2014-12-19 P. Raniero Cantalamessa ofmcap, Derde Adventspreek

 

« LAAT  DE  VREDE  VAN  CHRISTUS  HEERSEN  IN  UW  HART » (Kol. 3,15)


Rome (ZENIT.org)

 

1. Vrede, vrucht van de Geest

 

Na een reflectie over vrede als Gods gave in Jezus Christus aan heel de mensheid, daarna over vrede als een te vervullen plicht, rest ons die over vrede als vrucht van de Geest, die de heilige Paulus als derde rangschikt na de liefde en de vreugde: “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid” (Gal. 5,22).

Om te ontdekken wat een “vrucht van de Geest” is, moeten wij de context ontleden waarin deze gedachte verschijnt. De context is die van de strijd tussen het vlees en de geest, dat wil zeggen tussen het principe dat het leven van de oude mens regelt, vol begeerten en aardse lusten, en het principe dat het leven van de nieuwe mens regelt, geleid door de Geest van Christus. In de uitdrukking “vrucht van de geest”, wijst het woord “geest” niet zo zeer naar de Heilige Geest in zich dan wel naar het principe van het nieuwe leven waar de mens zich door de Geest laat leiden.

In tegenstelling tot de charisma’s, een exclusieve bevoegdheid van de Geest die ze geeft aan wie Hij wil en wanneer Hij wil, zijn deze vruchten het resultaat van een samenwerking tussen genade en vrijheid. Het is dus wat wij vandaag horen in het woord “deugd”, als wij aan dat woord de Bijbelse betekenis geven van een rechtzinnige handelswijze. Maar ook, in tegenstelling tot de gaven van de Geest, die verschillen van persoon tot persoon, zijn de vruchten van de Geest dezelfde voor iedereen. In de Kerk kan niet iedereen apostel zijn, profeet of evangelist; maar heel de wereld, van de eerste tot de laatste, zonder onderscheid, kan liefdevol zijn, geduldig, nederig, vredestichtend.

Vrede als vrucht van de Geest onderscheidt zich dus van de vrede als gave Gods en van de vrede als plicht en te vervullen taak. Vrede als vrucht van de Geest wijst op een gewoonte geworden manier van zijn (“habitus”), de gemoedstoestand en levenswijze van wie door waakzaamheid en aandacht, uiteindelijk een zekere innerlijke vrede bereikt. Vrede als vrucht van de Geest is de vrede van hart. En het is over deze zo mooie en zo verlangde zaak dat wij vandaag zullen spreken. Ja, zij onderscheidt zich van de plicht vredestichter te zijn maar is een wonderbaar middel om ook dat doel te bereiken. Johannes Paulus II had aan zijn boodschap voor de Werelddag voor de Vrede in 1984 de titel gegeven: “Uit een nieuw hart komt vrede”, en Franciscus van Assisi zond zijn broeders de wereld in met deze aanbeveling: “Moge de vrede die ge verkondigt in uw hart zijn vooraleer in uw mond”.

 

2. Innerlijke vrede in de geestelijke traditie van de Kerk

 

Innerlijke vrede of de vrede van het hart vinden, is een kwestie die alle grote Godzoekers in de loop der eeuwen heeft geïnteresseerd. In het Oosten, te beginnen met de woestijnvaders, vertaalt deze zoektocht zich door het ideaal van de “hesychia”, het hesychasme, of rust. Deze heeft het gewaagd zichzelf en anderen een zeer hoog doel voor te houden, soms zelfs bovenmenselijk: de geest ontdoen van iedere gedachte, de wil ontdoen van elk verlangen, het geheugen van elke herinnering, om aan de geest alleen de gedachte aan God te laten, aan de wil alleen het verlangen naar God en aan het geheugen alleen de herinnering aan God en Christus (“la mneme Theou”). Een titanenstrijd tegen de gedachten (“logismoi”), niet alleen de slechte maar ook de goede. Een extreem voorbeeld van deze vrede, na een meedogenloze strijd verkregen, is in de monastieke traditie, monnik Arsenius. Hij had God gevraagd: “zeg mij wat ik doen moet om gered te worden” en hij hoorde als antwoord: “Arsenius, vlucht, zwijg, bewaar de vrede” (letterlijk: beoefen de “hesychia”).

Later zal deze geestelijke stroming uitlopen op de beoefening van het gebed van het hart of het ononderbroken gebed, ook vandaag nog wijd verspreid in de oosterse christenheid en waarvan “De verhalen van een Russische pelgrim” de meest fascinerende verwoording is. Doch aanvankelijk identificeerde de “hesychia” zich daar niet mee. Het was een manier om tot de volmaakte rust van het hart te komen; geen lege rust en doel op zich, maar een gevulde rust gelijkend op die van de gelukzaligen, een manier om hier beneden de toestand van de gelukzaligen in de hemel te beginnen beleven. De Westerse traditie heeft hetzelfde ideaal nagestreefd maar langs andere wegen, zowel toegankelijk voor wie het contemplatieve leven leidt als het actieve leven. De reflectie begint met de heilige Augustinus die een heel boek van zijn “De civitate Dei” aan een overweging wijdt over de verschillende vormen van gebed. Aan elk van die vormen geeft hij een definitie die tot op onze dag zal school maken, waaronder die van de vrede als “tranquillitas ordinis”, de rust van de ordening. Maar het is vooral wat hij in de “Belijdenissen” zegt, dat de reflectie zal beïnvloeden over het ideaal van de vrede van het hart.

Bij de aanvang van het boek richt Augustinus, bijna in het voorbijgaan, een woord tot God dat een immense weerslag zal hebben op heel het daarop volgende denken: “Gij hebt ons voor U gemaakt en ons hart is onrustig tot het rust vindt in U”. Verder in het boek illustreert hij deze uitspraak, zich baserend op het voorbeeld van de zwaartekracht.
“Onze vrede ligt in de goede wil (van God). Elk lichaam neigt door zijn gewicht naar zijn plaats; dat gewicht neigt niet noodzakelijk naar beneden maar naar de plaats die het eigen is. Een steen valt; vuur stijgt; beide bewegen zich rond hun gewicht en volgens hun midden … Mijn gewicht is mijn liefde; waarheen ik ook neig, het is de liefde die mij meeneemt.”

Zolang wij op deze aarde zijn, ligt onze rust in Gods wil, in de overgave aan Zijn welwillendheid. “Men kan geen enkele rust vinden tenzij door zijn gedachten in overeenstemming te brengen met Gods wil, zonder in iets tegen te spreken.” Dante Alighieri zal de gedachte van de heilige Augustinus in dit bekende vers samenvatten: “In Zijn wil woont onze vrede”.

God zal alleen in de hemel onze definitieve rustplaats zijn. Daarom eindigt Augustinus zijn reflectie met lovende woorden over de vrede van het hemelse Jeruzalem, die het beluisteren waard zijn om ook ons met hetzelfde verlangen te ontvlammen:
“In die uiteindelijke vrede, (…) zal het niet nodig zijn dat de rede de hartstochten beveelt die er niet meer zullen zijn, maar God zal de mens bevelen, en de ziel het lichaam, met een gemak en zoetheid die aan zo een glorievolle en gelukkige toestand beantwoorden. Die toestand zal eeuwig zijn en wij zullen van de eeuwigheid ervan verzekerd zijn en daarin zal ons hoogste goed bestaan.”

De hoop op die eeuwige vrede zal heel de liturgie voor de overledenen doordringen. Uitdrukkingen als “Pax”, “In pace Christi”, “Requiescat in pace” komen het meest voor op de graven van christenen en in de gebeden van de Kerk. Het hemelse Jeruzalem, met een verwijzing naar de etymologie van de naam, wordt « beata pacis visio » genoemd, een gelukzalig visioen van vrede.

 

3. De weg van de vrede

 

De opvatting van Augustinus volgens dewelke de innerlijke vrede afhangt van onze gehechtheid aan Gods wil, wordt bevestigd door de mystieken die deze idee ontwikkelen. Meester Eckhart schrijft: “Onze Heer zegt: In Mij zult ge vrede hebben (cf Joh. 16,33). In de mate dat ge tot God doordringt, bent ge in vrede; in de mate dat ge niet in God bent, staat ge buiten de vrede. Wie zijn ‘ik’ in God heeft, is in vrede; wie zijn ‘ik’ buiten God heeft, heeft de vrede niet”. Het gaat er dus niet alleen om aan te sluiten bij de wil van God, maar geen andere wil te hebben dan de Zijne, helemaal aan zijn eigen wil te sterven. Men leest hetzelfde, onder de vorm van een ervaring, bij de heilige Angela de Foligno: “Gods goedheid zal achtereenvolgens twee willen tot één enkele omvormen, zodat ik nog slechts kan willen wat God wil. (…) Ik ben veranderd, ik word naar een vrede geleid waar ik mij bij Hem bevindt en ik ben met alles tevreden”.

Met de heilige Ignatius van Loyola en zijn leer over de heilige onverschilligheid is de ontwikkeling anders, eerder ascetisch dan mystiek. Het gaat erom zich in een toestand van totale beschikbaarheid te stellen om Gods wil te ontvangen en vanaf het begin afstand te doen aan iedere persoonlijke voorkeur, zoals een weegschaal die bereid is te zakken naar de kant met het grootste gewicht. De ervaring van de innerlijke vrede wordt dan het hoofdcriterium van iedere onderscheiding. Men zal kunnen zeggen dat onze keuze overeenstemt met Gods wil als zij, na rijpe overweging en gebed, gepaard gaat met grotere vrede des harten.

Doch geen enkele geestelijke stroming, noch in het Oosten noch in het Westen heeft ooit gedacht dat de vrede van het hart een goedkope vrede is en zonder inspanning. De sekte “van de vrije Geest” in de Middeleeuwen en het quietisme in de 17e eeuw trachtten het tegendeel staande te houden maar beide werden door de hiërarchie en het geweten van de Kerk veroordeeld. Om de vrede van het hart te onderhouden en te doen groeien, dient men elk moment, vooral in het begin, een opstandigheid te onderdrukken: die van het vlees tegen de geest.

Jezus had het duizend keer gezegd: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen”. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mc. 8,34). Er bestaat een valse vrede waarvan Jezus zegt dat Hij ze is komen wegnemen en niet komen brengen op aarde (cf Mt. 10,34). Paulus zal dat allemaal vertalen in een soort van fundamentele wet van het christenleven: “Zij die leven volgens het vlees, zinnen op wat het vlees wil. Die geleid worden door de Geest, zinnen op de dingen van de Geest. Het streven van het vlees loopt uit op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede. Want het verlangen van het vlees staat vijandig tegenover God. … Als gij volgens het vlees leeft, zult gij zeker sterven. Maar als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven” (Rom. 8,5-13).

De laatste zin bevat een heel belangrijke les. De Heilige Geest is niet de beloning voor onze verstervingen, maar Degene die ze mogelijk en vruchtbaar maakt. Hij staat niet alleen aan het einde maar ook aan het begin van het verloop: “Als gij door de Geest de handelingen van de zondige mens doodt, zult gij leven”. In die zin wordt gezegd dat vrede “een vrucht van de Geest” is; zij is het resultaat van onze inspanningen, door de Geest van Christus mogelijk gemaakt. Een voluntaristische versterving met te veel vertrouwen op zichzelf, kan ook (en dat gebeurt dikwijls) een handeling van het vlees zijn.

Van al degenen die in de loop der eeuwen, de weg geïllustreerd hebben die naar de vrede van het hart leidt, is de schrijver van “De navolging van Christus” degene die er boven uitsteekt, zo concreet en realistisch is hetgeen hij zegt. Hij stelt zich een soort van dialoog voor tussen Jezus Christus en een gelovige, zoals een gesprek tussen vader en zoon:
Jezus Christus: “Mijn zoon, Ik leer u nu de weg van de vrede en de echte vrijheid”.
De gelovige: “Doe, Heer, wat Gij zegt; want het is zoet naar U te luisteren”.
Jezus Christus: “Leg u erop toe, mijn zoon, eerder de wil van anderen te doen dan de uwe. Kies er altijd voor minder te hebben dan meer. Zoek altijd de laatste plaats en onder iedereen te staan. Verlang altijd en bid dat Gods wil zich volmaakt in u zou voltrekken. Wie zo handelt, bevindt zich op de weg van vrede en rust”.

Een ander middel dat de gelovige voorgesteld wordt, is ijdele nieuwsgierigheid te vermijden:
Jezus Christus: “Mijn zoon, bedwing de nieuwsgierigheid in u en verontrust u geenszins door ijdele zorgen. Wat gaat u dit of dat aan? “Volg Mij” (Joh. 21,22). Wat maakt het u uit wie dat is, hoe een ander spreekt of handelt ? U moet in het geheel niet voor een ander antwoorden; maar u zal voor uzelf antwoorden; waarover maakt u zich bezorgd? Zie, Ik ken alle mensen: Ik zie al wat onder de zon gebeurt; Ik weet wat in ieder van hen is, wat hij denkt, wat hij wil, en wat hij voorheeft. Het is dus aan Mij dat men alles moet overlaten. Wat u betreft, blijf in vrede en laat degenen die zich druk maken, zich druk maken zo veel ze dat willen. Al wat zij zullen doen, al wat zij zeggen, zal op hen terechtkomen, want Mij misleiden kunnen ze niet”.

 

4. “De vrede van wie op U steunt”

 

Zonder deze traditionele ascetische middelen te willen vervangen, legt de moderne spiritualiteit het accent op andere meer positieve middelen om de innerlijke vrede te bewaren. Het eerste is vertrouwen op God, zich aan Zijn handen overgeven. “Met standvastigheid handhaaft gij de vrede, omdat het (volk) op u vertrouwt” (Jes. 26,3). In het Evangelie motiveert Jezus Zijn uitnodiging om zich geen zorgen te maken voor morgen, om de morgen niet angstvallig af te wachten, met de verklaring dat de hemelse Vader weet wat wij nodig hebben, Hij die de vogels in de hemel voedt en de lelies op het veld kleedt (cf Mt. 6,5 ss).

Deze vrede is degene waarin Theresia van het Kind Jezus leermeesteres en een voorbeeld geworden is. Een ander heldhaftig voorbeeld van deze vrede, vrucht van het vertrouwen in God: de martelaar van het nazisme, Dietrich Bonhoeffer. Deze laatste bevond zich in de gevangenis en in afwachting van zijn terechtstelling schreef hij verzen die in vele Angelsaksische landen een liturgische hymne geworden zijn:
Buitengewoon beschut door de goede Goddelijke macht,
wachten wij met alle vertrouwen op wat de toekomst ons brengen zal.
God zal met ons zijn van de morgen tot de avond
en ongetwijfeld elke komende dag.

De franciscaanse schrijver, Eloi Leclerc, vertelt in zijn boek « Wijsheid van een arme », hoe Franciscus van Assisi de vrede hervond op een moment van diepe kwelling. De weerstand van sommigen tegen zijn ideaal, bedroefde hem en hij voelde het gewicht van de verantwoordelijkheid voor deze grote familie die God hem had toevertrouwd. Hij verliet La Verna en ging Clara in San Damiano opzoeken. Deze luisterde naar hem en om hem aan te moedigen zei ze hem bij wijze van voorbeeld:
“Als één van de zusters van mijn gemeenschap zich komt verontschuldigen omdat zij een voorwerp gebroken heeft door onhandigheid of gebrek aan aandacht, zal ik haar zoals gebruikelijk ongetwijfeld een opmerking maken en een penitentie geven. Maar als zij mij zou komen zeggen dat zij het klooster in brand heeft gestoken en dat alles opgebrand is of toch bijna, dan zou haar op dat moment niets te zeggen hebben, denk ik. Ik zou tegenover een gebeuren staan dat mij overstijgt. De vernietiging van het klooster, is werkelijk een te grote zaak om er diep door verstoord te zijn. Wat God zelf heeft gebouwd, kan niet afhangen van de wil of gril van een schepsel. Het is stevig op een andere manier.”
Franciscus begreep de les en antwoordde:
“De toekomst van deze grote religieuze familie die de Heer mij heeft toevertrouwd, hernam Franciscus, is zeker een te grote zaak om van mij alleen af te hangen en er mij zodanig zorgen over te maken dat ik er van in de war ben. Het is ook en vooral Gods zaak. U hebt het goed gezegd. Maar bid opdat dit woord in mij zou ontkiemen als een zaad van vrede. »
De Poverello keerde terug naar de zijnen, tot rust gekomen, en heel de weg tegen zichzelf herhalend: “God bestaat en dat volstaat! God bestaat en dat volstaat!”. Deze gebeurtenis wordt in de bronnen niet gestaafd maar illustreert goed, in de stijl van de “Fioretti”, een moment uit het leven van Franciscus en ze bevat een belangrijke les.

Kerstmis nadert en ik zou willen belichten wat, denk ik, voor iedereen het meest doeltreffende middel is om deze vrede van het hart of de zekerheid dat God van ons houdt, te bewaren. “Vrede aan de mensen op aarde in wie Hij welbehagen (“eudokia”) heeft” (Lc. 2,14). De Vulgaat vertaalt deze term met “goede wil” (“bonae voluntatis”), en verstaat daaronder de goede wil van de mensen, of  mensen van goede wil. Maar iedereen erkent vandaag dat deze interpretatie fout is, ook al blijft men uit respect voor de traditie, in het Gloria van de Mis zeggen: “en vrede op aarde aan alle mensen van goede wil”. De ontdekkingen van Qumran hebben het definitieve bewijs geleverd. De “mensen of kinderen van het welbehagen” worden in Qumran, de kinderen van het licht, de uitverkorenen van de sekte genoemd. Dus mensen die Gods welbehagen genieten.

Bij de Essenen van Qumran maakt “Gods welbehagen” een onderscheid; zij betreft alleen de volgelingen van de sekte. In het Evangelie zijn alle mensen zonder uitzondering “de mensen in wie Hij welbehagen heeft”. Het is zoals wanneer men zegt: “mensen uit een vrouw geboren”; dat wil niet zeggen dat bepaalde mensen uit een vrouw geboren worden en anderen niet, maar het dient om alle mensen te typeren in functie van hun manier om ter wereld te komen. Indien de vrede aan de mensen gegeven wordt omwille van hun “goede wil”, dan zou zij zich effectief tot enkelen beperken, tot hen die haar verdienen; maar omdat zij gegeven wordt volgens de goede wil van God, door genade, wordt zij iedereen aangeboden.

“Assueta vilescunt”, zeiden de Latijnen; herhaalde dingen verliezen dikwijls hun kracht, trekken de aandacht niet meer en dat gebeurt helaas ook met Gods woorden. Wij moeten ervoor zorgen dat dit ook niet met Kerstmis gebeurt. Gods woorden zijn als elektrische draden: als de stroom erdoor heen gaat en men ze aanraakt, voelt men het; als er geen stroom is of als men isolerende handschoenen draagt, mag men ze aanraken zo veel men wil, men zal niets voelen. De kracht en het licht van de Geest zijn steeds actief maar het hangt van ons af of wij ze gelovig aanraken, met een vurig verlangen en gebed. Welke kracht, welke nieuwigheid hebben deze woorden bevat: “Vrede op aarde aan de mensen in wie God welbehagen heeft” toen zij voor het eerst verkondigd werden! Wij moeten terug omkeren, met een nieuw gehoor, dat van de herders die ze als eersten gehoord hebben en zich « onmiddellijk » op weg begaven.

De heilige Paulus wijst op een methode om al onze ongerustheid te overwinnen en telkens opnieuw de vrede des harten te vinden, dank zij deze zekerheid dat God van ons houdt. Hij schrijft:
“Wat moeten wij hieraan nog toevoegen? Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? (…) Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard? (…) Maar over dat alles zegevieren wij glansrijk, dank zij hem die ons heeft liefgehad.” (Rom. 8,31-37).

Vervolging, gevaar, het zwaard: het gaat niet om een abstracte of denkbeeldige lijst; het zijn redenen tot angst die hij zelf tijdens zijn leven heeft ervaren; hij beschrijft ze breedvoerig in zijn tweede brief aan de Korinthiërs (cf 2 Kor. 11,23 ss). De apostel laat ze nu aan zijn geest voorbij gaan en bemerkt dat geen enkele sterk genoeg is om de vergelijking te doorstaan met de gedachte aan Gods liefde. De apostel nodigt ons impliciet uit hetzelfde te doen: naar ons leven te kijken zoals het zich aan ons voordoet, de angsten en redenen tot droefheid die zich daarin verbergen en die verhinderen dat wij onszelf aanvaarden zoals we zijn, in alle sereniteit aan de oppervlakte laten komen: dat complex, dat fysisch of moreel gebrek, die mislukking, die pijnlijke herinnering; dat allemaal blootstellen aan het licht van de gedachte dat God van ons houdt en dan met de apostel besluiten: “over dat alles zegevieren wij glansrijk, dank zij hem die ons heeft liefgehad”.

Na zijn persoonlijk leven, neemt de apostel onmiddellijk de hem omringende wereld in ogenschouw. Hij schrijft: “Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer” (Rom. 8,38-39).

Paulus observeert « zijn » wereld met alle krachten die er een bedreigende wereld van maakten : de dood en haar mysterie, het huidige leven en zijn gevlei, astrale of infernale krachten die de mens van zijn tijd zozeer terroriseerden. Vandaag worden wij uitgenodigd hetzelfde te doen: in het licht van Gods liefde naar de wereld kijken die ons omgeeft en bang maakt. Wat Paulus noemt “in den hoge” en “de diepte”, zijn voor ons nu het oneindig grote in den hoge en het oneindig kleine beneden, het universum en het atoom. Alles is klaar om ons te verpletteren; de mens is zwak en alleen in een universum dat zo veel groter is dan hij, en dat nog bedreigender wordt door zijn wetenschappelijke ontdekkingen, oorlogen, ongeneeslijke ziekten, vandaag het terrorisme … Maar niets van dat alles zal ons kunnen scheiden van de liefde van Christus. God is er en dat volstaat!

De heilige Theresia van Avila heeft ons een soort van testament nagelaten dat voor ons nuttig is te herhalen telkens wij nood hebben aan de vrede van het hart: “Dat niets u verstore. Niets u angst aanjage. Alles gaat voorbij. God verandert niet. Geduld overwint alles. Wie God bezit, heeft niets tekort. God alleen volstaat ».

Heilige Vader, eerbiedwaardige vaders, broeders en zusters, moge het Kerstmis van de Heer voor ons werkelijk zijn zoals de heilige Leo de Grote het noemde: “het Kerstmis van de vrede”! Met de drie dimensies van de vrede: tussen hemel en aarde, onder alle volken en  in ons hart.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap