Derde Adventspredicatie, door pater R. Cantalamessa

 

De Kerk heeft vandaag meer redenen om zich te verheugen

 

Vertaling uit het Frans: Jeanine Gilis


ROME, vrijdag 21 december 2012 (Zenit.org) –  De Kerk heeft vandaag "meer objectieve redenen om zich te verheugen dan indertijd Zacharias, Simeon, de herders, en in het algemeen heel de pas geboren Kerk", zegt pater Cantalamessa. Zij is inderdaad "als de zaaier die « vol vreugde weerkeert, onder het gewicht van zijn schoven»".
De predikant van het Vaticaan, pater Raniero Cantalamessa, heeft vorige vrijdag 21 december zijn derde en laatste adventspreek gehouden, in tegenwoordigheid van Benedictus XVI en van de Romeinse Curie.


"IK VERKONDIG U EEN GROTE VREUGDE"


Evangeliseren door de vreugde


Na te hebben stilgestaan bij de genade van het jaar van het geloof en de verjaardag van het tweede Vaticaans Concilie, wijden we deze laatste adventspredikatie aan het derde grote thema van dit « genadejaar van de Heer » : de evangelisatie. De paus heeft de Kerk uitgenodigd om gebruik te maken van dit bijzonder jaar om « de vreugde van de ontmoeting met Christus », de vreugde van het christen zijn, te herontdekken. Ik wil deze oproep herhalen door te spreken over de vreugde als middel om te evangeliseren, en ik ga dat doen door zo dicht mogelijk aan te leunen bij de tijd van het liturgisch jaar waarin we nu zijn, wat ons trouwens ook voorbereidt op het aanstaande Hoogfeest van Kerstmis.


1. De eschatologische vreugde


In de « kindsheidevangelies », heeft Lucas « onder de leiding van de Heilige Geest », ons niet alleen feiten en personages weten te brengen, maar hij is er bovendien in geslaagd de sfeer en de geestesgesteldheid te schetsen die heersten toen de feiten zich hebben afgespeeld. De vreugde is een van de meest in het oog springende elementen van die geestelijke wereld.   De christelijke vroomheid heeft zich niet vergist, als zij in de « blijde mysteries » van de Rozenkrans, mysteries van de vreugde, de gebeurtenissen uit de kindsheid van Jezus heeft geëvokeerd.
Aan Zacharias belooft de engel dat hij « verheugd zal zijn en het uitjubelen van vreugde » omwille van zijn zoon en dat vele mensen zich zullen verblijden over zijn geboorte  (cfr. Luc 1, 14). Er bestaat een Grieks woord dat, vanaf dat ogenblik altijd opnieuw in de mond gelegd wordt van verschillende personages als een soort doorlopende aantekening, nl. het woord agalliasis, wat betekent « eschatologische vreugde omwille van het begin van het messiaanse tijdperk ». Bij de woorden waarmee Maria Elizabeth begroet « springt het kind op van vreugde » in haar schoot. (Luc 1, 44), en kondigt aldus de vreugde aan van de « vriend van de bruidegom » omwille van de aanwezigheid van de bruidegom (cfr. Joh 3, 29 ). Deze aantekening bereikt haar eerste hoogtepunt in de uitroep van Maria: « Van vreugde juicht mijn geest (egallìasen) om God mijn redder! » (Luc 1, 47).  Daarna verspreidt die vreugde zich verder in de stille vreugde van de vrienden en de familie rond de wieg van de Voorloper (cfr. Luc 1, 58), om uiteindelijk in al haar kracht los te breken bij de geboorte van Christus in de uitroep van de engel aan de herders « Ik verkondig u een vreugdevolle boodschap »! (Lc 2, 10).
Het gaat hier niet om een fragmentarische vreugde die zich hier en daar voordoet, maar om een ononderbroken toegang tot de vreugde, een diepe rustige vreugde die heel het Kindsheid-evangelie doorloopt vanaf het begin tot op het einde en zich op verschillende manieren manifesteert: met een grote geestdrift, zoals bij Maria die meteen opstaat om zich naar Elizabeth te begeven en bij de herders “om naar de stal te gaan” om het Kind te gaan vinden, of door hun eenvoudige nederige gebaren die typisch zijn voor de stille vreugde bij een bezoek, de begroetingen, de gelukwensen en de gaven. Maar die vreugde manifesteert zich vooral in de stomme verbazing en de ontroerde dankbaarheid die we aantreffen bij de hoofdrolspelers: « God heeft omgezien naar zijn volk en heeft het bezocht! [...] zijn heilige verbond indachtig! » Wat alle bidders gevraagd hadden – dat Hij zijn heilige beloften zou indachtig zijn – is opeens bewaarheid geworden! De personages uit het “Kindsheidevangelie” handelen en spreken  alsof ze gedragen worden door de droomsfeer die bezongen wordt in Psalm 126, de Psalm van de terugkeer uit de ballingschap:
« De Heer bracht Sions ballingen terug,
Het was alsof wij droomden!
Toen lachten alle monden,
En juichte elke tong.
Toen zei men bij de volken;
« De Heer deed aan hen zijn wonderwerken!»
De Heer deed aan ons zijn wonderwerken,
Daarom zijn wij zo blij!».
Maria gebruikt de laatste uitdrukking uit deze Psalm, als zij uitroept: « De Heer deed aan mij zijn wonderwerken ! » Hier hebben we een van de zuiverste voorbeelden van « nuchtere dronkenschap » van de Geest. De dronkenschap van de personages is een waarachtige « geestelijke dronkenschap », maar zij is « nuchter ». Zij zijn niet buiten zichzelf, zijn niet bekommerd of ze nu een meer of minder belangrijke plaats hebben in het gloednieuw koninkrijk van God. Ze vragen zich ook niet af of ze nu de verwezenlijking van het einddoel zelf gaan meemaken; integendeel, Simeon zegt dat de Heer hem nu in vrede mag laten gaan, dat Hij hem van het toneel mag laten verdwijnen. Wat telt, is dat het werk van God verdergaat, of het nu met hen of zonder hen is.  


2. Van de liturgie naar het leven


Laat we nu overgaan van de Bijbel en de liturgie naar het leven. Naar datgene waarop het Woord van God altijd gericht is. De bedoeling van de evangelist is niet alleen maar om te vertellen, maar ook om zijn publiek te boeien, om het mee te slepen, zoals de herders, in een vrolijke stoet naar Bethlehem.  « Wie deze regels leest – geeft een moderne exegeet als commentaar – wordt aangesproken om te delen in die vreugde; alleen de gemeenschap van gelovigen in Jezus Christus en zijn volgelingen is aan deze teksten gewaagd ».
Dit verklaart waarom de Kindheidsevangelies zo weinig te zeggen hebben voor hen die alleen de feiten willen kennen, maar ze zijn juist veelzeggend voor hen die daarnaast ook op zoek zijn naar de diepere zin van het gebeuren, zoals ook de Heilige Vader doet in zijn laatste boek over Jezus.  Vele van die gebeurtenissen hebben ook echt plaats gehad, maar ze zijn niet «historisch » in de strikte zin van het woord, omdat ze geen sporen hebben nagelaten in de geschiedenis, ze hebben niets tot stand gebracht. De gebeurtenissen die te maken hebben met de geboorte van Jezus, zijn historische gebeurtenissen in de sterkste betekenis van het woord, niet alleen omdat ze ook echt gebeurd zijn, maar omdat ze de geschiedenis van de wereld – zelfs op beslissende manier – hebben beinvloed.
Laten we het thema van de vreugde terug opnemen. Waar komt de vreugde vandaan?  De ultieme bron van de vreugde is God, de Drie-eenheid.  Maar wij zijn in de tijd en God is in de eeuwigheid; hoe kan de vreugde dan over en weer stromen tussen twee niveaus die zo ver uit elkaar liggen?  Als we de Bijbel erop nalezen, zien we dat de onmiddellijke bron van de vreugde opwelt in de tijd: het is God die handelt in de geschiedenis. God zelf handelt! Waar een goddelijk handelen « neervalt », ontstaat er een soort siddering en een golf van vreugde die vanaf dan uitdeint van generatie op generatie. Elke keer als God handelt, slaat het wonder de hemel en de aarde met stomme verbazing: « Jubelt hemelen, want Jahweh heeft gehandeld », roept de profeet uit (Jes 44, 23) en « Juicht hemelen! Aarde, jubel! Breekt uit in gejuich » (Jes 49, 13). De vreugde die opwelt in het hart van Maria en van de andere getuigen in het begin van de heilsgeschiedenis, is alleen gebaseerd op deze reden: God is Israël te hulp gekomen! God heeft gehandeld! Hij heeft aan haar zijn wonderwerken getoond!
Hoe kan die vreugde om het handelen van God ook de Kerk van vandaag nog aanspreken en naar haar overslaan? Dat gebeurt op de eerste plaats door de wonderdaden die God aan haar gedaan heeft, indachtig te zijn. De Kerk wordt uitgenodigd om de woorden van de Heilige Maagd tot de hare te maken: « De Almachtige heeft aan mij zijn wonderdaden verricht ». Maria was de eerste die deze hymne heeft aangeheven, zoals een koorleider die het koor voorafgaat, en die ze aan de Kerk heeft nagelaten opdat zij ze de eeuwen door zou blijven zingen. En inderdaad, wat een wonderdaden heeft de Heer niet aan de Kerk verricht in de loop van twintig eeuwen !
Wij hebben in zekere zin, méér objectieve redenen om ons te verheugen dan Zacharias, Simeon, de herders, en in het algemeen heel die pasgeboren Kerk.  Deze laatste is uitgegaan « om te zaaien », zoals de hoger aangehaalde Psalm 126 zegt; zij heeft  beloften ontvangen « Ik ben met u » en richtlijnen « Ga uit naar heel de wereld! ». Wij hebben de vervulling daarvan al gezien. Het zaad heeft wortel geschoten, de boom van het Koninkrijk is reuzachtig geworden.  De Kerk van vandaag is als de zaaier die « zingend weerkeert, beladen met zijn schoven ». (Ps 126, 6)
Hoevele genaden, hoevele heiligen, welk een wijsheid in haar leer en welke een rijkdom van haar instellingen, welk een heil dat voltrokken is, in haar en dankzij haar!  Hoevele woorden van Christus hebben niet in haar hun volkomen vervulling gevonden ?  Welk woord van Christus heeft niet haar volkomen vervulling gevonden in de Kerk? Zonder twijfel het woord « Weliswaar leeft gij in de wereld in de verdrukking » (Jn 16, 33), maar ook het woord: « De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen » (Mt 16, 18).
Hoevele redenen heeft de Kerk niet om de woorden van stomme verbazing van het oude Sion tot de hare te maken, voor haar ontelbare kinderen, en uit te roepen: «  Wie heeft mij deze kinderen geschonken? Ik was toch kinderloos en onvruchtbaar, en wie heeft u grootgebracht? » (Jes 49, 21). En wie, die met de ogen van het geloof achterom kijkt naar de Kerk, ziet niet dat de profetische woorden die tot het Nieuwe Jeruzalem gericht zijn, dat zich na de ballingschap heropgebouwd heeft, helemaal vervuld zijn in de Kerk: « Sla uw ogen op en kijk om u heen : allen verzamelen zich en komen naar u toe.  Uw zonen komen van ver [...]. Uw poorten zullen altijd open staan, [...] want de rijkdommen van de volkeren worden naar u toe gebracht » (Je 60, 4.11).
Hoevele keren heeft de Kerk niet in de loop van die twintig eeuwen de « ruimte van haar tent » moeten verbreden, t.t.z. haar vermogen om te onthalen – ook al is dat soms traag gebeurd en niet zonder tegenkantingen – om er de menselijke en culturele rijkdommen van de volkeren in te laten binnengaan!  Het is aan ons, kinderen van de Kerk, ons, die ons hebben kunnen verzadigen aan « haar luisterrijke boezem » (Jes 66,11), dat de oproep van de profeet gericht is om « ons te verheugen samen met haar » en te « jubelen met haar van blijdschap, gij allen die over haar treurt » cfr. Is 66, 10).
De vreugde om de wonderdaden die God verricht, komt dus tot bij ons, de gelovigen van vandaag, dankzij wat wij indachtig zijn, omdat we de wonderdaden kunnen zien die God voor ons verricht heeft in het verleden. Maar zij komt ook tot ons in haar daadwerkelijke aanwezigheid, omdat we ook vandaag zien dat God aan het werk is onder ons, in de Kerk.
Als de Kerk van vandaag de wegen van de moed en van de vreugde wil terugvinden tussen alle bekommernissen en alle beproevingen die haar teneer drukken, moet ze echt haar ogen openen voor wat God aan het doen is, zelfs doorheen haarzelf.  De vinger van God – dat is de heilige Geest – schrijft nog steeds in de Kerk, in de zielen, en Hij schrijft op dit ogenblik zo’n prachtige geschiedenissen van heiligheid dat we op een dag  - als er definitief zal zijn afgerekend met al wat nu nog negatief en zondig is –  met stomme verbazing en heilig verlangen zullen terugkijken op deze tijd die we nu beleven. Wil dat zeggen dat we de ogen sluiten voor al het kwaad dat de Kerk bedroeft, voor al het verraad van zovelen van haar bedienaars? Nee, maar de wereld en de media zetten al kwaad van de Kerk al meer dan genoeg in de schijnwerpers, en dus is het goed om onze blik ook eens omhoog te richten  en te kijken naar haar lichtende kant, naar haar heiligheid.
In elke tijd – ook in de onze – zegt de Geest tot de Kerk, zoals in de tijd van Deutero-Jesaja : « Van nu af laat Ik u nieuwe dingen horen, geheimen, die u tot dusver onbekend waren.  Nu eerst zijn zij geschapen en niet voorheen. » (Jes 48, 6-7). Deze krachtige adem van de Geest die het volk van God weer tot leven wekt en onder ons nieuwe charisma’s van allerlei soort opwekt, gewone en buitengewone, is dat niet « iets nieuw en onbekend » ? Zijn dat niet: deze nieuwe liefde voor het woord van God? Die actieve deelname van leken aan het leven van de Kerk en aan de evangelisatie? Dat onafgebroken engagement van het leergezag en van de vele organisaties voor armen en mensen in moeilijkheden, en dat verlangen omde verbroken eenheid van het Lichaam van Christus te herstellen?Wanneer heeft de Kerk in de loop van haar geschiedenis zo’n lange reeks vanerudiete en heilige pausen gekend, dan dievan de laatste anderhalve eeuw? Wanneer heeft zij zoveel martelaars voor het geloof gekend?  


3. Een ander verband tussen vreugde en lijden


Laten we het kerkelijk aspect nu even rusten en eens gaan kijken naar wat er gebeurt op existentieel en persoonlijk gebied. Een aantal jaren geleden, stond er tijdens een campagne van de militante vleugel van het atheïsme een publicitaire slogan op het openbaar vervoer in Londen: « God bestaat waarschijnlijk niet. Houd dus op uzelf te kwellen en geniet van het leven »: « There’s probably no God. Now stop worrying and enjoy your life ».
Het verraderlijke van deze slogan zit niet in de vooropgezette stelling « God bestaat niet » (wat nog moet bewezen worden), maar in het besluit: « Geniet dus van het leven! » Die boodschap gaat er dus van uit dat het geloof in God ons verhindert om van het leven te genieten, dat het geloof dus een vijand is van de vreugde. Dat er zonder geloof meer vreugde zou zijn in de wereld! Hier moet een antwoord op gegeven worden: het is een insinuatie die vooral jongeren, verwijdert van het geloof.
In verband met vreugde, heeft Jezus een revolutie voltrokken, waarvan we de draagwijdte moeilijk kunnen onderschatten en die een grote hulp kan zijn in de evangelisatie.  Het is een gedachte die ik hier al eens ontwikkeld heb, maar het is goed er in dit verband nog eens op terug te komen. Er bestaat een universele menselijke ervaring: ons leven is een opeenvolging van vreugde en van lijden, op een ritme waarvan de regelmaat verwijst naar de getijden van de zee, wanneer de golven opzetten en bij het terugtrekken een leegte achterlaten, waarin alles achterblijft wat is aangespoeld. « Iets onnoemelijk bitter – schreef ooit de heidense dichter Lucretius – komt naar boven in het diepste van het genot en beangstigt ons op het hoogtepunt van de zaligheid ». Druggebruik, misbruik van de seksualiteit, moorddadig geweld, geven op het moment van de roes een groot genot, maar leiden tot de morele ondergang van de mens, en zelfs tot zijn lichamelijke ondergang.
Christus heeft dit verband tussen zaligheid en lijden omgedraaid. « In plaats van de vreugde die Hem toekwam, heeft Hij een kruis op zich genomen en de schande niet geteld » (Heb 12,2). Het is geen genot meer dat lijden meebrengt, maar het is lijden dat leidt tot leven en vreugde.  Het gaat hier niet alleen om een andere opeenvolging  van die twee zaken; het is de vreugde in dit geval die het laatste woord heeft en niet het lijden, en deze vreugde is eeuwig.  « Christus, eenmaal van de doden verrezen, sterft niet meer: de dood heeft geen macht meer over Hem. » (Rom 6,9).  Het kruis eindigt met Goede Vrijdag, de zaligheid en de heerlijkheid van de zondag van de Verrijzenis duren voort tot in eeuwigheid.
Dit nieuwe verband tussen lijden en zaligheid zit zelfs al in de wijze waarop in de Bijbel de tijd geritmeerd wordt. Voor de mens begint de dag ’s morgens en eindigt hij ’s avonds.  Voor de Bijbel, begint hij ’s avonds en eindigt hij ’s morgens: « Het werd avond en het werd morgen : dat was de eerste dag.(Gen 1, 5). En ook in de liturgie begint de plechtigheid van een feestdag met de vespers op de vooravond.  Wat betekent dat? Dat zonder God het leven een dag is die eindigt met de nacht, en dat mét God het leven een nacht is ( soms zelfs een «donkere nacht»), maar die uitloopt op een dag, een dag zonder avondschemering.
We moeten echter op onze hoede zijn voor een gemakkelijke opwerping: de vreugde is dus alleen bestemd voor na de dood ? Is dit leven voor christenen dus niet meer dan een « tranendal » ? Integendeel, niemand kan die diepste vreugde beter ten volle ervaren dan de ware christenen.  Er wordt verteld dat een heilige op een dag tot God riep: « Genoeg, mijn God, mijn vreugde is te groot! Mijn hart kan niet méér bevatten ». De gelovigen worden door de apostel Paulus aangespoord om « de hoop hen te laten blij maken », (Rom 12, 12), wat niet alleen betekent dat « ze hopen blij te zijn » (waarmee sitzwijgend bedoeld wordt in het hiernamaals), maar ook dat zij « blij zijn om te hopen », nú blij zijn, dankzij de hoop.
De christelijke vreugde is innerlijk; zij komt niet van buiten, maar van binnen, zoals sommige bergmeren die gevoed worden, niet vanuit een rivier die erin uitmondt, maar vanuit een bron die in hun diepten opwelt. Zij wordt geboren door de mysterieuze en actuele werking van God in het hart van de mens die in staat van genade is. En zij zorgt ervoor dat wij vreugde in overvloed ervaren ondanks de beproevingen (cfr. 2 Kor 7, 4). Zij is « een vrucht van de Geest » (Gal 5, 22; Rom 14, 17), bron van vrede voor de harten, bron van volheid van levensvervulling. Zij stelt ons in staat om te beminnen en zich te laten beminnen, maar bovenal om te hopen, want zij kan geen vreugde ervaren zonder hoop
In 1972, heeft de Raad van Europa, op voorstel van Herbert von Karajan,  als officiële hymne van de Europese Unie, de Ode aan de Vreugde uit het slot van de Negende symfonie van Beethoven aangenomen. Het gaat hier ongetwijfeld om een van hoogtepunten van de wereldse muziek, maar de vreugde die hier bezongen wordt, is een vreugde waar naar verlangd wordt, eerder dan een vreugde die beloofd en gegeven wordt; het is een kreet die opstijgt in het menselijk hart, eerder dan een antwoord op zijn nood. 
In de ode van Schiller, waaruit de tekst van die hymne genomen is, staan de volgende verontrustende woorden: « Wie de vreugde heeft gekend een goede vriend of goede vrouw te hebben, wie, al was het maar een uur, ervaren heeft wat liefde is, dat hij erbij kome; maar dat, wie van dat alles niets ervaren heeft, zich maar van ons in tranen verwijdert ». Hier zien we duidelijk dat de wereldlijke vreugde die mensen kan verzadigen “aan de volle boezem van de natuur” niet voor iedereen is, maar alleen voor enkele bevoorrechten.
We zijn hier ver verwijderd van wat Jezus zegt: « Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken » (Mat 11, 28). De echte christelijke “Ode aan de Vreugde” is het Magnificat van Maria.  Zij spreekt daar van een verheffing (agalliasis) van haar geest om wat God in haar gedaan heeft en om wat Hij doet voor de kleinen en geringen van de aarde.


4. Getuigen zijn van de vreugde


Het is van deze vreugde dat wij de getuigen moeten zijn. De wereld is ernaar op zoek. « Alleen maar dit woord uitspreken – schreef de heilige Augustinus – en allen richten zich weer op en kijken om zo te zeggen naar je handen, om te zien of je hen iets kan geven, waar ze nood aan hebben ». We willen allemaal gelukkig zijn. Dat is iets wat we gemeenschappelijk hebben: zowel de goeden als de slechten. De « goede » is goed omdat hij gelukkig is;  de « slechte » zou niet slecht zijn als hij niet hoopte op de mogelijkheid gelukkig te worden door slecht te zijn. Als we allemaal houden van de vreugde, dan is dat – we weten niet door welk mysterie –omdat we haar gekend hebben; als we haar niet zouden gekend hebben – als we niet voor haar zouden gemaakt zijn – zouden we haar niet zo beminnen.  Dit heimwee naar de vreugde is het deel van het menselijk hart dat op natuurlijke wijze ontvankelijk is om « het goede nieuws » in zich op te nemen.
Als de wereld op de deuren van de Kerk klopt – en zelfs met geweld en woede – dan is dat omdat zij op zoek is naar die vreugde.  Vooral de jongeren willen haar kennen.  De wereld die hen omringt, is somber.  Die triestheid grijpt ons naar de keel, en met Kerstmis nog meer dan in de rest van het jaar. Een triestheid die niet voortkomt uit wat ons ontbreekt aan materiële goederen, want ze is nog groter in de rijke landen dan in de arme landen.
Hoor wat Jesaja in zijn boek zegt tot het volk van God: «Uw eigen broeders die u haten, die u verstoten om mijn Naam, hebben gezegd: Laat Jahweh zijn glorie tonen, wij zullen graag uw vreugde zien! » (Is 66, 5). We horen diezelfde stilzwijgende uitdaging voor het volk van God van vandaag. Een zwaarmoedige en vreesachtige Kerk zou dus niet opgewassen zijn tegen die taak; zij zou geen antwoord kunnen bieden op de verwachtingen van de mensheid, de verwachtingen van de jongeren vooral.
De vreugde is het enige teken dat ook de niet-gelovigen kunnen vatten. Méér dan redeneringen en verwijten. Het mooiste getuigenis van liefde dat een vrouw aan haar man kan geven, is een stralend gezicht, want dat zegt hem dat hij in staat is haar leven te vervullen en haar gelukkig te maken.  Hetzelfde getuigenis kan de Kerk ook geven aan haar goddelijke Bruidegom.
In zijn brief aan de christenen van Filippi, waarin Paulus hen uitnodigt tot een vreugde, die de toon zet van deze hele derde week van de Advent - « Verheugt u in de Heer ten allen tijde, ik zeg het u nog eens, verheugt u! » -, legt Paulus ook uit hoe we concreet van die vreugde kunnen getuigen : « Uw gematigdheid [vriendelijkheid] moet bij alle mensen bekend zijn. » (Fil. 4, 4-5). Het woord « gematigdheid » hier is de vertaling van een Griekse term (epieikès) die een hele reeks gedragingen omschrijft, gaande van zachtmoedigheid, minzaamheid, tot inschikkelijkheid en gebrek aan pietluttigheid. (daar komt ook het woord epicheia vandaan, dat gebruikt wordt in de rechtspraak!).
Christenen zijn dus getuigen van de vreugde als ze al die gesteltenissen tot de hunne maken ; wanneer ze in hun relatie met de wereld en onder elkaar elk spoor van bitterheid of wrok vermijden, en rondom hen vertrouwen uitstralen, aldus God zelf imiterend die het ook laat regenen over de goddelozen.  Iemand die gelukkig is, is over het algemeen niet bitter of pietluttig ; hij weet de zaken te relativeren, omdat hij iets kent dat veel groter is.  In zijn « apostolische exhortatie over de vreugde », die hij geschreven heeft op het einde van zijn potificaat, spreekt Paulus VI over een « positieve blik op mensen en dingen, vrucht van een verlichte menselijke geest en vande Heilige Geest ».
In de onderlinge relaties binnen de Kerk is er grote nood aan dergelijke getuigen van de vreugde.  Sint-Paulus zei over hemzelf en de andere apostelen: « Niet alsof wij heer en meester zijn van uw geloof; in het geloof staat gij vast genoeg.  Wij willen slechts bijdragen tot uw vreugde. » (2 Kor 1, 24). Wat een prachtige defintie van de taak die aan de herders van de Kerk gegeven wordt! Medewerkers zijn van de vreugde : mensen die de schapen van de kudde van Jezus Christus vertrouwen inblazen, moedige leidsmannen, die, met één vredige blik, opnieuw moed geven aan de soldaten zich geëngageerd  hebben in dezelfde veldslag.
Te midden van de beproevingen en de rampen die de kerk op dit moment teneerdrukken, vooral in sommige streken, kunnen de herders, ook vandaag nog de woorden van Nehemia tot de hunne maken, woorden die hij tot het volk van Israël richtte het zich na de ballingschap in tranen was en zich verpletterd voelde: « U mag niet treurig zijn en niet wenen! [...] Wees niet bedroefd, want de vreugde die Jahweh u schenkt zij uw kracht !  » (Ne 8, 9-10).
Dat de vreugde van de Heer, Heilige Vader, Eerbiedwaardige Vaders, broeders en zusters, waarlijk uw kracht zij, de kracht van de Kerk. Zalig Kerstmis !