. Wij dachten de oude kruiken met eigen handen af te breken terwijl God ons Zijn methode aanbood om ze af te breken door er nieuwe wijn in te gieten.

Op de vraag of er een nieuw Pinksteren is geweest, moeten wij zonder twijfel antwoorden : Ja! Wat is er het meest overtuigende teken van? Een nieuwe kwaliteit van christelijk leven waar dit Pinksteren aanvaard werd. Op leerstellig vlak vormen de twee eerste hoofdstukken van Lumen gentium het zwaartepunt van het Tweede Vaticaans Concilie. De Kerk wordt er gedefinieerd als “sacrament” en “volk van God” dat onder de leiding van de Heilige Geest op weg gaat, door Zijn charisma’s bezield en door de hiërarchie geleid. Anders gezegd: een Kerk die mysterie is en instelling, die koinonia is voordat zij hiërarchie is. Johannes-Paulus II heeft deze visie bij het begin van het nieuwe millennium opnieuw gelanceerd door de  toepassing ervan als een prioriteit te zien. [16]

Men stelt zich de vraag: waar is het beeld van de Kerk uit de documenten leven geworden? Waar is het ‘vlees en bloed’ geworden [17]? Waar wordt het christelijk leven beleefd volgens “de wet van de Geest”, met vreugde en overtuiging, door aantrekking en niet door verplichting? Waar wordt met het grootste respect omgegaan met het Woord van God? Waar zijn de charisma’s zichtbaar? Waar kan je het verlangen naar de nieuwe evangelisatie en naar eenheid onder de christenen het sterkst voelen?

Het gaat om een innerlijk gebeuren in het hart van de mensen. Daarom kent God alleen het ultieme antwoord op deze vraag. Wat het nieuwe Pinksteren aangaat, zouden wij moeten herhalen wat Jezus over het Rijk Gods zei: “Men kan niet zeggen ‘Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u’.” (Luc., 17,21). Toch kunnen wij de tekens ervan opvangen als wij ons ook over de religieuze sociologie buigen die zich met deze dingen bezig houdt. Vanuit dit standpunt wordt het antwoord op deze vraag gegeven en men hoort het meer en meer: in de Kerkelijke bewegingen!

Iets moet onmiddellijk gepreciseerd wordt. Deze bewegingen in de Kerk omvatten ook, door hun substantie of vorm, die parochies, associaties van gelovigen en nieuwe gemeenschappen waar dezelfde koinonia heerst, en waar dezelfde kwaliteit van christelijk leven hoofdzaak is. Onder deze invalshoek kunnen bewegingen en parochies niet gezien worden in onderlinge tegenstelling of concurrentie, maar verenigd in de realisatie van eenzelfde model van christelijk leven. Onder hen moeten ook de zogeheten “basisgemeenschappen” geteld worden, tenminste waar de politieke factor niet de overhand heeft gekregen op de religieuze factor.

De nadruk moet gelegd worden op de juiste benaming: ‘kerkelijke’ bewegingen en niet ‘lekenbewegingen.” De meesten zijn niet tot stand gekomen door één maar door alle samenstellende delen van de Kerk: leken, zeker, maar ook bisschoppen, religieuze mannen en vrouwen. Zij vertegenwoordigen het geheel van de charisma’s, het “volk van God” uit Lumen Gentium. Het is slechts om praktische redenen (want er bestaat al een Congregatie voor de clerus en een andere voor de religieuzen) dat de “Pauselijke Raad voor de leken” zich over hen ontfermt.

Johannes-Paulus II zag in deze bewegingen en levende parochiale gemeenschappen “de tekens van een nieuwe lente in de Kerk” [18]. Bij verschillende gelegenheden drukte Paus Benedictus XVI zich in diezelfde zin uit [19]. In de homilie van de Chrismamis op Witte Donderdag zei:

“Wie de geschiedenis van de postconciliaire periode bekijkt, kan de dynamiek erkennen van de echte vernieuwing. Zij heeft dikwijls onverwachte vormen aangenomen in bewegingen die vol leven zijn en die de onuitputtelijke levendigheid van de heilige Kerk bijna tastbaar maakt, namelijk de aanwezigheid en de efficiënte werking van de Heilige Geest” (eigen vertaling).

Als wij spreken over de tekens van een nieuw Pinksteren, mogen wij niet vergeten heel speciaal de Charismatische Vernieuwing, of de Vernieuwing in de Geest te vermelden, al was het maar om de uitgebreidheid van dit fenomeen, al is deze beweging strikt genomen,
in feite geen Kerkelijke beweging in de sociologische zin van het woord (er is geen stichter, geen structuur noch eigen spiritualiteit). Zij is veeleer een stroming van genade die bestemd is om zich in de Kerk te verspreiden als een elektrische ontlading in de massa en om eventueel als een onderscheiden realiteit te verdwijnen.

Toen kardinaal Suenens, een van de grote voortrekkers van het Tweede Vaticaans Concilie, in 1973 voor het eerst over dit fenomeen hoorde spreken, was hij een boek aan het schrijven met de titel “De H. Geest – bron van onze hoop”’ In zijn memoires vertelt hij het volgende:

“Ik ben met dit boek gestopt. Ik was van mening dat aandacht voor de werking van de Heilige Geest een kwestie was van de meest elementaire samenhang, hoe verrassend deze manifestatie ook kon lijken. Op het ogenblik dat het Concilie Hem aanroepen had, was ik bijzonder geïnteresseerd in het nieuws over de heropleving van de charisma’s.”

En dit schreef hij toen hij had kennis genomen van het fenomeen en het persoonlijk ervaren had:

“Opeens leken Paulus en de Handelingen van de Apostelen te leven en deel uit te maken van de huidige tijd; wat toen authentiek waar was, leek opnieuw voor onze ogen te gebeuren. Het is de ontdekking van een echte activiteit van de Heilige Geest die altijd werkzaam is, zoals Jezus beloofd heeft. Hij houdt woord. Het is een nieuwe explosie van de Geest van Pinksteren, een vreugde die de Kerk niet meer kende”. [20]

Kerkelijke bewegingen en nieuwe gemeenschappen putten zeker niet alle mogelijkheden en verwachtingen van vernieuwing uit van het Concilie.  Maar zij geven een antwoord aan de belangrijkste ervan, tenminste in Gods ogen.  Zij zijn niet vrij van zwakheden en soms van gedeeltelijke afwijkingen. Maar welke andere grote nieuwigheid heeft de geschiedenis van de Kerk gekend zonder menselijke fouten?  Heeft zich dat niet ook voorgedaan bij het begin van de XIIIe eeuw bij de verschijning van de bedelorden?  Ook in die periode waren het de pausen, Innocentius III in het bijzonder, die dit genademoment als eersten erkend en aanvaard hebben en de rest van het episcopaat uitnodigden om hetzelfde te doen.

 

4. Trouw aan een belofte

 

Wij stellen ons dan de vraag: welk is de betekenis van het Concilie verstaan als het geheel van documenten die het heeft voortgebracht: Dei Verbum, Lumen gentium, Gaudium et spes, Nostra aetate, enz.?  Leggen wij ze aan de kant om alles te verwachten van de Heilige Geest?Het antwoord hierop vinden wij in een zin van Augustinus die de band samenvat tussen wet en genade: “De wet werd gegeven opdat men de genade zou zoeken. En de genade werd gegeven om de wet te onderhouden” [21]. De Heilige Geest ontslaat er ons niet van om de letter, anders gezegd de decreten van Vaticanum II, tot hun recht te laten komen. Integendeel, Hij zet ons aan ze te bestuderen en toe te passen. Bovendien, buiten hun schoolse en academische kader waar zij onderwerp zijn van discussie en studie, is het precies in de genoemde kerkelijke realiteiten dat zij grotere waardering genieten.

Ik heb het zelf ondervonden. Ik heb me bevrijd vade n vooroordelen tegen Joden en Protestanten die ik in mijn vormingsjaren had opgedaan, niet omdat ik Nostra aetate gelezen heb, maar omdat ook ik, met de hulp van mijn broeders, het nieuwe Pinksteren ervaren had. Dit heeft mij ertoe gebracht Nostra aetate opnieuw te lezen zoals ik de behoefte gevoeld had de Constitutie Dei Verbum te bestuderen, nadat de Heilige Geest een nieuwe liefde voor het Woord van God en de Evangelisatie in mij had doen ontluiken.  Maar de beweging kan de twee kanten uit. Sommigen  – om Augustinus nog eens  te citeren – worden er door de letter toe gebracht de Geest te zoeken. Anderen worden door de Geest gedreven om de letter tot haar recht te laten komen.

De dichter T.S. Eliot schreef verzen die ons de zin kunnen toelichten van de vieringen voor de vijftigste verjaardag van Vaticanum II:

“Wij mogen nooit ophouden te onderzoeken
en bij einde van onze zoektocht
zullen wij aankomen waar wij begonnen zijn
en zullen wij de passage voor het eerst ontdekken.” [22]

Na zoveel onderzoek en tegenspraak zijn wij ook daar terug aangekomen waar wij begonnen zijn, namelijk bij het Concilie. Maar al het werk hier rond verricht, is niet tevergeefs. Het is slechts nu dat wij in staat zijn “deze passage voor het eerst te ontdekken”, d.w.z. haar echte betekenis te evalueren. Dat konden de concilievaders niet zelf voorzien.

Dat stelt ons in staat te zeggen dat er samenhang is tussen de boom die sinds het Concilie gegroeid is en het zaad ervan. Waaruit is het Concilie eigenlijk voortgekomen?  De woorden die Johannes XXIII gebruikte om de emotie te beschrijven bij “het plots ontluiken van het woord ‘concilie’ in zijn hart en op zijn lippen” [23], vertonen alle tekens van een profetische inspiratie.  In zijn  toespraak bij het einde van de eerste sessie zei hij dat het Concilie “dit nieuwe Pinksteren zou zijn waarnaar zo verlangd werd en dat de Kerk overvloedig zal verrijken met geestelijk energie”. [24].

Vijftig jaren later kunnen wij niet anders dan vaststellen dat God Zijn belofte aan de Kerk gehouden heeft door het woord van zijn nederige dienaar, de zalige Johannes XXIII. Als wij menen dat het alles behalve overdreven is om over een nieuw Pinksteren te spreken omwille van alle problemen en controversen die in de Kerk opgedoken zijn omwille van het Concilie, volstaat het om opnieuw de Handelingen van de Apostelen te lezen en vast te stellen dat de periode na het Eerste Pinksteren evenmin zonder problemen en controversen was. En die waren niet minder levendig als die van vandaag.

 

Voetnoten onveranderd overgenomen uit de Franse tekst. De bronnen waarvan een Nederlandse vertaling bestaat, zijn vermeld zonder specifieke bronvermelding van de Nederlandse tekst. De eigen vertaling van de vertaler is als zodanig vermeld.

[1] Cf. Le Concile Vatican II et actualité du Jubilé, par R. Fisichella, Ed. San Paolo, 2000

[2] Jean XXIII, Discours à l’ouverture du Concile, nr. 6,5

[3] Paulus VII, Enc. Ecclesiam suam, 52, aussi Enseignement de Paul VI, vol. IX (1971), p. 318

[4] Jean-Paul II, Audience générale du 1er août 1979

[5] J.H. Newman, Le développement de la doctrine chrétienne, Bologne, Il Molina 1967, pp. 46 s

[6] Grégoire le Grand, Commentaire du livre de Job XX, 1 (CC 143 A. p. 1003)

[7] S. Irénée, Contre les hérésies, III, 24,1

[8] Ch. Peguy, Le Porche du mystère de la deuxième vertu, La Pléiade, Paris 1975, pp. 588 s.

[9] Thomas d’Aquin, Summa Theologiae, I-II, q. 106, a 2

[10] Ibidem, q. 106, a. ; cfr. Augustin, De Spiritu et littera, 21, 36

[11] Jean-Paul II, Lettre apostolique A Concilio Constantinopolitano I, 25, mars , dans AAAS 73 (1981) 515-527

[12] I.Ker, Newman, the councils and Vaticanum II, in “Communio”. International Catholic Review, 2001, pp. 708-728

[13] Newman, op. cit. p. 46

[14] Een nog evidenter voorbeeld is wat er op het Oecumenisch Concilie van Efese (431) gebeurde. De bepaling van Maria als ‘Theotokos, Moeder van God, in de intenties van het Concilie maar vooral van zijn promotor Cyrillus van Alexandrië, moest uitsluitend dienen om de eenheid van Christus te bevestigen.  Deze bepaling tekent het begin van de immense bloei van de devotie tot de heilige Maagd en de bouw van de eerste basilieken tot haar eer, onder meer de Santa Maria Maggiore in Rome.  De definitie van de eenheid van de Persoon van Christus werd in een andere context en op een meer evenwichtige manier gegeven in het concilie van Calcedonië in 451.

[15] Cf. H.G. Gadamer, Wahrheit und Methode, Tübingen 1960.

[16] Novo millennio ineunte, 42

[17] I. Ker, act. cit. p. 727

[18] Jean-Paul II, Novo millennio ineunte, 46

[19] Cf. Toespraak tot de Kerkelijke bewegingen op de vooravond van Pinksteren 2006 in: The Beauty of Being a Christian. Movements in the Church.  Proceedings of the Second World Congress on the Ecclesial Movements and New Communities (Frascati 31 mai – 1e juin 2006), Roma, Libreria Editrice Vaticana, 2007.


[20] Card. L._J. Suenes, Souvenirs et Espérance, Dublin, Veritas 1992, p. 267

[21] Augustin, De Spiritu et littera, 19, 34

[22] T.S. Eliott, Four Quartets V, The Complete Poems and Plays, Faber & Faber, Londo, 1969, p. 197:

“We shall not cease from exploration
And the end of our exploring
Will be to arrive where we started
And know the place for the first time.”

[23] Jean XXIII, Discours à l’ouverture du concile Vatican II, 11 octobre 1962, 3,1

[24] Jean XXIII, Discours à la clôture de la première phase du Concile, 8 décembre 1962, 1 3,6