P. Raniero Cantalamessa, eerste adventspreek

 

Franciscus van Assisi en de hervorming van de Kerk langs de weg van de heiligheid

 

Echte hervorming van de Kerk gebeurt door heiligheid, daarop wijst de weg die de heilige Franciscus van Assisi is ingeslagen, die noch de melaatse heeft omhelsd noch Vrouwe Armoede gehuwd, maar Christus. Hij is de Bruidegom.

De prediker van het Pauselijk Huis, de kapucijn P. Raniero Cantalamessa, gaf in aanwezigheid van paus Franciscus en diens medewerkers, zijn eerste predicatie op de vrijdagen van de Advent, in de kapel Redemptoris Mater van het Vaticaan. Hij keerde terug naar de bron: wat de heilige Franciscus van Assisi zelf over zijn weg van bekering heeft gezegd.

De bedoeling van deze drie Adventsoverwegingen is ons voor te bereiden op Kerstmis in het gezelschap van Franciscus van Assisi. In deze eerste overweging zou ik de aard van zijn terugkeer naar het Evangelie willen belichten. De theoloog Yves Congar ziet Franciscus in zijn studie over de “Echte en verkeerde hervorming van de Kerk” als het duidelijkste voorbeeld van Kerkhervorming door heiligheid. Wij verlangen te begrijpen waarin deze hervorming door heiligheid bestond en wat zijn voorbeeld bijbrengt aan elke tijd van de Kerk, ook aan de onze.

 

  1. 1. De bekering van Franciscus


  2. Om iets te begrijpen van het avontuur van Franciscus, moet men vetrekken van zijn bekering. De bronnen geven verschillende beschrijvingen van deze gebeurtenis, met aanzienlijke verschillen. Gelukkig hebben wij een volkomen betrouwbare bron, die ons ontslaat tussen de verschillende versies te kiezen. Wij hebben het getuigenis van Franciscus zelf, in zijn Testament, zijn ipsissima vox, zoals men zegt van bepaalde woorden van Christus in het Evangelie. Hij zegt: “Zie hoe de Heer mij, broeder Franciscus, de genade gaf om boete te doen: in de tijd toen ik nog in zonde was, was het zien van een melaatse mij onverdraaglijk. Doch de Heer zelf leidde mij bij hen; ik verzorgde hen uit heel mijn hart; en nadien was wat mij zo bitter leek, voor mij naar lichaam en geest in zoetheid veranderd. Toen heb ik niet lang gewacht om de wereld vaarwel te zeggen”.
    Op die tekst baseren de historici zich terecht, doch met een voor hen onoverkomelijke limiet. Zelfs de best gezinden onder hen en zij die het meest respect hebben voor wat Franciscus overkomen was – zoals Raoul Manselli onder de Italianen – komen er niet toe de uiteindelijke reden van zijn radicale omwenteling te vatten. Zij blijven – overeenkomstig hun werkmethode – op de drempel staan en spreken over een “geheim van Franciscus”, bestemd om dat voor altijd te blijven.
    Wat historisch kan vastgesteld worden, is het besluit van Franciscus om van sociaal statuut te veranderen. Hij die tot de welgestelde klasse behoorde, die in de stad aanzien had, omwille van adel of rijkdom, koos het tegengestelde uiterste en deelde het leven van de “laatsten”, van degenen die niet telden, degenen die men de “kleinen” (minores) noemde, getroffen door iedere vorm van armoede. De historici benadrukken terecht het feit dat Franciscus aanvankelijk de armoede niet gekozen had en nog minder het pauperisme; hij had voor de armen gekozen! De reden voor deze verandering onthult eerder het gebod “bemin uw naaste als uzelf”, dan de raad: “wilt ge volmaakt zijn, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen, en kom dan terug om Mij te volgen”. Het was eerder zijn medelijden met de armen dan het nastreven van eigen volmaaktheid dat hem bezielde, eerder de naastenliefde dan de armoede.
    Dat is allemaal waar maar raakt niet de grond van het probleem. Het is het effect, niet de oorzaak van de verandering. De echte keuze is veel radicaler: het gaat niet om de keuze tussen rijkdom en armoede, noch tussen rijken en armen, tussen het behoren tot de ene of de andere klasse, maar om de keuze tussen zichzelf en God, tussen zijn leven redden of het verliezen omwille van het Evangelie.
    Er zijn degenen die tot Christus gekomen zijn vanuit hun liefde voor de armen (bijvoorbeeld, in een tijd die dichter bij de onze ligt, Simone Weil) en anderen die de armen gevonden hebben vanuit hun liefde voor Christus. Franciscus behoort tot deze tweede categorie. De diepe reden voor zijn bekering is niet van sociale aard, maar evangelisch. Jezus had er eens en voor altijd een wet van gemaakt toen Hij één van de meest plechtige en zeker één van de meest authentieke uitspraken van het Evangelie deed:
    “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden” (Mt 16, 24-25).
    Door de melaatse te omhelzen heeft Franciscus zichzelf verloochend in wat in hem het “bitterste” was en wat zijn natuur het meest weerstreefde. Hij heeft zichzelf geweld aangedaan. Dit detail is zijn eerste biograaf niet ontgaan, die het gebeuren als volgt beschrijft:
    “Op een dag ontmoette hij een melaatse op zijn weg: hij deed zichzelf geweld aan, trad op hem toe en kuste zijn hand. Van dat ogenblik af begon hij zichzelf meer en meer te minachten, tot hij zichzelf door Gods genade volkomen overwon.”
    Franciscus is niet spontaan naar de melaatsen gegaan, gedreven door menselijk en religieus medelijden. “De Heer, schrijft hij, heeft mij bij hen gebracht.” Het is over dit klein detail dat de historici geen oordeel konden – noch kunnen - geven, terwijl het aan de oorsprong ligt van alles. Jezus had zijn hart zo voorbereid dat zijn vrijheid de genade op het goede moment wist te beantwoorden. Daartoe had de droom in Spoleto gediend en de vraag wie hij verkoos te dienen: de dienaar of de meester; de ziekte; de gevangenschap in Peruggia en die vreemde onrust die hem belette nog vreugde te vinden in vermaak en die hem eenzame plaatsen deed opzoeken.
    Zonder te moeten denken dat Jezus zelf zich verborg onder de trekken van de melaatse (wat men later gepoogd heeft te doen, verwijzend naar een analoog geval in het leven van de heilige Martinus van Tours), toch vertegenwoordigde de melaatse op dat ogenblik voor Franciscus alle trekken van Jezus. Had deze niet gezegd: “dat hebt ge aan Mij gedaan”? Op dat ogenblik heeft hij tussen zichzelf en Jezus gekozen. De bekering van Franciscus is van dezelfde orde als die van Paulus. Voor Paulus was op een zeker ogenblik wat hij voordien een “voordeel” vond, “verlies” geworden, “omwille van Christus” (Fil 3,5 e.v.); voor Franciscus veranderde wat bitter was in zoetheid, ook hier “omwille van Christus”. Na dat ogenblik kunnen beiden zeggen: “Niet langer ik leef maar Christus leeft in mij”.
    Dat alles verplicht ons een zeker beeld van Franciscus te corrigeren, dat in de latere litteratuur algemeen geliefd geworden is en dat Dante in de Divina Comedia overnam. De bekende metafoor van Franciscus’ bruiloft met Vrouwe Armoede die diepe tekenen nagelaten heeft in de Franciscaanse poëzie en kunst, kan verwarring brengen. Men wordt niet verliefd op een deugd, ook niet op de armoede; men voelt zich sterk aangetrokken door een persoon. De bruiloft van Franciscus was, zoals bij andere mystieken, een huwelijk met Christus.
    Tot zijn gezellen, die hem vroegen of hij van plan was “iemand tot bruid te nemen” nadat ze hem op een avond opvallend afwezig en stralend hadden gezien, antwoordde de jonge Franciscus: “ik zal de edelste en mooiste bruid tot mij nemen die ge ooit gezien hebt”. Gewoonlijk wordt een dergelijk antwoord verkeerd geïnterpreteerd. Als men de context bekijkt, is het duidelijk dat de bruid niet de armoede is, doch een verborgen schat en een zeldzame parel, namelijk Christus. “De Bruid, zegt Thomas van Celano in zijn commentaar bij dit gebeuren, is de ware religie waaraan hij zich wijdde; en het rijk der hemelen, de verborgen schat die hij zocht”.
    Franciscus huwde noch de armoede, noch de armen; hij huwde Christus en het is uit liefde voor Hem dat hij bij wijze van spreken “een tweede huwelijk” aanging met Vrouwe Armoede. In de christelijke heiligheid gaat het altijd zo. Aan de basis van de liefde voor armoede en de armen, is er de liefde voor Christus, zo niet worden de armen altijd op één of andere manier als middel gebruikt en wordt de armoede gemakkelijk een polemisch element tegen de Kerk of een middel om grotere volmaaktheid ten toon te spreiden ten overstaan van anderen binnen de Kerk, wat helaas ook sommige volgelingen van de Poverello overkomen is. Zowel in het ene als het andere geval maakt men van de armoede de ergste vorm van rijkdom, die van de zelfgerechtigheid.
  1. 2. Franciscus en de hervorming van de Kerk

Hoe kon zo een intiem en persoonlijk gebeuren als de bekering van de jonge Franciscus een beweging ontketenen die het gelaat van de Kerk in zijn tijd veranderde en zo een sterke invloed uitoefenen op de geschiedenis, tot op onze dagen?
Men dient de situatie van die tijd onder ogen te nemen. In Franciscus’ tijd was de hervorming van de Kerk een vereiste waarvan iedereen zich min of meer bewust was. Het lichaam van de Kerk beleefde diepgaande spanningen en scheuren. Enerzijds was er de institutionele Kerk – paus, bisschoppen, hoge geestelijkheid – aangetast door eeuwige conflicten of allianties met het keizerrijk. Een Kerk die aanzien werd als afstandelijk, betrokken in aangelegenheden die te veel boven de belangen van de bevolking lagen. Dan kwamen de grote religieuze ordes, dikwijls bloeiend door hun cultuur en spiritualiteit, daarna de verschillende hervormingen van de XIe eeuw waaronder die van de Cisterciënzers, doch fataal gelijkgesteld met de grootgrondbezitters, de feodale heren van die tijd, ook zij zowel betrokken als afstandelijk tegenover de problemen en het levensniveau van de lage bevolking.
Anderzijds was er een bevolkingslaag die van het platteland begon uit te wijken naar de steden, op zoek naar meer vrijheid ten overstaan van verschillende vormen van onderdrukking. Dat gedeelte van de bevolking vereenzelvigde de Kerk met de heersende klassen van wie het zich wilde losmaken. Op slag schaarde het zich gewillig aan de zijde van wie haar tegenspraken en bestreden: ketters, radicale groeperingen en armenbewegingen, en sympathiseerde het met de lage geestelijkheid die zelden spiritueel was, doch dichter bij het volk stond.
Er waren dus grote spanningen waaruit ieder voordeel probeerde te halen. De hiërarchie probeerde op deze spanningen een antwoord te geven door haar organisatie te verbeteren en misbruik te beteugelen, zowel in haar schoot (strijd tegen simonie en concubinaat van priesters) als erbuiten in de schoot van de samenleving. Vijandige groeperingen trachtten daarentegen de spanningen te doen oplaaien door de tegenstelling met de hiërarchie te radicaliseren, wat bewegingen opwekte die min of meer schismatiek waren. Zij scandeerden allemaal het ideaal van armoede en evangelische eenvoud tegen de Kerk, en maakten van dit ideaal eerder een polemisch wapen dan een spiritueel ideaal om in deemoed naar te leven, zodat zelfs het ambt van de Kerk, het priesterschap en pausschap in vraag gesteld werden.
Wij zijn gewoon Franciscus te zien als een providentieel man die deze populaire vernieuwing aangrijpt, ze ontdoet van iedere polemiek en terug tot de Kerk brengt of ze in de Kerk aanwendt, in diepe gemeenschap en onderwerping aan haar. Franciscus is dus een soort bemiddelaar tussen ketterse rebellen en institutionele Kerk. Zie hoe men in een bekend handboek van Kerkgeschiedenis zijn zending beschrijft:
“Omdat de rijkdom en macht van de Kerk dikwijls een bron van groot kwaad toeschijnen en de ketters van die tijd er gebruik van maakten om haar te beschuldigen, sloop in sommige vrome zielen het edele verlangen terug te keren naar het arme leven van Jezus en van de primitieve Kerk, ten einde door woord en voorbeeld meer invloed te hebben op het volk.”
En onder die zielen verscheen heel natuurlijk en op de eerste plaats, met de heilige Dominicus, ook de heilige Franciscus. De protestantse geschiedschrijver Paul Sabatier, aan wie men zo veel verdiensten toeschrijft voor studies over Franciscus, heeft onder historici – en niet alleen onder leken en protestanten - de thesis bijna canoniek gemaakt volgens dewelke kardinaal Ugolin (de latere Gregorius IX) de bedoeling zou gehad hebben Franciscus in de Curie op te nemen om zo het kritische en revolutionaire opzet van zijn beweging te temmen. Concreet was het een poging om van Franciscus een voorloper van Luther te maken, ’t is te zeggen een hervormer langs de weg van de kritiek en niet van de heiligheid.
Ik weet niet of men deze bedoeling kan toeschrijven aan een of andere grote beschermheer en vriend van Franciscus. Het lijkt mij moeilijk dit toe te schrijven aan kardinaal Ugolin en nog moeilijker aan Innocentius III, goed bekend om zijn hervorming en steun aan meerdere nieuwe vormen van geestelijk leven die onder zijn bestuur ontstonden, waaronder Minderbroeders, Dominicanen en de Vernederden van Milaan. In ieder geval, één zaak is absoluut zeker: die bedoeling heeft de geest van Franciscus nooit beroerd. Nooit beeldde hij zich in geroepen te zijn de Kerk te hervormen.
Men dient erop te letten geen verkeerde besluiten te trekken uit de befaamde woorden van het Kruisbeeld in San Damiano: “Ga, Franciscus, en herstel Mijn Kerk die instort, zoals ge ziet”. Zelfs de bronnen garanderen ons dat hij deze woorden in de eerder bescheiden betekenis verstond, dat hij de kleine kerk van San Damiano materieel moest herstellen. Het zijn zijn volgelingen en biografen die deze woorden - niet ten onrechte, het weze gezegd –  interpreteren met betrekking tot de Kerk als instituut en niet alleen tot de kerk als gebouw. Hij is altijd bij zijn letterlijke interpretatie gebleven en hij bleef trouwens andere bouwvallige kerkjes in de omgeving van Assisi herstellen.
De droom waarin Innocentius III de Poverello zou gezien hebben die de kerk van Lateranen met zijn rug schraagt omdat ze dreigde om te vallen, zegt evenmin iets meer over hem. Veronderstellen dat het om een historisch feit gaat (een gelijkaardig feit wordt namelijk ook van de heilige Dominicus verteld), het was de droom van de paus en niet die van Franciscus! Hij heeft zichzelf nooit gezien zoals wij hem vandaag op het fresco van Giotto zien. Dat betekent, hervormer zijn langs de weg van de heiligheid: het zijn, zonder het te weten!

 

  1. 3. Franciscus en de terugkeer naar het Evangelie

Als hij geen hervormer wou zijn, wat wou Franciscus dan wel zijn en wat heeft hij willen doen? Ook hierover hebben wij het geluk over het rechtstreekse getuigenis van de heilige te beschikken in zijn Testament:
“En nadat de Heer mij broeders gegeven had, heeft niemand me getoond wat ik moest doen; doch de Allerhoogste toonde mij dat ik overeenkomstig het heilig Evangelie moest leven. Ik, ik deed deze levenswijze opschrijven, in weinig woorden en eenvoudig, en de Heer de Paus heeft mij dit bevestigd”.
Franciscus verwees naar het ogenblik waarop hij tijdens een Mis, de Evangeliepassage hoorde die vertelt hoe Jezus Zijn leerlingen zendt: “Hij zond hen uit om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten. En Hij vermaande hen: ‘Neemt niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld; niemand van u mag dubbele kleding hebben” (Lc 9,2-3). Het was een flitsende openbaring, van het soort dat een heel leven richting geeft. Vanaf die dag was zijn zending duidelijk: een simpele en radicale terugkeer naar het echte Evangelie, door Jezus beleefd en gepredikt. De levensvorm en levensstijl van Jezus en de apostelen terug invoeren in de wereld, zoals die in de Evangeliën beschreven staan. Hij begint zijn Regel met deze woorden aan zijn broeders:
“De regel en het leven van de minderbroeders is deze : het heilig Evangelie onderhouden van Onze Heer Jezus Christus ».
Franciscus maakt geen theorieën rond zijn ontdekking om er een programma van te maken voor de hervorming van de Kerk. Hij heeft deze hervorming zelf gerealiseerd en zo toonde hij de Kerk stilzwijgend de enige weg die moet gevolgd worden om uit de crisis te geraken: terugkeren naar het Evangelie, dichter bij de mensen staan in het bijzonder bij de eenvoudigen en armen.
Deze terugkeer naar het Evangelie weerspiegelt zich vooral in de prediking van Franciscus. Het is opmerkelijk, maar iedereen stelt het vast: de Poverello spreekt bijna altijd over “boete doen”. Van meet af aan vertelt Thomas van Celano, met grote vurigheid en vreugde, begint hij over boete te prediken en sticht iedereen door de eenvoud van zijn woord en vrijgevigheid van zijn hart. Overal waar hij gaat, zegt Franciscus, drukt hij op het hart, smeekt hij om boete te doen.
Wat verstaat Franciscus onder dat woord dat hem zo aan het hart ligt? Hieromtrent hebben wij (tenminste ik, en heel lang) ons vergist. Wij hebben de boodschap van Franciscus herleid tot een eenvoudige morele oproep, een mea culpa en zich op de borst slaan, treuren en zich versterven om zijn zonden uit te boeten, terwijl die boodschap heel de nieuwheid en adem van Christus’ Evangelie heeft. Franciscus doet geen oproep tot “boetedoeningen” maar tot “boete” (in het enkelvoud!), wat heel iets anders is zoals we zullen zien.
De heilige van Assisi schrijft, naast enkele gekende uitzonderingen, in het Latijn. En wat vinden wij in de Latijnse tekst van zijn Testament, waar staat: “Zie hoe de Heer mij, mij broeder Franciscus, de genade gaf om boete te gaan doen”? Wij vinden daar de woorden “poenitentiam agere”. Men weet dat Franciscus zich graag uitdrukt in de taal van Jezus, met dezelfde woorden. En deze woorden – boete doen – zijn degene die Jezus gebruikte wanneer Hij begon te prediken. En Hij herhaalde die in elke stad waarheen Hij ging:
“Nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. Hij zeide: ‘De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap’ (Mc 1,14-15).
Het woord dat wij vandaag vertalen met “bekeert u” of “berouw hebben” was in de Vulgaat die de Poverello gebruikte, “poenitemini” en in de Handelingen (2,37) nog letterlijker “poenitentiam agite”,doet boete. Franciscus heeft niets anders gedaan dan opnieuw de grote oproep tot bekering lanceren waarmee Jezus’ prediking in het Evangelie begint en die van de apostelen op de dag van Pinksteren. Wat hij met “bekering” bedoelde, behoefde voor hem geen uitleg: zijn leven toonde het.
Franciscus deed in zijn tijd wat men ten tijde van het TweedeVaticaans Concilie hoorde in het wachtwoord “de muren neerhalen”: het isolement van de Kerk doorbreken, haar terug bij de mensen brengen. Één van de factoren van deze verduistering van het Evangelie was de transformatie van gezag als dienstbaarheid, in gezag begrepen als macht, wat eindeloze conflicten veroorzaakt heeft in en buiten de Kerk. Franciscus heeft wat hem betreft, het probleem in Evangelische zin opgelost. In zijn Orde, iets totaal nieuw: de oversten zullen “ministers” genoemd worden, dat wil zeggen dienaars en alle anderen, “broeders”. 
Een andere scheidingsmuur tussen Kerk en volk waren wetenschap en cultuur, waarvan de geestelijkheid en de religieuzen bijna het monopolie hadden. Franciscus ziet dat en daarom neemt hij hieromtrent, zoals bekend, een drastische stelling. Hij heeft niets tegen wetenschap-kennis maar wel tegen wetenschap-macht: die wie kan lezen bevoorrecht tegenover wie niet kan lezen en die de eerste toelaat zijn broeder vanuit de hoogte te bevelen: “breng mij het brevier!”. In het bekende hoofdstuk over de matten, aan broeders die hem ertoe wilden brengen het gedrag over te nemen van de geleerde « orden » van die tijd, antwoordt hij met zulke vlammende woorden dat de schrik, zo leest men, zich meester maakt van de broeders :
“Mijn broeders, mijn broeders, God heeft mij geroepen op de weg van de nederigheid en Hij heeft mij de weg van de eenvoud getoond. Ik wil niet dat u mij over gelijk welke regel spreekt, niet van de heilige Augustinus noch van de heilige Bernardus, noch van de heilige Benedictus. En de Heer heeft mij gezegd dat Hij wil dat ik, ik, een nieuwe dwaas in de wereld ben. En God heeft ons op geen andere weg willen leiden dan van die wetenschap. Maar met uw wetenschap en uw wijsheid zal God u in de war brengen.”
Steeds dezelfde coherente houding. Hij wil voor zichzelf en zijn broeders de strengste armoede, maar in de Regel roept hij hen op “mensen niet te minachten noch te beoordelen die zij bevallig gekleed zien, die gekleurde kleding dragen en fijne voeding en drank gebruiken; doch dat zij eerder zichzelf zouden beoordelen en minachten”. Hij kiest ervoor ongeletterd te zijn, doch veroordeelt de wetenschap niet. Eens dat hij er zeker van is dat wetenschap “de geest van heilig gebed en devotie” niet doodt, zal hijzelf broeder Antonius (de toekomstige heilige Antonius van Padua!) toelating geven zich te wijden aan het onderricht van theologie. En de heilige Bonaventura die het binnen de Orde mogelijk maakt aan de grote universiteiten te studeren, zal niet denken hiermee de geest van de stichter te verraden. 
Yves Congar ziet daarin één van de wezenlijke voorwaarden voor “echte hervorming”, hervorming namelijk die hervorming blijft en geen schisma wordt, met andere woorden de bekwaamheid de eigen intuïtie of het eigen charisma niet te verabsoluteren, doch solidair te blijven met het geheel dat de Kerk is. De overtuiging, zoals paus Franciscus in zijn recente apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium zegt, dat “het geheel boven het deel staat”.


4. Hoe Franciscus navolgen


Wat zegt de ervaring van Franciscus ons vandaag ? Wat kunnen wij van hem nadoen, allemaal, en onmiddellijk? Zowel degenen die God roept tot hervorming van de Kerk door heiligheid als degenen die zich geroepen voelen haar te hervormen door kritiek, of degenen die Hij roept om haar te hervormen door de taken die zij bekleden? Hetzelfde als het uitgangspunt van het geestelijke avontuur van Franciscus: zijn bekering van het ik tot God, zijn zelfverloochening. Zo ontstaan echte hervormers, zij die werkelijk iets in de Kerk veranderen. Zij die aan zichzelf sterven. Of beter, zij die ernstig het besluit nemen aan zichzelf te sterven, wetend dat het gaat om een onderneming die heel het leven duurt, ja het zelfs overstijgt indien, zoals de heilige Theresia van Avila schertste, onze eigenliefde twintig minuten na ons sterft.
Een heilige orthodoxe monnik, Silioeaan van de Berg Athos, zei: “Om echt vrij te zijn, dient men eerst zichzelf te binden”. Zo’n mensen zijn vrij met de vrijheid van de Geest; niets houdt hen nog tegen of maakt hen nog bang. Zij worden hervormers langs de weg van de heiligheid en niet alleen door hun taak.
Maar wat betekent Jezus’ voorstel zichzelf te verloochenen? Is het altijd mogelijk dit aan te bieden aan een wereld die slechts spreekt over zelfrealisatie, zelfbevestiging? Zelfverloochening is nooit een doel op zich, noch een ideaal op zich. Het belangrijkste is het positieve: “als iemand Mij wil volgen”, dat is Christus volgen, Christus bezitten. Nee zeggen aan zichzelf, is het middel; ja zeggen aan Christus, het doel. Paulus stelt het voor als een soort wet van de Geest: “als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven” (Rom. 8,13). Zoals men ziet, is het een “sterven” om te leven, tegengesteld aan de existentiële filosofische visie volgens dewelke het mensenleven “leven om te sterven” is (Heidegger).
Het gaat erom te weten welk fundament wij aan ons bestaan willen geven: ons “ik” of “de Christus”, in de taal van Paulus, of wij willen leven “voor onszelf” of “voor de Heer” (cf 2 Kor. 5,15; Rom. 14,7-8). “Voor zichzelf” leven betekent volgens eigen gerieflijkheid, voor eigen eer en eigen vooruitgang leven; leven “voor de Heer” betekent de glorie van Christus, de belangen van het Rijk Gods en van de Kerk altijd op de eerste plaats zetten, in onze bedoelingen.  Elk “nee”, klein of groot, uit liefde tot zichzelf, is een “ja” aan Christus.
Men dient alleen te vermijden zichzelf illusies te maken. Het gaat er niet om alles over christelijke zelfverloochening te weten, over de schoonheid en noodzaak ervan; het gaat erom over te gaan tot de daad, ze in praktijk te brengen. Een groot geestelijk meester uit de oudheid zei: “Het is mogelijk tien keer in korte tijd zijn eigenwil te breken; en ik zeg u hoe. Iemand is aan het wandelen en ziet iets; zijn gedachte zegt hem: “kijk ernaar”, doch hij beantwoordt zijn gedachte: “nee, ik kijk niet”, en hij breekt zijn wil. Vervolgens ontmoet hij anderen die aan het praten zijn (lees: die over iemand kwaad spreken) en zijn gedachte zegt hem: “zeg ook wat gij weet”, en hij breekt zijn wil door te zwijgen”.
Deze vader uit de oudheid geeft, zoals men ziet, voorbeelden uit het kloosterleven. Doch zij kunnen geactualiseerd en gemakkelijk aangepast worden aan ieders leven, van geestelijken en leken. U zal waarschijnlijk geen melaatse ontmoeten, zoals Franciscus, maar een arme die, u weet het, u iets zal vragen; de oude mens in u spoort u aan de straat over te steken, maar u, u doet uzelf geweld aan en gaat hem tegemoet en geeft hem misschien slechts een groet en een handdruk als u niets meer kan geven. U krijgt de gelegenheid op een ongeoorloofde manier voordeel doen: u zegt nee en u heeft zichzelf verstorven. U werd in één van uw ideeën tegengesproken; gekrenkt, zou u heftig willen  reageren, u zwijgt en wacht: u heeft uw ik gebroken. U denkt dat u onrecht aangedaan werd, een behandeling of bestemming die niet bij uw verdiensten past; u zou het aan heel de wereld willen laten horen door u op te sluiten in stilzwijgend verwijt. U zegt nee, u verbreekt de stilte en neemt de dialoog weer op. U heeft uzelf verstorven en de naastenliefde gered. En zo verder. De bekwaamheid of tenminste de inspanning zich te verheugen over het goede dat men gedaan heeft of de promotie van de andere, alsof het over uzelf ging is een teken dat men reeds goed gevorderd is in de strijd tegen zijn  ik :
“Gelukkig de dienaar – schrijft Franciscus in één van zijn Vermaningen – die zich niet meer verheugd over het goede dat de Heer door hem zegt en doet, dan over het goede dat de Heer zegt en doet door een ander .”
Een moeilijk te bereiken doel  - ik spreek zeker niet als iemand die het al bereikt heeft! maar dat Franciscus bereikt heeft - toont ons wat het resultaat kan zijn van zelfverloochening als antwoord op de genade.  Het einddoel is zoals en met Paulus te kunnen zeggen: “Ik leef niet meer maar Christus leeft in mij”. En dan zal deze aarde reeds, met vreugde en vrede vervuld zijn. De heilige Franciscus is met zijn « volmaakte vreugde » een levende getuige van de « vreugde die voortkomt uit het Evangelie», van de  Evangelii Gaudium  waarover paus Franciscus in zijn recente apostolische Exhortatie spreekt.





vert. Maranatha-gemeenschap