2014-12-12 P. Raniero Cantalamessa ofmcap, Tweede Adventspreek

 

“ZALIG  DIE  VREDE  BRENGEN
WANT  ZIJ  ZULLEN  KINDEREN  VAN  GOD  GENOEMD  WORDEN”


Rome (ZENIT.org)

 

Tweede Adventspreek van de huispredikant van het Vaticaan voor paus Franciscus en zijn medewerkers.

 

1. Vrede als plicht


Na een meditatie in de eerste preek over vrede als gave van God, volgt nu een overweging over vrede als plicht en te volbrengen engagement. Wij zijn geroepen het voorbeeld van Christus te volgen door kanalen te worden die Gods vrede tot bij onze broeders brengen. Op deze taak wijst Jezus Zijn leerlingen wanneer Hij verkondigt: “Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (Mt. 5,9). De term eirenopoioi verwijst niet naar de vreedzamen (die men in de zaligsprekingen van de Twaalf vindt, degenen die niet gewelddadig zijn); doch eerder naar de vredestichters, dat wil zeggen mensen die ijveren voor vrede, die vijanden helpen zich met elkaar te verzoenen en zelf de eerste stap zetten om zich met hun broeder te verzoenen. In dezelfde zin zegt de heilige Jakobus: “Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten” (3,18). “Zij zullen kinderen van God genoemd worden”, dat wil zeggen navolgers van God want God is “de God van de vrede” (Rom. 15,33).

 

2. De vrede van Jezus en die van keizer Augustus

 

Jezus heeft ons niet alleen opgeroepen vredestichters te zijn, Hij heeft ons ook door voorbeeld en woord, de manier geleerd om het te worden. Hij zegt tot Zijn leerlingen: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u” (Joh. 14,27). In dezelfde tijd verkondigde een andere grote man vrede aan de wereld. Men heeft in Klein Azië een kopie gevonden van de bekende “lijst van ondernemingen” van keizer Augustus, waarin de Romeinse keizer onder zijn grootste werken vermeldt, de Romeinse vrede in de wereld gebracht te hebben. Een vrede, schrijft hij, “door overwinningen verkregen” (parta victoriis pax) .

Jezus leert dat er een andere manier bestaat om vrede te stichten. Zijn vrede is eveneens een “vrede, die de vrucht is van overwinningen”, doch van overwinningen op zichzelf en niet op de anderen, geestelijke overwinningen, geen militaire. Op het kruis heeft Jezus “in zijn persoon de vijandschap gedood” schrijft de heilige Paulus (cf Ef. 2,16): Hij heeft de vijandschap gedood, niet de vijand, Hij heeft haar in zich gedood, niet bij de ander.

De weg die leidt naar de vrede zoals het Evangelie haar voorstelt, heeft een betekenis die niet alleen op godsdienstig vlak maar ook op politiek vlak geldt. Vandaag zien wij goed dat de enige manier om vrede te waarborgen erin bestaat de vijandigheid te doden, niet de vijand. Vijanden vernietigen elkaar met wapens, vijandigheid wordt tenietgedaan door dialoog. Ik heb gelezen dat iemand ooit Abraham Lincoln had verweten te hoffelijk te zijn voor zijn politieke tegenstrevers en hij had hem eraan herinnerd dat zijn plicht eerder was hen uit te schakelen. Toen heeft hij geantwoord: “Vernietigt men dan zijn vijanden niet door ze tot vriend te maken?”.

De toestand in de wereld verzoekt op een dramatische manier en met aandrang dat men de methode van Augustus zou vervangen door die van Christus. Wat anders ligt aan de basis van bepaalde onoplosbaar lijkende conflicten, tenzij de wil en stille hoop de vijand ooit te vernietigen? Helaas kan men onder “vijand” verstaan wat Tertullianus van de eerste vervolgde christenen zei:  “Semen est sanguis christianorum”, “het bloed van de christenen is zaad voor andere christenen”. Het bloed van de vijand is ook zaad voor andere vijanden; in plaats van ze te vernietigen, vermeerdert men ze.

“Wij mogen ons niet neerleggen bij het voortduren van conflicten alsof een verbetering van de situatie niet mogelijk zou zijn!” verklaarde paus Franciscus tijdens zijn recent bezoek aan Turkije, verwijzend naar de toestand in het Midden Oosten. Met Gods hulp kunnen en moeten wij de moed tot vrede steeds vernieuwen!” Een manier om vredestichters te zijn – dikwijls de enige die ons rest – is voor vrede te bidden. Wanneer het niet meer mogelijk is in te werken op de tweede oorzaken, kunnen wij door gebed nog altijd inwerken op de Eerste Oorzaak. De Kerk houdt niet op dit dagelijks te doen in de Mis met dit ontroerende gebed: “Geef vrede, Heer, op onze dagen”, “da pacem Domine in diebus nostris”.

Het Evangelie kan bijdragen tot politieke vrede maar ook tot sociale vrede. Men herhaalt dikwijls de uitspraak van de profeet Jesaja: “gerechtigheid brengt vrede voort” (32,17). Wat dit betreft legt de apostolische exhortatie “Evangelii gaudium” de vinger op de wonde en klaagt open aan wat vandaag het grootste onrecht en de belemmering is voor vrede:
“Sociale vrede kan niet begrepen worden als een irenische houding of alleen als afwezigheid van geweld, verkregen door één sector de bovenhand te geven op de andere. Het zou een valse vrede zijn als zij als excuus zou dienen om een sociale organisatie te rechtvaardigen die de armsten tot zwijgen brengt of bedaart op een manier waardoor zij die de grootste winsten maken, hun levensstijl ongehinderd kunnen behouden terwijl anderen naar best vermogen overleven. Sociale eisen die verband houden met inkomstenverdeling, sociale integratie van de armen en mensenrechten mogen niet verstikt worden door het voorwendsel dat men theoretisch aan een consensus of kortstondige vrede werkt ten behoeve van een gelukkige minderheid. De waardigheid van de persoon en het algemeen welzijn staan boven de onbezorgdheid van enkelen die geen afstand willen doen van hun privileges.”

 

  1. 3. Vrede tussen de godsdiensten

 

Voor vredestichters opent zich vandaag een nieuw werkterrein, moeilijk en dringend: vrede bevorderen tussen de godsdiensten. Het Wereldparlement van Godsdiensten deed op een bijeenkomst in Chicago in 1993 volgende uitspraak: “Er is geen vrede tussen de landen zonder vrede tussen de godsdiensten en er is geen vrede tussen de godsdiensten zonder dialoog tussen de godsdiensten”.

De fundamentele reden waarom een loyale dialoog tussen de godsdiensten kan, berust op het feit dat “wij allen één enkele God hebben”. De heilige paus Gregorius VII schreef in 1076 aan een islamitische prins in Noord-Afrika: “Wij geloven en belijden één enkele God, zelfs als wij het op verschillende manieren doen, dagelijks loven we Hem en vereren we Hem als Schepper van de tijd en Heer van deze wereld” . Van deze waarheid ging ook de heilige Paulus uit in zijn toespraak op de areopaag van Athene: “Door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand. 17,28).

Subjectief hebben wij verschillende ideeën over God. Voor ons, christenen, is God “de Vader van onze Heer Jezus Christus” die alleen “door Hem” ten volle kan gekend worden; maar objectief weten wij goed dat er slechts één enkele God kan zijn. Elk volk en elke taal heeft zijn naam en eigen theorie over de zon, sommige zijn juister, andere minder, maar er is slechts één zon!

Ons geloof in de Heilige Geest is een ander theologisch fundament van dialoog. Als Geest van de verlossing en Geest van genade, is Hij de vredesband die de gedoopten van verschillende christelijke belijdenissen onder elkaar verenigt, maar als Geest van de schepping of Schepper Geest is Hij een vredesband tussen de gelovigen van alle godsdiensten, namelijk tussen alle mensen van goede wil. “Elke waarheid, wie ze ook uitspreekt – schrijft de heilige Thomas van Aquino – komt van de Heilige Geest” . Zoals deze scheppende Geest de profeten van het Oude Testament naar Christus leidde (1 Petr. 1,11), geloven wij, christenen, dat Hij op een manier die God alleen kent, de mensen die buiten de Kerk leven, naar Christus en Zijn paasmysterie leidt (cf Gaudium et spes, 22).

Aangezien over vrede tussen de godsdiensten gesproken wordt, past het een bijzondere gedachte over te hebben voor de vrede tussen Israël en de Kerk. Ook de paus heeft in “Evangelii gaudium” bijzonder aandacht voor deze dialoog en hij besluit met deze woorden:
“Zelfs indien bepaalde christelijke overtuigingen voor het jodendom onaanvaardbaar zijn en de Kerk niet kan ophouden Jezus te verkondigen als Heer en Messias, bestaat er een rijke complementariteit die ons in staat stelt samen de joodse Bijbelteksten te lezen en elkaar onderling te helpen om de rijkdom van het Woord te bestuderen en tevens vele ethische overtuigingen te delen evenals de gezamenlijke zorg voor rechtvaardigheid en ontwikkeling van de volken.” (n. 249).
Volgens Paulus is vrede tussen joden en heidenen de eerste vrede die Jezus op het kruis bewerkt heeft. Hij schrijft in zijn brief aan de Efeziërs:
“Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden één gemaakt heeft, en de scheidsmuur heeft neergehaald, door in zijn vlees de vijandschap, de wet der geboden met haar verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit de twee één nieuwe mens te scheppen, en die beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood.” (2,14-16).

In de christelijke traditie is deze tekst aanleiding geweest tot twee verschillende en tegengestelde iconografische voorstellingen. In de ene ziet men twee vrouwen die beiden naar de gekruisigde Jezus gekeerd staan. Dat is het geval voor het crucifix van San Damiano in Assisi. De twee figuren, voorgesteld aan de ene en de andere hand van de Gekruisigde – in tegenstelling tot de uitleg die men er gewoonlijk aan geeft – zijn geen engelen (zij hebben geen vleugels en het zijn vrouwenfiguren). In de lijn van de brief aan de Efeziërs, vertegenwoordigt één van beide vrouwen de synagoge en de andere de Kerk, verenigd, niet gescheiden, door het kruis van Christus.

Om zich daarvan te overtuigen volstaat het deze icoon te vergelijken met een icoon van latere datum, die van de school van Dionisius (15e eeuw), waar men ook twee vrouwen ziet, maar de ene, de Kerk , wordt door een engel naar het kruis geduwd, de andere wordt er door een engel ver van weggejaagd.

Het eerste beeld vertegenwoordigt het ideaal en Gods bedoeling, zoals beschreven door de heilige Paulus; het tweede geeft weer hoe de dingen helaas verlopen zijn in de realiteit van de geschiedenis. Ooit heb ik deze twee beelden aan een bevriende rabbijn getoond. Deze gaf ontroerd volgende commentaar: “Misschien was de geschiedenis van onze betrekkingen anders geweest als de tweede visie het niet had gehaald op de eerste”. Trouw aan de geschiedenis verplicht ons te zeggen dat als het zo was, ten minste in het begin, de christenen niet de enige verantwoordelijken waren.

Wij moeten ons verheugen en God danken dat wij vandaag allemaal, ten minste in de geest, voorstanders zijn van de visie van het crucifix van San Damiano en niet van de tegengestelde visie. Wij willen dat het kruis van Christus dient om joden en christenen dichter bij elkaar te brengen en niet tegen elkaar op te stellen, en dat zelfs de viering van het kruis van Goede Vrijdag deze broederlijke dialoog in de hand werkt in plaats van hem in de weg te staan.

 

  1. 4. “Think globally, act locally”

 

Een slogan die erg in de mode is, luidt: “Think globally, act locally”: op wereldniveau denken, op plaatselijk niveau handelen. Deze leuze is bijzonder goed toepasselijk op de vrede. Men moet de wereldvrede in gedachten hebben maar zich inzetten voor de vrede op plaatselijk vlak. Vrede wordt niet gemaakt zoals de oorlog. Oorlog voeren vraagt een lange voorbereiding: grote legers vormen, strategieën uitwerken, verbonden sluiten en met gesloten rangen in de aanval gaan. Wee hem die op zijn eentje zou willen beginnen, helemaal alleen, individueel; hij is zeker veroordeeld tot de nederlaag.

Vrede sluiten vereist juist het tegenovergestelde: onmiddellijk beginnen, namelijk op zijn eentje en met een simpele handdruk. Vrede wordt “artisanaal” gemaakt, zei paus Franciscus onlangs. Zoals miljarden zoutwaterdruppels nooit een oceaan van zuiver water zullen maken, zullen miljarden mannen en vrouwen zonder vrede nooit een mensheid in vrede maken.

Wij die hier verenigd zijn, wij moeten ook iets doen om waardig over vrede te spreken. Jezus, schrijft onze apostel nog, is Jezus vrede komen verkondigen “aan hen die veraf waren en vrede aan hen die dichtbij waren” (Ef. 2,18). Vrede met wie “dichtbij” zijn is dikwijls moeilijker dan met wie “veraf” zijn. Hoe kunnen wij, christenen, zeggen dat wij de vrede bevorderen, als wij nadien onder elkaar redetwisten? Op dit moment verwijs ik niet naar de verdeeldheid tussen katholieken, orthodoxen, protestanten, leden van de pinksterbeweging, ’t is te zeggen tussen de verschillende christelijke belijdenissen; ik verwijs naar de verdeeldheid die dikwijls tussen leden van onze katholieke Kerk heerst omwille van tradities, verschillende tendensen of riten.
Herinneren wij ons de strenge woorden van de apostel aan de Korinthiërs:
“Broeders, ik doe een beroep op u in de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgestemd, laat er geen verdeeldheid onder u zijn: weest volkomen een van zin en een van gevoelen. Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloë over u verteld, broeders, dat er onenigheid onder u heerst. Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: Ik ben van Paulus. Ik van Apollos. Ik van Kefas. Ik van Christus. Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus?” (1 Kor. 1,10-13).

Het thema van de Werelddag voor de Vrede van het nog lopende jaar, is “Broederlijkheid, fundament en weg voor vrede”. Ik citeer de eerste woorden van deze boodschap:
“Broederlijkheid is een essentiële dimensie van de mens die een relationeel wezen is. Het levendig besef in relatie te zijn, leidt ons ertoe elke persoon te zien en te behandelen als een echte zuster en een echte broeder; zo niet wordt de opbouw van een rechtvaardige samenleving, van een sterke en duurzame vrede onmogelijk.”

De tekst spreekt over het gezin als de eerste plaats om zichzelf op te bouwen en om als echte broeders te leren leven. Maar de boodschap is ook toepasselijk op andere realiteiten binnen de Kerk: op religieuze families, parochiegemeenschappen, de bisschoppensynode, de Romeinse curie. “Gij zijt allen broeders” (Mt. 23,8), zegt Jezus ons en als dat woord niet toepasselijk is op het inwendige van de Kerk, op de nauwste kring van haar bedienaars, op wie dan wel?

De Handelingen van de Apostelen tonen ons het voorbeeld van een echt broederlijke gemeenschap, onderling eensgezind, een gemeenschap namelijk die “één van hart en één van ziel” is (Hand. 4,32). Zeker, dat zou niet kunnen zonder de tussenkomst van de Heilige Geest, zoals dat ook voor de apostelen het geval was. Voor Pinksteren, waren zij niet één van hart en één van geest; zij discuteerden dikwijls over wie de grootste onder hen was of wie het meer waard was aan Jezus’ rechter- en linkerzijde te zitten. De komst van de Heilige Geest veranderde hen helemaal; om een uitspraak van Teilhard de Chardin te gebruiken, “Hij decentraliseerde hen van zichzelf en centreerde hen opnieuw op Christus”.

De Kerkvaders van vroeger en de liturgie hebben de bedoeling van Lucas begrepen, door in het Pinksterverhaal een parallel te zien tussen wat met Pinksteren gebeurd is en wat in Babel. Doch de boodschap die in deze benadering vervat ligt, wordt niet altijd begrepen. Waarom begrijpt in Babel, waar dezelfde taal gesproken wordt, op een bepaald moment niemand de anderen nog, terwijl met Pinksteren, iedereen de apostelen begreep  al spraken allen verschillende talen (Parten, Elamieten, Kretenzen, Arabieren, …)?

Eerst een verduidelijking. De bouwers van de toren van Babel waren geen atheïsten die de hemel wilden uitdagen, maar vrome en godsdienstige mannen die een tempel wilden bouwen met verschillende terrassen, ziggourat genoemd, waarvan men in Mesopotamië nog enkele resten vindt. Wat hen nog dichter bij ons brengt dan we denken. Waarin ligt dan hun grote zonde? Zij beginnen hun werkzaamheden, tot elkaar zeggend:
“Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur. … Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid” (Gen. 11,3-4).

Zij willen een tempel bouwen voor de godheid en niet voor de glorie van de godheid; om beroemd te worden, om naam te hebben, hun naam en niet die van God. God wordt als instrument gebruikt, Hij moet dienen voor hun glorie. Ook de apostelen beginnen met Pinksteren een stad en een toren te bouwen, Gods stad die de Kerk is, maar niet om naam te hebben maar om die van God te eren: “wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden” (Hand. 2,11), roept de samenkomst uit. Zij worden volledig opgeslorpt door het verlangen God te verheerlijken, denken niet meer aan zichzelf noch aan hun naam.

De heilige Augustinus heeft dit als basis genomen voor zijn groot werk, “De Stad Gods”. Er bestaan, zegt hij, twee steden in de wereld: de stad van satan, Babylon genoemd, en de stad van God, Jeruzalem genoemd. De ene is gebouwd op eigenliefde gaande tot misprijzen voor God, de andere op liefde voor God gaande tot het offer van zichzelf voor Hem. Deze twee steden zijn tot aan het einde van de wereld twee open bouwterreinen en ieder moet kiezen in welk van beide hij tijdens zijn leven wil werken.

Elk initiatief, ook het meest spirituele, zoals bijvoorbeeld de nieuwe evangelisatie, valt onder Babel of Pinksteren. (Natuurlijk ook deze meditatie die ik aan het geven ben.) Alles is Babel als men er gebruik van maakt om naam te hebben; alles in Pinksteren als men ondanks het natuurlijke gevoel om te slagen en goedkeuring te krijgen, voortdurend zijn eigen bedoeling corrigeert,  door Gods glorie en het welzijn van de Kerk boven alle persoonlijke verlangens te plaatsen. Soms is het goed de woorden te herhalen die Jezus ooit tot Zijn tegenstanders zei: “Ik zoek mijn eigen eer niet” (Joh. 8,50).

De Heilige Geest wist de verschillen niet uit, Hij effent de meningsverschillen niet automatisch. Dat zien wij aan hetgeen onmiddellijk na Pinksteren gebeurt. Er is vooreerst het meningsverschil over de verdeling van het levensonderhoud van de weduwen, daarna een ernstiger meningsverschil over de vraag of de heidenen in de schoot van de Kerk mogen opgenomen worden en onder welke voorwaarden. Maar we zien niet dat zich tussen hen partijen of clans vormen. Ieder drukt zijn eigen overtuiging respectvol en vrij uit; Paulus gaat in Jeruzalem Petrus raadplegen, en bij andere gelegenheden deinst hij er niet voor terug hem attent te maken op incoherentie (cf Gal. 2,14). Dat stelt hen in staat om aan het slot van het gesprek in Jeruzalem, aan de Kerk het resultaat mee te delen: “De Heilige Geest en wij hebben namelijk besloten …” (Hand. 15,28).

Zo kreeg elke samenkomst van de Kerk een voorbeeld tot navolging. Met een verschil, te wijten aan het feit dat wij ons daar in een embryonale fase bevinden, waarin de verschillende ambten nog niet duidelijk bepaald zijn en waar men nog geen akte heeft genomen (het was er niet de tijd voor en er was geen noodzaak) van het primaat aan Petrus verleend, zodat het aan hem en zijn opvolgers is de synthese te maken en het laatste woord te spreken.

Ik had het over de Curie. Wat een gave voor de Kerk als zij een voorbeeld van broederlijkheid zou zijn! Zij is het reeds, ten minste veel meer dan de wereld en haar media ons willen doen geloven; maar zij kan het nog meer worden. De verscheidenheid aan meningen, zo hebben wij gezien, moet geen onoverkomelijke hindernis zijn. Het volstaat met de hulp van de Heilige Geest, elke dag Jezus en het welzijn van de Kerk in het midden van zijn eigen bedoelingen te plaatsen en niet de overwinning van zijn persoonlijke mening. De heilige Johannes XXIII gebruikt in de encycliek “Ad Petri Cathedram” (1959) een beroemde zin, van onzekere oorsprong, maar steeds actueel: “In necessariis unitas, in dubiis libertas, in omnibus vero caritas”: “In noodzakelijke dingen, eenheid, in twijfelachtige dingen, vrijheid; maar in alles, de naastenliefde.

“Als dan vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging iets vermogen, als gemeenschap van Geest, als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen, maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid. Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf. Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten.” (Fil. 2,1-4).

Deze woorden richt de heilige Paulus tot zijn dierbare gelovigen van Filippi, maar ik ben zeker dat zij ook het verlangen uitdrukken van de Heilige Vader ten opzichte van al zijn medewerkers en van ons allen.

Besluiten wij met het gebed voor eenheid en vrede in de Kerk, dat de liturgie ons in de Mis doet bidden:
“Heer Jezus Christus, Gij hebt tot Uw apostelen gezegd:  “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u”, kijk niet naar onze zonden maar naar het geloof van Uw Kerk; opdat Uw wil geschiede, geef haar altijd die vrede en leid haar naar de volmaakte eenheid, Gij die heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen.”

 

Vert. Maranatha-gemeenschap

 

Monumentum Ancyranum, ed. Th. Mommsen, 1883.

Evangelii gaudium, 218.

H. Gregorius VII, Epistolae, III, 21 (PL 148, 451).

H. Thomas van Aquino, Summa theologica, I-IIaeq. 109, a. 1 ad 1