2014-12-05 P. Raniero Cantalamessa ofmcap, Eerste Adventspreek (integrale tekst)

 

« MIJN VREDE GEEF IK U » (JOH. 14,27)

 

“Vrede als Gods gave in Jezus Christus” is het thema van de eerste predicatie van P. Cantalamessa, huispredikant van het Vaticaan, voor de Advent 2014, in aanwezigheid van paus Franciscus en zijn medewerkers.

 

  1. 1. Wij zijn in vrede met God!

 

Als men de sterkste roep kon horen die leeft in het hart van miljarden mensen, dan zou men in alle talen één enkel woord horen: vrede! De pijnlijke actualiteit van deze kwestie en de noodzaak om aan dit woord dezelfde rijkdom en diepe zin terug te geven die het in de Bijbel had, dreef mij ertoe het tot onderwerp te maken van de Adventsoverwegingen van dit jaar. Dit zal ons helpen, hoop ik, om de boodschap van Kerstmis met andere oren te beluisteren: “Vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft”, maar ook om in de Kerk de boodschap te gaan beleven die zij ieder jaar tot de wereld richt voor de Werelddag van de Vrede.

Beluisteren wij eerst de fundamentele boodschap van Paulus in zijn brief aan de Romeinen: “Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid Gods” (Rom. 5,1-2).

Ik herinner mij nog de dag dat in Italië de tweede wereldoorlog eindigde. De roep “Wapenstilstand! Vrede!” ging van de stad naar het platteland, van huis tot huis. Een nachtmerrie was ten einde; gedaan met terreur, gedaan met bombardementen, gedaan met de honger.  Eindelijk kon men opnieuw gaan leven, zo leek het. Iets dergelijks zou de boodschap van de apostel moeten teweegbrengen in het hart van de lezers: “We zijn in vrede met God! De vrede is gekomen! Een nieuwe tijd gaat open voor de mensheid die verbonden is met God!”. Voor de mensen van die tijd was het een periode van “angst” . Zij hadden, helemaal terecht, de indruk dat hun een veroordeling boven het hoofd hing; Paulus noemt dat “de toorn van God die uit de hemel neerdaalt over de goddeloosheid” (Rom. 1,18). Vandaar de esoterische culten en riten tot verzoening, waarvan het krioelde in de heidense samenleving van die tijd.

Wanneer wij over vrede spreken, worden wij er bijna steeds toe gebracht aan een horizontale vrede te denken: tussen volken, rassen, sociale klassen, godsdiensten. Het woord van God leert ons dat de eerste en meest wezenlijke vrede, de verticale vrede is, tussen hemel en aarde, tussen God en de mensheid. Daarvan zijn alle andere vormen van vrede afhankelijk. En wij zien dat in het scheppingsverhaal. Zolang Adam en Eva in vrede zijn met God, blijft in henzelf de vrede tussen het vlees en de geest (zij waren naakt en voelden daar geen schaamte door), tussen man en vrouw, tussen de mens en het overige in de schepping. Doch van zodra zij tegen God in opstand komen, begint alles met elkaar in tegenstrijd te komen: het vlees gaat strijden met de geest (zij worden zich van hun naaktheid bewust), de man tegen de vrouw (“de vrouw heeft mij verleid”), de natuur tegen de mens (doornen en kwelling), broers tegen broers, Kaïn tegen Abel.

Om die reden dacht ik deze eerste meditatie aan de vrede te wijden als gave van God in Jezus Christus. In de tweede meditatie zullen wij spreken over vrede als te vervullen plicht en in de derde over vrede als vrucht van de Geest, dat wil zeggen over de innerlijke vrede in de ziel.

 

2. Gods vrede beloofd en gegeven

 

De boodschap van Paulus, die we juist hoorden, doet ons denken dat er iets gebeurd is dat de bestemming van de mensheid heeft veranderd. Als wij nu in vrede zijn met God, wil dat zeggen dat wij dat voordien niet waren; als er nu “geen veroordeling meer is” (Rom. 8,1), wil dat zeggen dat die er voordien wel was. Laat ons eens kijken waardoor zo een verandering in de relaties tussen de mens en God is kunnen komen.

Tegenover de opstand van de mens – de erfzonde – laat God de mensheid niet over aan haar lot, maar neemt het besluit van een nieuw plan om haar met Hem te verzoenen. Wij beschikken vandaag over een banaal doch nuttig voorbeeld om dat te begrijpen: het navigatiesysteem (GPS) in auto’s. Als de bestuurder op een bepaald moment de aanwijzingen niet meer volgt – door bijvoorbeeld naar links af te slaan in plaats van naar rechts – berekent de GPS in enkele seconden een nieuw traject beginnend van de positie waarin hij zich bevindt tot aan de gewenste bestemming. Wel, dat heeft God met de mens gedaan, door na de begane fout voor hem een verlossingsplan te kiezen.

De lange voorbereiding begint met de verbonden in de Bijbel. Het gaat bij wijze van spreken over afzonderlijke vredesluitingen. Eerst met enkelingen: Noah, Abraham, Jakob; dan door Mozes met heel Israël dat het volk van het verbond wordt. Deze verbonden, verschillend van verbonden tussen mensen, zijn steeds vredesverbonden, nooit van oorlog tegen de vijand.

Maar God is de God van heel de mensheid: “Is God soms alleen de God van de joden en niet van de heidenen?” roept de heilige Paulus uit (Rom. 3,29). Deze oude verbonden waren dus tijdelijk, bestemd om ooit uitgebreid te worden over heel de mensheid. Inderdaad, de profeten beginnen steeds duidelijker te spreken over een “nieuw en eeuwig verbond”, over “een verbond van vrede” (Ex. 37,26) dat zich van Sion en Jeruzalem zal uitstrekken over alle volken (cf Jes. 2,2-5). Deze universele vrede wordt voorgesteld als een terugkeer naar de oorspronkelijke vrede van Eden en maakt gebruik van beelden en symbolen die de joodse traditie letterlijk interpreteert en de christelijke traditie in geestelijke zin:
“Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en de oorlog leren ze niet meer” (Jes. 2,4). “De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden” (Jes. 11,6).
Het Nieuwe Testament ziet al die profetieën gerealiseerd door de komst van Jezus. De geboorte van de Messias wordt met deze boodschap aan herders geopenbaard: “Vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft” (Lc. 2,14). Jezus zegt zelf gekomen te zijn om Gods vrede op aarde te brengen: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14,27). Hoeveel Goddelijke trillingen hebben op de avond van Pasen, in het cenakel, het woord Shalom– Vrede zij u! – uit de mond van de Verrezene begeleid! Zoals in de boodschap van de engelen op Kerstmis is dat woord geen gewone begroeting of wens, maar iets reëels dat meegedeeld wordt en dat heel de inhoud van de verlossing in zich bevat.
De apostolische Kerk wordt het niet moe de vervulling te verkondigen van alle vredesbeloftes van God in Jezus Christus. Sprekend over de Messias die in Betlehem (in Judea) zou geboren worden, voorzegde de profeet Micha: “Hij zal de man van vrede zijn” (5,4); precies wat van Christus gezegd wordt in de brief aan de Efeziërs: “Hij (Christus) is onze vrede” (2,14). “Het Kerstmis van de Heer, zegt de heilige Leo de Grote, is het Kerstmis van de vrede” .

 

3. Vrede, vrucht van het kruis van Christus

 

Nu volgt een preciezere vraag: is het alleen door Zijn komst op aarde dat Jezus de vrede tussen hemel en aarde hersteld heeft? Is Jezus’ geboorte werkelijk het “Kerstmis van de vrede”, of is het, en is het vooral Zijn kruis? Het antwoord ligt in de woorden van Paulus: “Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer” (Rom. 5,1). Vrede komt door de rechtvaardiging door het geloof en de rechtvaardiging door het geloof komt van het kruis van Christus (cf Rom. 3,21-26).

Vrede is de inhoud van deze rechtvaardiging die niet alleen naar vergiffenis verwijst (of volgens Luther, naar het niet aanrekenen) van onze zonden, hetzij naar een simpel intrekken van iets negatiefs dat er voordien was, maar vooral naar de toevoeging van een positief element dat voordien niet bestond: de Heilige Geest, en met Hem, genade en vrede.

Eén ding is duidelijk: men kan de radicale verandering in de relaties met God niet begrijpen, zonder te begrijpen wat gebeurd is in de dood van Christus. Oost en West hebben eenzelfde idee over de toestand van de mens voor Jezus Christus en buiten Hem. Er waren enerzijds mensen die door tegen God te zondigen, een schuld hadden opgelopen en tegen de duivel moesten strijden die hen in slavernij hield: zij konden zichzelf niet zelf vrijkopen want hun schuld was oneindig en zij konden satan niet overwinnen aangezien ze zijn gevangene waren. Anderzijds was er God die hun fout kon vrijkopen en satan overwinnen, maar die dat niet moest doen aangezien Hij niet de schuldenaar is. Er was iemand nodig die moest strijden en die kon overwinnen, en dat is gebeurd in Christus, God en mens. Dit zeggen in bijna gelijkaardige bewoordingen, Nicolas Cabasilas onder de Grieken en de heilige Anselmus van Aoste onder de Latijnen . Stervend op het kruis, verwezenlijkt Jezus het werk van de verlossing: Hij vernietigt de zonde en behaalt de overwinning op satan. Mens zijnde, behoort ons toe wat Hij voltrekt: “Dank zij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1,30). Voor ons! God zijnde, heeft wat Hij doet oneindige waarde en kan Hij redden “hen die door zijn tussenkomst God naderen” (Hebr. 7,25).

Onlangs was er opnieuw een diepgaand onderzoek naar de betekenis van Jezus’ offer. In 1972, lanceerde de Franse denker René Girard de stelling dat “geweld het ware hart en de geheime ziel is van het heilige” . Aan de oorsprong en in de kern van elke godsdienst, ook van de joodse, staat namelijk het rituele offer van de zondebok, die altijd vernieling meebrengt en dood. Voor deze datum, was deze onderzoeker tot het christendom genaderd en in 1959, met Pasen, maakte hij zijn bekering publiek door zich gelovig te noemen en opnieuw toe te treden tot de Kerk. Dat liet hem toe in zijn volgende studies niet te blijven staan bij de ontleding van het mechanisme van het geweld, maar de vinger te leggen op de manier om eruit te geraken. Volgens hem ontmaskert Jezus het mechanisme dat geweld als sacraal beschouwt en verbreekt Hij het ook door zichzelf vrijwillig tot zondebok te maken voor de mensheid, het onschuldig slachtoffer van alle geweld. Christus is niet gekomen door andermans bloed te vergieten maar Zijn eigen bloed, zei de brief aan de Hebreeën reeds (9,11-14). Hij heeft geen slachtoffers gemaakt maar heeft zichzelf als slachtoffer aangeboden. Hij heeft niet de anderen – mensen en dieren – Zijn zonden laten dragen maar Hij heeft de zonden van de anderen op zich genomen: “In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen” (1 Petr. 2,24).

Kan men dan nog over kruis-“offer” blijven spreken en dus van de Mis als offer? Lange tijd heeft de onderzoeker in kwestie dit concept afgewezen, hij vond het te sterk getekend door deze idee van geweld, maar daarna heeft hij er, met heel de christelijke traditie, uiteindelijk de legitimiteit van erkend op voorwaarde, zegt hij, dat men in het offer van Christus een nieuw soort van offer ziet en dat men aan die verandering van betekenis “een centrale rol in de religieuze geschiedenis van de mensheid” geeft .

Dit alles laat toe beter de betekenis te begrijpen van de verzoening die op het kruis tot stand gekomen is tussen God en de mensen. Gewoonlijk diende het zoenoffer om een God te bedaren die toornig is door de zonde. Door God een offer aan te bieden, vraagt de mens aan de godheid verzoening en vergeving. In het offer van Jezus is het omgekeerd. Niet de mens oefent invloed uit op God opdat Hij bedaart, maar God handelt zo dat de mens aan zijn eigen vijandigheid tegen Hem verzaakt. “Het heil begint niet door een vraag van de mens om verzoening maar eerder door de vraag van God om zich met Hem te verzoenen. ” Vandaar de uitspraak van de apostel: “God was het die in Christus de wereld met zich verzoende” (2 Kor. 5,19) en ook: “Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon” (Rom. 5,10).

 

4. “Ontvangt de Heilige Geest!”

 

De vrede die Christus voor ons heeft verdiend door op het kruis te sterven wordt actief en realiseert zich in ons door middel van de Heilige Geest. Daarom blies Hij in het cenakel over Zijn apostelen, nadat Hij hun gezegd had: “Ontvangt de Heilige Geest”! (Joh. 20,22).

Ja, in werkelijkheid komt de vrede van het kruis van Christus, doch zij is er niet van uitgegaan. Zij komt van verder. Op het kruis heeft Jezus de muur van zonde en vijandigheid vernietigd die verhinderde dat Gods vrede zich over de mensen verspreidt. De uiteindelijke bron van de vrede is de Drie-eenheid. “O zalige Drie-eenheid, kalme oceaan van vrede!” zegt de liturgie in één van haar hymnen. Volgens Dionysius de Areopagiet is “vrede” één van de eigennamen van God . Hij is “vrede” in zich, zoals Hij “licht” en “liefde” is.

Bijna alle polytheïstische godsdiensten spreken over goden die elkaars rivalen zijn en permanent met elkaar in oorlog leven. De Griekse mythologie is daar het meest bekende voorbeeld van. Strikt genomen zou men niet over God kunnen spreken in termen van « bron » en « voorbeeld » van vrede, zelfs in de context van een absoluut en numeriek monotheïsme. Vrede heeft evenals de liefde namelijk twee personen nodig om te bestaan. Zij bestaat uit mooie relaties, uit liefdesrelaties, van een schoonheid en volmaaktheid die men precies in de Drie-eenheid vindt. Wat het meest treft in de icoon van de Drie-eenheid van Roublev is die bovennatuurlijke vrede die ervan uitgaat. Wanneer Jezus zegt: “Vrede zij met u!” en “Ontvangt de Heilige Geest”, geeft Hij aan de leerlingen iets door van deze “vrede van God, die alle begrip te boven gaat” (Fil. 4,7). Alsof het woord “vrede” synoniem is van het woord “genade”. Trouwens de twee termen worden bij de aanvang van de apostolische brieven samen gebruikt: “Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!” (Rom, 1,7b; 1 Tess. 1,1). Wanneer men in de Mis zegt: “De vrede zij met u”, “Lam Gods dat wegneemt de zonden van de wereld, geef ons de vrede” en op het einde “Gaat in vrede”, heeft men het over deze vrede als gave Gods.

 

5. “Laat u met God verzoenen!”

 

Ik zou nu willen tonen hoe deze vrede, ontologisch ontvangen en rechtens het doopsel, onze banden met God geleidelijk concreet en psychologisch moet veranderen. De dringende oproep van Paulus: “Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen!” (2 Kor. 5,20), richt zich tot gedoopte christenen die reeds lang in gemeenschap leven. Hij verwijst dus niet naar de eerste verzoening en blijkbaar ook niet naar wat wij “het sacrament van de verzoening” noemen. Teruggebracht naar ons leven vandaag, richt hij zich tot ieder van ons en wij proberen te begrijpen waarin die vrede bestaat.

Eén van de oorzaken, misschien de belangrijkste, is dat de verwijdering van de moderne mens van de godsdienst en het geloof berust op het misvormd beeld dat deze zich van God maakt. Ze is ook oorzaak van een uitgedoofd christendom, zonder elan en zonder vreugde, eerder beleefd als een plicht dan als gave. Ik denk aan het prachtige gelaat van God de Vader in de Sixtijnse Kapel toen ik het voor het eerst zag, helemaal bedekt met een donkere laag en hoe het vandaag is, na zijn restauratie, met dezelfde levendige kleuren en duidelijke omlijningen die uit het penseel van Michelangelo zijn gekomen. Een restauratie van het beeld van God de Vader is nog noodzakelijker en moet in het hart van de mensen gebeuren, ook in dat van ons, christenen.

Wat is trouwens het beeld van God in het collectief menselijk bewustzijn, voordat het (in computertaal) gedefinieerd werd? Om het te ontdekken volstaat het volgende vraag te stellen aan zichzelf en daarna aan anderen: “Welke ideeën, welke woorden, welke reële situaties komen ons direct voor de geest, vooraleer erover na te denken, wanneer u zegt: ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt … Uw wil geschiede’? Als men deze woorden uitspreekt, buigt men instinctief het hoofd, lijdzaam of erger. Onbewust verbindt men met Gods wil alles wat onaangenaam, pijnlijk is, aan wat op één of andere manier kan gezien worden als iets dat de vrijheid en de ontwikkeling van het individu verminkt. Het is een beetje alsof God de vijand is van elk feest, van elke vreugde of plezier.

Een andere verhelderende vraag: wat suggereert in ons de aanroeping “Kyrie eleison”, “Heer, ontferm U over ons!”, die het christelijk gebed kracht bij zet en in sommige liturgieën de Mis van het begin tot het einde begeleidt? De uitroep is nog slechts een vraag om vergeving van het schepsel dat God altijd ziet op het punt hem (terecht) te straffen. Het woord “ontferming, erbarmen” heeft zo een degradatie ondergaan dat het dikwijls negatief wordt gebruikt, als iets bekrompen en verwerpelijk: “medelijden wekken”, een  “erbarmelijk” schouwspel. Volgens de Bijbel zou de vertaling van “Kyrie eleison” moeten zijn: “Heer laat Uw tederheid over ons neerdalen”. Het volstaat te lezen hoe God in Jeremia tot Zijn volk spreekt: “toch blijf Ik zo aan hem denken en met hem meevoelen, dat Ik weer medelijden krijg (eleos)” (cf Jer. 31,20). Wanneer zieken, melaatsen en blinden, zoals in het Evangelie van Matteüs (9,27), tot Jezus roepen: Heb medelijden (eleeson) met ons, Zoon van David!”, willen zij niet zeggen: “vergeef ons”, maar “heb medelijden met ons”. God wordt in het algemeen gezien als het hoogste Wezen, de Almachtige, Heer van de tijd en de geschiedenis, dat wil zeggen als een identiteit die zich van buitenaf aan het individu opdringt; geen enkel detail van het mensenleven ontsnapt hem. Overschrijding van Zijn wet brengt onverbiddelijk wanorde mee, die herstel vereist. Dat herstel zou nooit geschikt kunnen zijn en zou angst opwekken voor de dood en Gods oordeel.

Ik geef toe enkele rillingen te voelen wanneer ik de woorden lees die de grote Bossuet, in één van zijn redevoeringen voor Goede Vrijdag, tot de gekruisigde Jezus richt: “Gij werpt U, o Jezus in de armen van Uw Vader en Gij voelt U afgewezen, Gij voelt dat Hij het is die U vervolgt, U slaat, Hij die U verlaat, die U verplettert onder het enorme en ondraaglijke gewicht van Zijn wraak … De woede van een geïrriteerde God: Jezus bidt en de Vader, kwaad, luistert niet naar Hem; het is de gerechtigheid van een God die zich wreekt voor de geïncasseerde beledigingen; Jezus lijdt en de Vader komt niet tot bedaren!” . Als een spreker van Bossuets gehalte zo sprak, kan men zich voorstellen hoe de volkspredikanten van die tijd zich lieten meeslepen. Dan begrijpt men hoe dat “vooraf gedefinieerd” beeld van God heeft vorm gekregen in het hart van de mens.

Zeker, Gods barmhartigheid werd nooit ontkend! Maar zij moest slechts dienen om de niet te omzeilen gestrengheid van de gerechtigheid te milderen. In praktijk, moesten de liefde en vergeving van God zelfs ondergeschikt worden aan de liefde en vergeving voor elkaar: als je degene vergeeft die u beledigt, zal God u op Zijn beurt vergeven. Zo kwam met God een verhouding van marchanderen tot stand. Zegt men niet dat men verdiensten moet opstapelen om zijn hemel te verdienen? En hecht men geen grote waarde aan te verrichten inspanningen, aan op te dragen Missen, aan te branden kaarsen, aan te verrichten novenen?

Nadat zoveel mensen op die manier hun liefde tot God hebben bewezen, kan men dat allemaal niet bij het brandhout werpen, maar moet het gerespecteerd worden. God laat in alle tijden Zijn bloemen – en Zijn heiligen – open bloeien. Doch men kan niet het gevaar ontkennen in een utilitaire godsdienst, “do ut des”, te vervallen. Aan de basis van alles ligt het feit dat de relatie met God van de mens afhangt. Deze laatste kan niet met lege handen voor God verschijnen, hij moet Hem iets kunnen aanbieden. Het is waar dat God tot Mozes zegt: “ge moet niet met lege handen bij Mij komen” (Ex. 23,15; 34,20), maar die God is de God van de wet, nog niet Die van de genade. In het Rijk van de genade moet de mens “met lege handen” voor God verschijnen; het enige dat hij “in de handen” moet hebben wanneer hij voor Hem verschijnt, is Zijn Zoon Jezus. 

Maar laat ons kijken hoe de Heilige Geest deze situatie verandert wanneer Hij ons voor Hem openstelt. Hij leert ons met een andere blik naar God te kijken: zeker naar de God van de wet, maar eerder nog naar de God van liefde en genade, de “barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw” (Ex. 34,6). Hij laat ons Hem ontdekken als bondgenoot en vriend, als iemand die “Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd”, dat wil zeggen dat Hij Hem niet jaloers voor zich heeft gehouden, maar dat Hij het grote offer heeft gebracht Hem voor ons allen te geven (zo laat Hij ons Rom. 8,32 begrijpen!); kortom, als een heel tedere Vader. Of nog, de Heilige Geest geeft ons het gevoel dat Jezus had van de Vader.

Dan ontstaat het kinderlijk gevoel dat zich spontaan uit in de roep “Abba, Vader!”. Als om te zeggen: “ik kende U niet, of ik kende U slechts van horen zeggen; nu ken ik U, ik weet wie Gij bent; ik weet dat Gij echt van mij houdt, dat Gij mij goed gezind bent”. Het kind (zoon/dochter) heeft de plaats ingenomen van de slaaf, de liefde van de vrees. Zo  is men werkelijk met God verzoend, zowel op subjectief als existentieel vlak.

Beginnen wij ons dagelijks werk met een vraag : welk gedacht over God de Vader leeft in mijn hart: dat van de wereld of dat van Jezus?

 

Vert. Maranatha-gemeenschap


E. R. DoddsPagan and Christian in an Age of Anxiety, Cambridge Press 1965.

H. Leo de Grote, in Nativitate Domini, XXXVI, 5 (PL 54, 215).

N. Cabasilas, Vie en Jésus Christ, I, 5 (PG 150, 313); Cf Anselmus, Cur Deus homo?, II, 18.20; Thomas van Aquino, Summa theologiae, III, q. 46, art. 1, ad 3.

Cf R. Girard, La violence et le sacré, Grasset, Paris 1972.

Cf R. Girard, Le sacrifice, Milaan 2004.

G. Theissen - A. Merz, Der historische Jesus: Ein Lehrbuch, Göttingen, 4e opl. 2008.

Pseudo Dionysius de Areopagiet, Noms divins, XI, 1 s (PG 3, 948 s).

J.B. Bossuet, Œuvres complètes, IV, Paris 1836, p. 365.