2015-12-05 P. Cantalamessa, « Christus is het licht van de volkeren… »

 

Eerste Adventspreek 2015:


een christologische herlezing van Lumen gentium


  1. 1. Een christologische ecclesiologie

De 50e verjaardag van het slot van het Tweede Vaticaans Concilie is de gelukkige omstandigheid die mij suggereerde de drie Adventsmeditaties aan dit gebeuren te wijden aan de hand van de belangrijkste inhoud van dit concilie. Concreet zou ik een reflectie willen wijden aan elk van de belangrijkste conciliedocumenten, namelijk de vier constituties: over de Kerk (Lumen gentium), de liturgie (Sacrosanctum Concilium), het Woord Gods (Dei Verbum) en de Kerk in de wereld (Gaudium et spes).
De moed om over een kort tijdsbestek thema’s aan te snijden die zo ruim en besproken zijn, komt van volgende vaststelling. Over het concilie werd veel geschreven en gesproken, maar bijna altijd over de doctrinaire en pastorale implicaties; zelden over de strikt spirituele inhoud ervan. Ik zou mij dus uitsluitend op die inhoud willen concentreren en proberen te zien wat het concilie ons als tekst van spiritualiteit nog te zeggen heeft, om ons geloof op te wekken.
Wij zullen beginnen met drie Adventsmeditaties, gewijd aan Lumen gentium; de andere behouden we voor de volgende Vasten, zo God wil. De drie thema’s van de constitutie waarover ik zou willen nadenken zijn de Kerk als lichaam en bruid van Christus, de universele roeping tot heiligheid en de leer over de Heilige Maagd Maria.
De inspiratie voor mijn eerste meditatie over de Kerk kwam toen ik toevallig begin van de constitutie las in het Latijn. Daar staat: “Lumen gentium cum sit Christus… », « Christus is het licht van de volkeren … ». Ik moet tot mijn schaamte zeggen, dat ik nooit gelet heb op de enorme implicaties van deze aanhef. Daar alleen het eerste deel van deze Latijnse zin als titel dient van de constitutie, dacht ik (en ik geloof dat ik niet de enige ben) dat “het licht van de volkeren” naar de Kerk verwees, terwijl het over Christus gaat, zoals men kan zien. Het is in die bewoordingen dat de oude Simeon de Messias ontvangt die als Kind door Maria en Jozef naar de tempel gebracht wordt: “een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël” (Lc. 3,32).
Deze openingszin is de sleutel om heel de ecclesiologie (Kerkleer) van Vaticanum II te interpreteren. Een christologische ecclesiologie, dus spiritueel en mystiek, vooraleer sociaal en institutioneel te zijn. Deze christologische dimensie van de ecclesiologie van het concilie dient voorop te staan, dat zou de evangelisatie ook doeltreffender maken. Men aanvaardt Christus namelijk niet uit liefde voor de Kerk, maar men aanvaardt de Kerk uit liefde voor Christus. Zelfs een Kerk die misvormd is door de zonde van zo velen die haar vertegenwoordigen.
Laat mij u meteen zeggen dat ik zeker niet de eerste ben die het accent leg op de essentieel christologische dimensie van de ecclesiologie van Vaticanum II. Na de talrijke geschriften herlezen te hebben van kardinaal Ratzinger over de Kerk, gaf ik mij rekenschap hoeveel hij insisteerde op deze dimensie van de Kerkleer in Lumen gentium, en dat hij alles deed om ze te bewaren. In zijn geschriften zijn reeds sporen te vinden van de leerstellige implicaties van de openingszin: “Lumen gentium cum sit Christus…”, gevolgd door de bewering:  “Om Vaticanum II juist te verstaan, dient men steeds van deze openingszin te vertrekken” .
Om ieder misverstand te vermijden, preciseren wij onmiddellijk: niemand heeft deze spirituele en innerlijke visie op de Kerk ooit afgewezen; maar zoals steeds in menselijke aangelegenheden gebeurt, riskeert het nieuwe het oude in de schaduw te stellen, doet de actualiteit het eeuwige uit het oog verliezen en neemt het dringende de bovenhand op het belangrijke. Zo komt het dat de gedachten over Kerkgemeenschap en volk Gods slechts ontwikkeld werden in horizontale en sociologische zin, met andere woorden op de achtergrond van de tegenstelling tussen koinonia en hiërarchie, met meer nadruk op de onderlinge gemeenschap tussen de leden van de Kerk dan op de gemeenschap van alle leden met Christus.
Dat was misschien te wijten aan de prioriteit van dat ogenblik en werd als dusdanig een verworvenheid; zo begrijpt de heilige Johannes Paulus II het en hij brengt dit tot zijn recht in zijn apostolische brief Novo millennio ineunte . Maar vijftig jaar na de afsluiting van het concilie is het misschien nuttig het evenwicht proberen te herstellen tussen deze Kerkvisie die geconditioneerd werd door de debatten van het moment, en de spirituele en mystieke visie van het Nieuwe Testament en de Kerkvaders. De fundamentele vraag is niet “wat is de Kerk” maar “wie is de Kerk” , door deze vraag zou ik mij in deze meditatie willen laten leiden.

 

  1. 2. De Kerk, bruid en lichaam van Christus

 

De ziel en de christologische inhoud van Lumen gentium (LG) verschijnen vooral in hoofdstuk I, waar de Kerk zich aandient als bruid van Christus en als lichaam van Christus.
Ziehier enkele regels:
“de Kerk, die ‘het Jeruzalem van omhoog’ is en ‘onze moeder’ genoemd wordt (Gal. 4,26; vgl. Apok. 12,17),  beschreven als de onbevlekte bruid van het onbevlekte Lam (vgl. Apok. 19,7; 21,2 en 9; 22,17). Christus heeft haar ‘liefgehad … en Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen’ (Ef. 5,25-26). Door een onverbreekbaar verbond heeft Hij haar met zich verenigd en Hij ‘voedt en koestert’ haar onophoudelijk (Ef. 5,29) en heeft gewild, dat zij, gezuiverd, aan Hem gehecht en in liefde en trouw aan Hem onderdanig zou blijven (vgl. Ef. 5,24)” (LG).
Dit voor wat haar titel van bruid betreft; over de titel “lichaam van Christus” wordt gezegd:
“De Zoon van God heeft, in de menselijke natuur die Hij met zich verenigde, door zijn dood en verrijzenis de dood overwonnen, de mens verlost en hem tot een nieuw schepsel hervormd (vgl. Gal. 6,15; 2 Kor. 5,17). Immers door hun zijn Geest mee te delen, heeft Hij zijn broeders, die Hij uit alle volkeren heeft samengeroepen, op geheimvolle wijze tot zijn lichaam gemaakt. (…) In het breken van het eucharistisch brood worden wij werkelijk deelachtig aan het lichaam van de Heer en tot gemeenschap met Hem en onder elkaar verheven. ‘Omdat het brood één is, vormen wij allen te zamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood’ (1 Kor. 10,17)” (LG).
Ook daar dient men de verdienste van kardinaal Ratzinger te erkennen dat hij deze intrinsieke band tussen deze twee beelden van de Kerk naar waarde heeft geschat: de Kerk is “lichaam” van Christus omdat zij “bruid” is van Christus! Met andere woorden, aan de oorsprong van het beeld van de Kerk als lichaam van Christus ligt bij de heilige Paulus de stoïcijnse metafoor van de samenwerking van de ledematen van het menselijk lichaam (soms gebruikt hij deze toepassing, zoals in Rom. 12,4 ss en in 1 Kor. 12,12 ss): namelijk de huwelijksband van het ene vlees dat man en vrouw vormen door zich in het huwelijk te verenigen (Ef. 5,29-32) en nog meer de Eucharistische gedachte van het ene lichaam dat gevormd wordt door wie hetzelfde brood nuttigen: “Omdat het brood één is, vormen wij allen te zamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood” (1 Kor. 10,17) .
Het is haast overbodig eraan te herinneren dat dit de kern is van het Augustiniaanse begrip van de Kerk, wat soms de indruk gaf dat de Kerk als lichaam van Christus eenvoudigweg geïdentificeerd werd met de Eucharistie als lichaam van Christus . Dit wordt aangetoond door de evolutie van de uitdrukking “mystiek lichaam” van Christus, eerst geassocieerd met de Eucharistie en daarna stilaan met de Kerk, zoals dat vandaag het geval is . Deze visie brengt zoals men weet, de katholieke ecclesiologie en de Eucharistische ecclesiologie van de orthodoxe Kerk het meest bij elkaar. Zonder de Kerk en zonder de Eucharistie, zou Jezus Christus op aarde geen “lichaam” hebben.

 

  1. 3. Van de Kerk naar de ziel

 

Een dikwijls door de Kerkvaders herhaald en toegepast principe zegt op hoogdravende toon “Ecclesia vel anima », de Kerk of de ziel . De betekenis daarvan is deze: wat over het algemeen over de Kerk gezegd wordt, is mutatis mutandis in het bijzonder toepasselijk op elke persoon in de Kerk. Van de heilige Ambrosius is de uitspraak: “Het is in de zielen dat de Kerk mooi is . Maar houden wij ons aan het doel van deze meditaties, namelijk de aspecten die rechtstreekser “stichtelijk” zijn voor de ecclesiologie van het concilie, en stellen wij ons de vraag: wat kan de idee van de Kerk als lichaam van Christus en bruid van Christus betekenen voor de beleving en realisatie van het spirituele leven van een christen?
Als de Kerk in haar diepste innerlijk het lichaam van Christus is, dan realiseer ik de Kerk in mij, dan ben ik een “kerkelijk wezen” ,  in de mate dat ik Christus toelaat van mij Zijn lichaam te maken, niet alleen in theorie maar ook concreet. Wat telt is niet de plaats die ik in de Kerk inneem, maar de plaats die Christus inneemt in mijn hart!
Objectief gesproken gebeurt dat door de sacramenten, vooral door twee ervan: het doopsel en de Eucharistie. Het doopsel hebben wij één enkele keer ontvangen, de Eucharistie daarentegen dagelijks. Vandaar het belang om de Eucharistie te vieren en te ontvangen, opdat zij haar zending werkelijk zou kunnen vervullen, die erin bestaat ons tot Kerk te maken. De befaamde uitspraak van de Lubac “de Eucharistie maakt de Kerk” is toepasselijk op de gemeenschap maar ook op de persoon: de Eucharistie maakt ieder van ons tot lichaam van Christus, dat wil zeggen tot Kerk. En ook hier zou ik willen gebruik maken van kardinaal Ratzinger en zijn diepe woorden:
“Gemeenschap betekent dat de schijnbaar onoverkomelijke hinderpaal van mijn ik gebroken is (…) het betekent dus fusie van levens. Zoals in de voeding, kan het lichaam een vreemde substantie assimileren en aldus leven; zo wordt mijn ik door Jezus geassimileerd, op Hem gelijkend gemaakt in een uitwisseling die de scheiding telkens meer uitwist” .
Twee levens, het mijne en dat van Christus, vormen nog slechts één leven, “zonder verwarring noch verdeeldheid”, niet hypostatisch, zoals in de menswording, maar mystiek en reëel. Twee “ikken” worden één “ik”; niet mijn kleine “ik” als schepsel, maar dat van Christus, zodanig dat ieder van ons na het ontvangen van de Eucharistie met Paulus mag durven zeggen: “ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij” (Gal. 2,20). In de Eucharistie, zo schrijft Nikolaas Cabasilas, “dringt Christus in ons binnen om één met ons te worden. Hij verandert ons en transformeert ons in Hemzelf. Wij zijn als een kleine druppel water in een immense oceaan van parfum” .
Het beeld van de Kerk als lichaam van Christus is intrinsiek verbonden met het beeld van de Kerk als bruid van Christus, zo werd gezegd. En dat kan ons helpen om de Eucharistie in de diepte, “mystagogisch” te beleven. De brief aan de Efeziërs zegt dat het huwelijk tussen mensen een symbool is van de eenheid tussen Christus en de Kerk: “Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één vlees zijn. Dit geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de Kerk” (Ef. 5,31-32). Volgens de heilige Paulus is de onmiddellijke consequentie van het huwelijk, dat de vrouw over het lichaam van de echtgenoot beschikt en vice-versa, de man over het lichaam van de vrouw (cf 1 Kor. 7,4).
Toegepast op de Eucharistie betekent dit dat het onvergankelijk en levengevend vlees van het mens geworden Woord, het “mijne” wordt, maar mijn vlees, mijn mensheid, worden ook die van Christus, zij behoren Hem toe. In de Eucharistie ontvangen wij het Lichaam en het Bloed van Christus, maar Christus “ontvangt” ook ons lichaam en ons bloed! Jezus, schrijft de heilige Hilarius van Poitiers, neemt in Zijn eigen lichaam slechts het vlees op van wie het Zijne neemt . Jezus zegt ons: “Neemt, dit is Mijn Lichaam”, maar ook wij kunnen Hem zeggen: “neem, dit is mijn lichaam”.
In zijn Eucharistische dichtbundel, “Lied van de verborgen God”, noemt de toekomstige paus Karol Wojtyla dit nieuwde subject, van wie Christus het leven getransformeerd heeft, een “Eucharistisch ik”: “Het wonder van de transformatie zal zeker plaatshebben: Gij – Eucharistisch Ik - zult mij worden” .
Er is niets in mijn leven dat niet aan Christus toebehoort. Niemand zou kunnen zeggen: “Ach, Jezus, Gij weet niet wat het wil zeggen getrouwd te zijn, vrouw te zijn, een kind verloren te hebben, ziek, bejaard, een kleurling te zijn!”. Als gij het weet, weet Jezus het ook, dank zij u en in u. Wat Christus tijdens Zijn beperkt bestaan op aarde niet “naar het vlees” kon ervaren, zoals gelijk wie bepaalde ervaringen heeft, dat beleeft en “ervaart” Hij nu Hij verrezen is, “naar de Geest”, dank zij de bruidsgemeenschap van de Mis. In de vrouw leeft “het vrouw zijn”, in de bejaarde “het bejaard zijn”, in de zieke “de conditie van de zieke”. Al wat “ontbrak” aan de volle “menswording” van het Woord, “voltrekt zich” in de Eucharistie.
Als de zalige Elizabeth van de Drie-eenheid schrijft: “de bruid is van de bruidegom. De Mijne heeft mij genomen, Hij wil dat ik voor Hem nog een mensheid (bovenop) ben” , toont zij de diepe zin daarvan begrepen te hebben. Het is alsof Jezus ons zegt: “Ik heb honger naar u, Ik wil van u leven, daarom moet Ik in elk van uw gedachten leven, in elke affectie die ge voelt, Ik moet leven van uw vlees, van uw bloed, van uw dagelijkse moeilijkheden, Ik moet Mij met u voeden zoals gij u voedt met Mij!”. Welke onuitputtelijke reden tot verbazing en vertroosting is de gedachte dat onze mensheid de mensheid van Christus wordt! Maar ook, wat een verantwoordelijkheid! Als mijn ogen de ogen van Christus geworden zijn, mijn mond die van Christus, is dat een sterke reden om te weigeren
dat mijn blik op wellustige beelden rust, dat mijn tong tegen mijn broeder spreekt, dat mijn lichaam een werktuig van de zonde is! “Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus. Zou ik dan wat aan Christus toebehoort wegnemen en aan een deerne geven?” (1 Kor. 6,15). Deze woorden interpelleren elke gedoopte. Maar wat te zeggen van Godgewijden, bedienaars van God, die « een voorbeeld voor de kudde » zouden moeten zijn (1 Petr. 5,3)? De gedachte aan de verschrikkelijke schade die men aan het lichaam van Christus dat de Kerk is, zou berokkenen, is om te beven.

 

  1. 4. De persoonlijke ontmoeting met Jezus

 

Tot nu heb ik gesproken over de objectieve of sacramentele bijdrage aan ons Kerk worden, dat wil zeggen aan ons lichaam van Christus worden. Maar er is ook een subjectieve en existentiële dimensie. Dat is wat paus Franciscus in Evangelii gaudium noemt « de persoonlijke ontmoeting met Jezus van Nazareth ». Beluisteren wij opnieuw zijn woorden:
“Ik nodig elke christen uit, waar en in welke situatie hij zich ook bevindt, om vandaag nog zijn persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus te hernieuwen of tenminste de beslissing te nemen zich door Hem te laten ontmoeten. Hem elke dag zonder ophouden te zoeken. Niemand moet denken dat deze uitnodiging niet voor hem is” (EG, nr. 3).
Hier moeten wij misschien een stap vooruit zetten, zelfs in betrekking tot de ecclesiologie van het concilie. In katholieke taal, is “de persoonlijke ontmoeting met Jezus” nooit een vertrouwd begrip geweest. In plaats van een “persoonlijke” ontmoeting, verkoos men een Kerkelijke ontmoeting, die dus langs de sacramenten van de Kerk gaat. De uitdrukking had in ons katholiek gehoor een vage, protestantse weerklank. Het is duidelijk dat men niet voorstelt de persoonlijke ontmoeting met Christus te vervangen door de sacramentele ontmoeting. Men wil eerder dat de sacramentele ontmoeting ook een vrijelijk besliste of bekrachtigde ontmoeting zou zijn, niet louter bij naam, juridisch of uit gewoonte.  Als de Kerk het lichaam van Christus is, is de persoonlijke aanhankelijkheid aan Christus, vanuit existentieel oogpunt, de enige manier om er binnen te gaan en er werkelijk deel van uit te maken. Om te begrijpen wat het wil zeggen een persoonlijke ontmoeting met Jezus te hebben, dient men de geschiedenis te bekijken, zij het vluchtig. Hoe werd men lid van de Kerk in de drie eerste eeuwen?  Met alle verschillen van het ene individu ten opzichte van het andere en van de ene plaats tot de andere, kwam dit ogenblik na een langdurige uitnodiging, het catechumenaat, en was het de vrucht van een persoonlijke zelfs gevaarlijke beslissing, want de mogelijkheid van het martelaarschap was reëel.
De dingen veranderden wanneer het christendom eerst een getolereerde godsdienst en daarna al vlug een godsdienst werd die de voorkeur genoot en zelfs opgelegd werd. In die nieuwe situatie wordt het accent niet langer gelegd op wanneer en hoe men christen wordt, met andere woorden op de manier om tot het geloof te komen, maar op de ethische vereisten van dat geloof zelf, op de verandering van gewoontes, met andere woorden, op de moraal.
De situatie was desondanks minder ernstig dan ons vandaag lijkt, want met alle incoherenties die wij kennen, werkten het gezin, de school, de cultuur en stilaan de samenleving, het geloof bijna spontaan in de hand. Zonder rekening te houden met het feit dat vanaf het begin van de nieuwe situatie, dat wil zeggen vanaf het begin van de 4e eeuw, levensvormen ontstonden zoals het monnikendom en daarna verschillende religieuze ordes, waarin het doopsel in heel zijn radicaliteit beleefd werd en het christenleven als de vrucht van een persoonlijke en dikwijls heldhaftige beslissing.
Deze situatie, “christendom” genoemd, is radicaal veranderd. Vandaar de noodzaak van een nieuwe evangelisatie die met de nieuwe toestand rekening houdt. Concreet gaat het erom gelegenheden te creëren die mensen van vandaag toelaten in de nieuwe context deze persoonlijke, vrije en rijpe beslissing te nemen, die de christenen in het begin namen wanneer zij het doopsel ontvingen en dat hen tot ware christenen maakte en niet alleen bij naam.
De “Ritus van christelijke initiatie van volwassenen” van 1972 is een voorstel van catechumenaat voor het doopsel van volwassenen. In sommige landen met gemengde godsdiensten, waar velen het doopsel op volwassen leeftijd vragen, blijkt dit instrument zeer doeltreffend. Maar wat voor de massa christenen die reeds gedoopt zijn en slechts bij naam christen zijn en niet in hun daden, die helemaal vreemd staan tegenover de Kerk en buiten het sacramentele leven staan?
De talloze bewegingen van de Kerk, lekengroeperingen en nieuwe gemeenschappen die na het concilie verschenen, geven op dat probleem een antwoord. Ondanks de grote verschillen van stijl en numerieke bestendigheid, zijn deze realiteiten allemaal een context en instrument dat aan zoveel volwassenen de mogelijkheid geeft een persoonlijke keuze voor Christus te maken, hun doopsel ernstig te nemen en actieve subjecten van de Kerk te worden.
Maar ik blijf niet staan bij deze pastorale aspecten van het probleem. Wat ik aan het slot van deze meditatie zou willen onderlijnen, is nogmaals het spiritueel en existentieel aspect dat ons individueel aangaat. Wat wil het zeggen, Jezus te ontmoeten en zich persoonlijk door Hem te laten ontmoeten? Dat betekent de zin uitspreken “Jezus is de Heer!”, zoals Paulus hem uitsprak en de eerste christenen en daarmee voor altijd over hun leven beslisten.
Dan is Jezus geen personage meer, maar een persoon; niet langer iemand over wie men spreekt, maar iemand tot wie en met wie men kan spreken, want Hij is verrezen en Hij leeft; een persoon die niet slechts een “herinnering” is, zelfs al is Hij liturgisch levend en werkzaam, maar een “aanwezigheid”. Dat wil ook zeggen geen enkele beslissing van enig belang te nemen zonder ze Hem eerst in gebed te hebben voorgelegd.
Ik zei bij de aanvang dat men Christus niet aanvaardt uit liefde voor de Kerk, maar de Kerk uit liefde voor Christus. Laat ons dus proberen Christus lief te hebben en Hem te doen liefhebben, dat is de beste dienst die wij de Kerk kunnen bieden. Als de Kerk de bruid van Christus is, geeft zij zoals elke bruid nieuwe kinderen door zich uit liefde met haar Bruidegom te verenigen. De vruchtbaarheid van de Kerk is afhankelijk van haar liefde voor Christus.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap


J. Ratzinger, L’ecclésiologie de Vatican II, en Eglise, œcuménisme et politique, Editions Paoline, Cinisello Balsamo, 1987, pp. 9-16).

Cf. H. Johannes Paulus II, “Novo millennio ineunte”, 42. 45.

Cf. H. U. von Balthasar, Sponsa Verbi, Essais de théologie, II, Morcelliana, Brescia  1972, pp. 139 ss. (Duitse uitg. Sponsa Verbi, Johannes Verlag, Einsiedeln 1961).

Joseph Ratzinger, Origine et nature de l’Eglise, in L’Eglise. Une communauté toujours en marche, Ed. Paoline, Cinisello Balsamo, 1991, pp. 9-31).

H. Augustinus, Discours, 272 (PL 38, 1247 s.).

Cf. H. de Lubac, in Corpus Mysticum. L’Eucharistie et l’Eglise au Moyen  Age, Aubier, Paris 1949.

Cf. Origene, Dans cant. cant. III (GCS 33, p. 185 e 190); S. Ambroise, Exp. Ps. CXVIII, 6,18 (CSEL 62, p. 117).

Cf. H. de Lubac, Exégèse mediévale, I,  2, Paris, Aubier, 1959, p.650.

Cf. J. Zizioulas, L’être ecclésial, Labor et fides, Genève 1981 (Ital. Vert. Ed. Qiqajon, Comunità di Bose 2007).

J. Ratzinger, Origine et nature de l’Eglise, cit.

N. Cabasilas, Vie en Christ, IV,3 (PG 150, 593).

H. Hilarius van Poitiers, De Trinitate, 8, 16 (PL 10, 248): “Eius tantum in se adsumptam habens carnem, qui suam sumpserit”.

K. Wojtyla, Tutte le opere letterarie, Bompiani. Milano 2000, p. 75.

Z. Elizabeth van de Drie-eenheid, Lettre 261, aan de moeder (dans Oeuvres, Roma 1967, p. 457).