2013-12-20 P. Cantalamessa. Derde adventspreek

Rome (ZENIT.org)

Het mysterie van de menswording gezien door de ogen van Franciscus van Assisi

 

  1. Greccio en de invoering van de kribbe

 

Wij kennen allemaal de geschiedenis van Franciscus waardoor drie jaar voor zijn dood, de traditie van de Kerstkribbe begon; maar het is mooi er bij deze gelegenheid in grote trekken aan te herinneren. Dit is wat Thomas van Celano daarover schreef:

“Ongeveer twee weken voor het feest van de Geboorte, riep de zalige Franciscus een man bij zich die Johannes heette en zei hem: “Als je in Greccio de geboorte van Jezus wil vieren, loop dan vooruit en tref de voorbereidingen die ik je zeg: ik zou het kind in Betlehem willen uitbeelden en op een of andere manier met de ogen van het lichaam zien hoe moeilijk het Kind het had bij gebrek aan wat een pasgeborene nodig heeft, hoe Het in de kribbe lag, tussen de os en de ezel op stro. (…) Toen kwam de dag van vreugde, tijd voor blijheid!  Franciscus kleedde zich als diaken, want dat was hij, en zong met heldere stem het heilig Evangelie: die sterke en aangename stem, helder en welluidend, vervulde ieder verlangen naar de hemel. Daarna sprak hij zeer milde woorden tot de mensen, herinnerde aan de arme pasgeboren Koning en het stadje Betlehem”. Het belang van dit gebeuren berust niet zozeer op het feit zelf, noch op het spectaculaire vervolg dat het binnen de christelijke traditie gekend heeft; doch eerder op het nieuwe waarmee hij zijn begrip van het mysterie van de menswording te kennen geeft. De te eenzijdige, soms zelfs obsessieve nadruk op de ontologische aspecten van de menswording (natuur, persoon, hypostatische eenheid, het taaleigen) heeft dikwijls de ware aard van het christelijk mysterie uit het oog doen verliezen, door het te herleiden tot een speculatief mysterie, dat volgens steeds nauwkeuriger categorieën moet geformuleerd worden doch ver van de mensen staat.

Franciscus van Assisi helpt ons de ontologische kijk op de menswording te integreren in een meer existentiële en godsdienstige kijk. Het gaat er inderdaad niet alleen om te weten dat God mens werd; maar ook welk soort mens Hij is willen worden. De manier waarop Johannes en Paulus het gebeuren van de menswording beschrijven, van elkaar verschillend en complementair, is van belang. Voor Johannes is het Woord dat God was, mens geworden (cf Joh. 1,1-14); voor Paulus heeft Christus “die bestond in goddelijke majesteit …” zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen … En … zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis” (Fil. 2,5 e.v.).  Voor Johannes heeft het Woord dat God was, zich tot mens gemaakt; voor Paulus werd Christus die rijk was, arm (cf 2 Kor. 8,9). Franciscus van Assisi staat in de lijn van de heilige Paulus. Meer dan op de ontologische werkelijkheid van Christus’ mensheid (waarin hij met heel de Kerk vast gelooft), legt hij de nadruk op de nederigheid en armoede van Zijn mensheid– zodanig dat hij erdoor bewogen wordt. Twee dingen konden hem volgens de bronnen tot tranen toe bewegen, namelijk telkens hij hoorde spreken over “de nederigheid van de menswording en de liefde van het lijden”. “Het was hem niet mogelijk niet in tranen uit te barsten als hij dacht aan de arme kleine Maagd wiens nood die dag totaal was. Op een dag herinnerde een broeder aan tafel aan de armoede van de allerzaligste Maagd en de nood van Christus, Haar Kind. Meteen stond Franciscus snikkend op, en nat van de tranen ging hij op de grond zitten om de rest van zijn brood te eten”.

Franciscus heeft terug “vlees en bloed” gegeven aan de mysteries van het christendom die dikwijls “van hun mensheid ontdaan waren” en herleid tot de begrippen en syllogismen van de theologische scholen en boeken. Een Duitse wetenschapper zag in Franciscus van Assisi degene die de voorwaarden geschapen heeft voor het ontstaan van de moderne kunst van de Renaissance in de mate dat hij de personen en gebeurtenissen van de heilsgeschiedenis bevrijd heeft van de gestileerde gestrengheid van het verleden om er leven en concreetheid aan te geven.

 

  1. Kerstmis en de armen

 

Het onderscheid tussen het feit en de manier van de menswording, tussen haar ontologische en existentiële dimensie, interesseert ons omdat het een bijzonder licht werpt op het actuele probleem van de armoede en de houding van de christenen daar tegenover. Het helpt een Bijbels en theologische fundament te geven aan de voorkeur voor de armen, verkondigd door het Tweede Vaticaans Concilie. Indien het Woord zich door dit feit van de menswording namelijk bekleed heeft met elke mens, zoals sommige Kerkvaders zeggen, omwille van de manier waarop de menswording heeft plaats gehad, dan heeft Het zich bijzonder bekleed met de arme, nederige, lijdende mens, en wel in die mate dat Het zich met hen identificeert.

In de arme is de aanwezigheid van Christus zeker niet dezelfde als in de Eucharistie en de andere sacramenten, doch het gaat om een aanwezigheid die eveneens echt is, “reëel”. Hij heeft dit teken “ingesteld”, zoals Hij de Eucharistie heeft ingesteld. Degene die over het brood het woord gesproken heeft: “dit is Mijn Lichaam”, zei het ook over de armen. Hij zei het toen Hij sprekend over wat men al of niet doet voor de hongerige, dorstige, gevangene, naakte en balling, plechtig verklaarde: “dat hebt ge voor Mij gedaan” en “dat hebt ge niet voor Mij gedaan”. Dit staat gelijk met: “die verscheurde mens, die een beetje brood nodig had, die oude man die stierf van de kou, dat was Ik!”. “De concilievaders – zo schreef Jean Guitton, leek en waarnemer op Vaticanum II – hebben het sacrament terug gevonden van de armoede, van Christus’ aanwezigheid onder de gedaante van degenen die lijden”.

Wie niet bereid is de arme te verwelkomen, verwelkomt Christus niet helemaal die zich met hem identificeert. Wie op het ogenblik van de communie met vrome toewijding naar voor gaat om Christus te ontvangen, maar met een gesloten hart voor de armen, gelijkt volgens de heilige Augustinus op iemand die van verre een vriend ziet aankomen die hij vele jaren niet meer gezien heeft. Vol vreugde loopt hij hem tegemoet, trekt zich omhoog op de toppen van zijn tenen om hem op het  voorhoofd te kussen, maar merkt niet dat hij met zijn bespijkerde schoenen de voeten van de andere verplettert. De armen zijn namelijk de blote voeten waarmee Christus nog op deze aarde staat.

Ook de arme is een “vicaris van Christus”, iemand die Zijn plaats inneemt. Vicaris in passieve, niet in actieve zin. Met andere woorden, niet in de zin dat wat de arme doet, door Christus gedaan wordt, maar in de zin dat wat men aan een arme doet, men aan Christus gedaan heeft. Het is waar dat - zoals de heilige Leo de Grote schrijft - na de hemelvaart “al wat zichtbaar was in onze Heer Jezus Christus overgegaan is in de sacramentele tekens van de Kerk” maar het is ook waar dat Hij vanuit existentieel oogpunt, overgegaan is in de armen en in iedereen over wie Hij zei: “dat hebt ge voor Mij gedaan”.

Laten we daaruit een consequentie trekken op Kerkelijk vlak. Johannes XXIII heeft ter gelegenheid van het concilie de uitdrukking “Kerk van de armen” gelanceerd. De zin van die woorden gaat waarschijnlijk verder dan wat men daar op het eerste zicht onder verstaat. De Kerk van de armen omvat niet alleen de armen van de Kerk! Alle armen ter wereld, gedoopt of niet, maken daar in zekere zin deel van uit. Hun armoede en leed zijn hun bloedig doopsel. Als christenen degenen zijn die gedoopt werden in de dood van Jezus Christus (cf Rom. 6,3), wie zijn dan meer gedoopt in de dood van Jezus Christus dan zij?

Hoe zouden we hen op een of ander manier niet als “Kerk” van Christus beschouwen, als Christus zelf verklaarde dat zij Zijn Lichaam zijn? Het zijn “christenen”, niet omdat zij belijden aan Christus toe te behoren, maar omdat Christus beleed dat zij aan Hem toebehoren: “ge hebt het aan Mij gedaan!”. Als er een geval is waarin de omstreden uitdrukking “anonieme christenen” een aannemelijke toepassing kan hebben, is het dat van de armen.

De Kerk van Jezus Christus is dus immens groter dan wat de gangbare statistieken ervan zeggen. Niet alleen bij wijze van spreken maar werkelijk, reëel. Geen enkele stichter van een godsdienst heeft zich zo met de armen geïdentificeerd als Jezus. Niemand heeft verkondigd: “al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25,40), waar “een dezer geringsten van mijn broeders” niet alleen wijst op wie in Jezus Christus gelooft maar - wat iedereen aanvaardt - op elke mens.

Zo is de paus, vicaris van Christus, werkelijk de “vader van de armen”, de herder van die immense kudde, en het is een vreugde en stimulans voor heel het christenvolk te zien hoe deze rol door de laatste pausen ter harte genomen werd en heel in het bijzonder door de herder die vandaag op de stoel van Petrus zetelt. Hij is de stem die zich het meest verheft om hen te verdedigen. De stem van degenen die geen stem hebben. Hij is “de armen” echt “niet vergeten”!

Wat de paus in de recente apostolische exhortatie “Evangelii gaudium” schreef over de noodzaak niet onverschillig te blijven tegenover het drama van de armoede in de huidige wereld, bracht mij een beeld voor de geest. Wij hebben de neiging dubbel glas te plaatsen tussen ons en de armen. Het effect van dubbel glas dat vandaag in de bouw gebruikt wordt, is te isoleren tegen koude, warmte en lawaai: alles komt verzwakt, vervaagd tot ons. Inderdaad, we zien de armen op onze televisieschermen, in onze dagbladen en missietijdschriften bewegen, roepen, doch wij horen hun schreeuw als van heel ver. Hij doordringt ons hart niet. Ik zeg het tot mijn eigen schaamte en ontsteltenis. Het woord “de armen” wekt in rijke landen op wat de kreet “de barbaren!” opwekte bij de Romeinen: ontreddering, verwarring. De Romeinen sloofden zich af om muren op te trekken en legers naar de grenzen te sturen om die te controleren; wij, wij doen hetzelfde, zij het anders. De geschiedenis zegt ons echter dat het allemaal nutteloos is.

Wij wenen en protesteren – terecht! – dat kinderen belet wordt dat ze geboren worden, maar zouden wij dat niet evenzeer moeten doen voor de miljoenen geboren kinderen die men laat sterven van honger, door ziekte, voor soldaatkinderen en kinderen die gedwongen worden elkaar te doden voor belangen waaraan wij, rijke landen, niet vreemd zijn? Zou het zijn omdat de eersten tot ons continent behoren en dezelfde huidskleur hebben als wij, terwijl de anderen van een ander continent zijn en niet onze huidskleur hebben? Wij protesteren – en meer dan terecht! - omdat bejaarden, zieken, gehandicapten geholpen (soms aangespoord) worden om te sterven door euthanasie; maar zouden wij dat niet evenzeer moeten doen voor bejaarden die sterven van de kou of omdat zij aan hun lot overgelaten worden? De liberale wet “leven en laten leven” zou zich nooit mogen transformeren tot de wet “leven en laten sterven”, wat nochtans in heel de wereld gebeurt.

Zeker, de natuurwet is heilig, maar het is precies om ze te kunnen toepassen dat wij terug moeten uitgaan van het geloof in Jezus Christus. De heilige Paulus schreef: “Wat de wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God bewerkt door zijn Zoon te zenden “ (Rom. 8,3). De eerste christenen hielpen de Kerk om haar wetten te veranderen aan de hand van hun gebruiken; wij christenen van vandaag, mogen niet het tegendeel doen en denken dat de Staat met zijn wetten de gebruiken van de mensen mag veranderen. 

 

 

  1. De armen liefhebben, helpen en evangeliseren

Het eerste dat voor de armen moet gebeuren, is dus het dubbel glas breken, onverschilligheid en ongevoeligheid overwinnen. Zoals de paus vraagt, moeten wij aan de armen aandacht geven, een gezonde onrust toelaten omdat zij onder ons leven, dikwijls op twee stappen van ons verwijderd. Wat wij concreet voor hen moeten doen, kan in drie woorden samengevat worden: hen liefhebben, hen helpen, hen evangeliseren.

Van de armen houden. Liefde voor de armen is één van de meest gewone trekken van katholieke heiligheid. In de eerste meditatie zagen wij dat voor de heilige Franciscus, liefde voor de armen, die begint met liefde voor de arme Christus, voorafgaat aan liefde voor de armoede en dat zal hem ertoe te brengen in armoede te leven. Voor bepaalde heiligen, zoals de heilige Vincentius a Paulo, Moeder Theresa van Calcutta en zo veel anderen, was liefde voor de armen zelfs hun weg tot heiliging, hun charisma.

Van de armen houden betekent vooreerst hen respecteren en hun waardigheid erkennen. De radicale waardigheid van de mens schittert des te meer in wie geen andere titels en bijkomstige onderscheidingen hebben. In een kersthomilie zei kardinaal Montini in Milaan: “Een totaalblik op het leven van de mens, in het licht van Christus, ziet in de arme iets meer dan een mens in nood. Hij ziet een broeder die mysterieus met waardigheid bekleed is, die verplicht hem met eerbied te behandelen, hem dienstvaardig te ontvangen, medelijden te hebben ongeacht of hij het verdient”.

Doch, armen verdienen niet alleen ons medelijden; zij verdienen ook onze bewondering. Zij zijn de ware kampioenen van de mensheid. Men geeft ieder jaar bekers, gouden, zilveren, bronzen medailles voor de verdienste, de nagedachtenis of de winnaar van wedstrijden. En misschien alleen voor het feit dat zij in staat waren de honderd meter, een marathon, een slalom één fractie van een seconde minder lang te lopen dan de anderen.

Nochtans, als men ziet tot welke dodelijke sprongen, welke weerstand, welke slaloms de armen soms in staat zijn, en dat niet één keer, maar een heel leven, dan zouden de prestaties van de beroemdste atleten ons kinderspel lijken. Wat is een marathon in vergelijking met bijvoorbeeld wat een riksjaman in Calcutta doet die tegen het einde van zijn leven, het equivalent gelopen heeft van meerdere keren de aardomtrek, in de vreselijkste hitte, met één of twee passagiers, in zwaar beschadigde straten, tussen putten en in slijk, tussen auto’s kronkelend om niet omver gegooid te worden?

Franciscus van Assisi helpt ons nog een krachtiger reden te ontdekken om van de armen te houden: het feit dat zij niet gewoon maar onze “gelijken” of onze “naasten” zijn: zij zijn onze broeders! Jezus zei: “Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders” (Mt. 23,8-9), doch men begreep dit woord alsof het alleen tot de leerlingen gericht was. In de christelijke traditie is een broeder, in de strikte zin van het woord, alleen iemand die hetzelfde geloof deelt en het doopsel ontvangen heeft.

Franciscus neemt dit woord van Christus opnieuw op en geeft er een universele draagwijdte aan, die Jezus zeker ook in gedachten had. Franciscus plaatste werkelijk “heel de wereld in een staat van broederschap”. Hij noemt niet alleen zijn broeders en geloofsgenoten, “broeders”, maar ook de melaatsen, zwervers, de Saracenen, met andere woorden gelovigen en ongelovigen, goeden en slechten, maar vooral de armen. Totaal nieuw is dat hij het begrip “broeder” en “zuster” uitstrekt tot de onbezielde schepselen: zon, maan, aarde, water, zelfs de dood. Dat is vanzelfsprekend eerder van poëtische dan van theologische orde.  De heilige weet goed dat tussen deze schepselen en de mens gemaakt naar Gods beeld, hetzelfde verschil bestaat als tussen de zoon van de kunstenaar en de werken die hij maakte. Dit wil zeggen dat de universele broederschap van de Poverello onbegrensd is.

Deze broederschap is de specifieke bijdrage die het christelijk geloof kan geven om de vrede en de strijd tegen de armoede te vergroten, zoals het thema van de volgende Werelddag voor de Vrede suggereert: “Broederschap, fundament en weg voor vrede”. Laat ons goed bedenken dat dit het enige ware fundament is, geen slap fundament. Welke zin heeft het namelijk over broederlijkheid en solidariteit onder de mensen te spreken, als men uitgaat van een bepaalde wetenschappelijke wereldvisie die alleen “toeval en noodzaak” erkent als actieve krachten in de wereld? Als men met andere woorden uitgaat van een filosofische kijk als die van Nietzsche, volgens wie de wereld slechts de wil naar macht is en iedere poging om zich daartegen te verzetten slechts een teken is van de rancune van de zwakken tegen de sterken? Men zegt terecht dat “indien het zijn niets anders is dan chaos en kracht, het streven naar vrede en rechtvaardigheid onvermijdelijk gedoemd is om ongefundeerd te blijven”. In dat geval ontbreekt er voldoende motivatie om zich tegen een ongebreideld liberalisme en een gebrek aan billijkheid te verzetten, die in de exhortatie “Evangelii gaudium” door de paus met klem worden aangeklaagd.

Na de plicht om van de armen te houden en hen te respecteren, komt de plicht hen te helpen. Hier komt de heilige Jakobus ons te hulp. Waartoe dient het, zegt hij, medelijden te hebben met een broer of zuster die geen kleding en voedsel heeft en te zeggen: “Geluk ermee! Houd u warm en eet maar goed”, als u niets zou doen om hem of haar te verwarmen en eten te geven? Geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten, is dood (cf Jak. 2,15-17). Op het laatste oordeel zal Jezus niet zeggen: “Ik was naakt en ge had medelijden met mij”, maar “Ik was naakt en ge hebt Mij gekleed”. Men dient niet God verantwoordelijk te stellen voor de ellende in de wereld, doch onszelf. Toen een man op een dag een klein meisje zag dat beefde van de kou en weende van honger, werd hij opstandig en riep uit: “God, waar zijt Gij? Waarom doet Gij niets voor dat onschuldig schepsel?”. Maar een inwendige stem antwoordde hem: “Ik heb wel iets gedaan. Ik heb u gemaakt!”. En de man begreep.

Vandaag volstaat een gewone aalmoes niet meer. Het probleem van de armoede is planetair geworden. Wanneer de Kerkvaders over armen spraken, dachten zij aan de armen van hun stad, ten hoogste aan die van de naburige stad. Zij kenden niets anders, of bijna niet, en hadden ze het wel geweten, dan zou het in een samenleving als de hunne in elk geval moeilijk geweest zijn hulp te bieden.

Vandaag  weten wij dat een aalmoes niet volstaat, doch dat ontslaat ons niet te doen wat wij op individueel vlak kunnen doen. Het voorbeeld van zo veel mannen en vrouwen van onze tijd toont ons dat wij veel kunnen doen om de armen te helpen - ieder volgens eigen middelen en mogelijkheden - en om hen te helpen weer op eigen benen te staan. Waar Paulus VI in “Evangelica testificatio” over de “kreet van de armen” spreekt, vooral tot ons religieuzen, “spoort hij sommigen onder u aan naar de armen te gaan om hun levenssituatie te delen, hun kwellende zorgen te delen. Hij nodigt trouwens vele van uw instituten uit bepaalde werken te veranderen ten gunste van de armen”.

De onrechtvaardige en ergernisgevende kloof verwijderen of verkleinen tussen de rijken en armen van deze wereld, heeft het voorbije millennium ons nagelaten als het meest dringende en noodzakelijke dat in het nieuwe millennium dient te gebeuren. Laat ons hopen dat het niet opnieuw probleem nummer één is dat aan het volgende millennium nagelaten wordt.

Tenslotte, de armen evangeliseren. Dat is de zending bij uitstek die Jezus als de Zijne erkende: “De Geest van de Heer is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen” (Lc. 4,18) en Hij wees dit aan de boodschappers van Johannes de Doper aan als teken van de aanwezigheid van het Rijk: “aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd” (Mt. 11,5). Wij mogen niet toelaten dat ons slecht geweten ons aanspoort de enorme onrechtvaardigheid te begaan, de Blijde Boodschap te beroven aan hen die er de eerste en meest natuurlijke bestemmelingen van zijn. Misschien met inroeping van het excuus: “voor een hongerige maag is het slecht spreken”.

Jezus vermenigvuldigde de broden maar ook het woord, of juister Hij bediende eerst het Woord, soms drie dagen na elkaar, en zorgde dan ook voor brood. De armen leven niet alleen van brood maar ook van hoop en van ieder woord dat uit Gods mond komt. Armen hebben het onaantastbaar recht het Evangelie integraal te horen, niet in een beperkte of polemische versie; het Evangelie spreekt over liefde voor de armen, maar niet over haat tegen de rijken.

 

  1. Vreugde in de hemelen en vreugde op aarde

 

Eindigen wij nu op een andere toon. Voor Franciscus van Assisi was Kerstmis niet alleen een gelegenheid om de armoede van Christus te bewenen; het was ook het feest dat alle capaciteit tot vreugde kon doen losbarsten die in zijn hart leefde en die immens was. Met Kerstmis deed hij letterlijk dwaasheden.

“Hij wou dat de armen en bedelaars die dag zouden verzadigd worden door de rijken en dat de ossen en ezels een groter rantsoen aan voedsel en hooi zouden krijgen dan gewoonlijk. Moest ik de keizer kunnen spreken – zei hij – zou ik hem smeken een edict uit te vaardigen, dat iedereen die kan, de opdracht geeft om ieder jaar op Kerstdag graan op de wegen te zaaien tot genoegen van de kleine vogels en vooral van onze zusters de leeuweriken.”

Hij werd als een kind, de ogen vol bewondering voor de kribbe. Tijdens het Kerstfeest in Greccio, vulde zijn stem zich met tedere affectie wanneer hij de naam “Betlehem” uitsprak, zo vertelt zijn biograaf, en maakte hij een geluid gelijkend op het gemekker van een geit. En telkens hij zei “Kind van Betlehem” of “Jezus”, ging hij met de tong over zijn lippen, alsof hij heel de zoetheid van die woorden wou proeven en bewaren”.

Er is een Kerstlied dat de gevoelens van de heilige Franciscus voor de kribbe volmaakt weergeeft en het is niet te verbazen want degene die de woorden en de muziek schreef, is een heilige zoals hij: de heilige Alfonsius van Liguori. Beluisteren wij het in deze Kersttijd en laten wij ons door deze eenvoudige maar wezenlijke boodschap beroeren:
Gij daalt neer van de sterren, o Koning van de hemel,
en komt in een koude en ijzige grot …
Gij, Schepper van de wereld,
het ontbreekt U aan linnen en vuur, o mijn Heer!
O teerbemind Kind! Hoe inspireert deze armoede
mij met liefde; want het is de liefde die U zo arm gemaakt heeft.

Heilige Vader, Eerbiedwaardige broeders en zusters, vrolijk Kerstmis!

 

 

Vert. Maranatha-gemeenschap