2015-12-11 P. Cantalamessa, De universele roeping tot heiligheid van de christenen

 

Tweede Adventspreek 2015:


een christologische herlezing van Lumen gentium (hfd. 5)


Rome (ZENIT.org)

 

Canta
Referentie: PHOTO.VA, OSSERVATORE ROMANO Copyright e78e5ace2af891761da60ea8087e7b392fee64c17544d59a615eb8add3e55bac


 

 

Enkele dagen geleden was het de vijftigste verjaardag van de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie en dit in het Jubeljaar van de Barmhartigheid waarvoor wij u heel dankbaar zijn, Heilige Vader. Het dient gezegd dat de band tussen barmhartigheid en Vaticanum II helemaal niet willekeurig of bijkomstig is. In zijn openingstoespraak op 11 oktober 1962, plaatste de heilige Johannes XXIII het nieuwe en de stijl van het concilie in het teken van de barmhartigheid.
“De Kerk heeft nooit opgehouden tegen fouten gekant te zijn. Zij heeft ze zelfs dikwijls veroordeeld, en heel streng. Maar vandaag verkiest de Bruid van Christus eerder haar toevlucht te nemen tot de remedie van de barmhartigheid dan te dreigen met de wapens van de gestrengheid” .
Op een bepaalde manier volbrengt het Jaar van de Barmhartigheid een halve eeuw later, de trouw van de Kerk aan deze belofte. Men vraagt zich soms af of men niet het gevaar loopt die andere eigenschap van God te vergeten, de gerechtigheid, als men te veel de nadruk op de barmhartigheid legt. Maar Gods gerechtigheid spreekt Zijn barmhartigheid niet tegen, zij bestaat juist daarin! God is rechtvaardig door barmhartigheid te zijn. God is liefde; Hij doet dus recht aan Zichzelf – dat wil zeggen, Hij toont zich zoals Hij is – wanneer Hij barmhartig is. Lang voor Luther had de heilige Augustinus geschreven: “De gerechtigheid van God is die waardoor de mensen rechtvaardig zijn die God door Zijn genade rechtvaardigt, juist zoals het heil des Heren (salus Domini) het heil is waardoor de Heer ons redt (Ps. 3,9)” .
Dit put niet alle betekenissen uit van de uitdrukking “Gods gerechtigheid” maar geeft er zeker de belangrijkste betekenis van. Er zal een dag komen waarop God iedereen recht zal doen overeenkomstig diens eigen verdiensten (cf Rom. 2,5-10); maar het is niet over die gerechtigheid waarover de apostel spreekt wanneer hij zegt: “Gods gerechtigheid is openbaar geworden” (cf Rom. 3,21). De ene is een gebeurtenis die moet plaatshebben, de andere is een gebeuren in het heden. Trouwens, de apostel verklaart: “de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen, en Hij heeft ons gered, niet omdat wij iets goeds gedaan zouden hebben, maar alleen omdat Hij barmhartig is” (Tit 3,4-5).

 

1. “Wees heilig want Ik, de Heer, ben heilig”

 

Komen wij nu tot het onderwerp van deze tweede meditatie. Zij is gewijd aan het vijfde hoofdstuk van Lumen gentium, met als titel “De algemene roeping tot heiligheid in de Kerk”. In de wederwaardigheden van het concilie wordt dit hoofdstuk uitsluitend naar boven gehaald om een laat ons zeggen, redactionele kwestie. Vele concilievaders, die lid waren van religieuze ordes, hadden met aandrang gevraagd dat de kwestie van de aanwezigheid van religieuzen in de Kerk apart zou behandeld worden, zoals dat voor de leken het geval was. Zodanig dat wat één hoofdstuk moest zijn over de heiligheid van alle leden van de Kerk, twee hoofdstukken werden, waarvan één, het tweede (hoofdstuk 6 van Lumen gentium) speciaal gewijd is aan de religieuzen . Van bij het begin wordt de oproep tot heiligheid in deze bewoordingen geformuleerd:
“Allen in de Kerk, of ze nu zelf tot de hiërarchie behoren of onder haar leiding staan, (zijn) tot heiligheid geroepen, volgens het woord van de apostel: ‘God wil dat gij u heiligt’ (1 Tess 4,3; vgl. Ef. 1,4).”
Deze oproep tot heiligheid is het dringendste en nuttigste dat het concilie gerealiseerd heeft. Zonder dit, was al wat gedaan of gezegd werd, onmogelijk of nutteloos. Maar er bestaat ook het gevaar dat er het minst gevolg aan gegeven wordt, omdat God en het geweten de enigen zijn om het te eisen en op te eisen, en niet de druk of de belangen van bepaalde mensengroeperingen binnen de Kerk. Soms heeft men sinds het concilie de indruk dat bepaalde religieuze middens en families zich meer toegelegd hebben op “het maken van heiligen”, ’t is te zeggen dat zij zich meer moeite getroost hebben om hun stichters of medebroeders tot de eer van de altaren te verheffen dan dat zij hun voorbeeld of deugden navolgden.
Het eerste dat moet gebeuren wanneer men over heiligheid spreekt, is dit woord te bevrijden van het gevoel van vrees dat het opwekt, van de verkeerde beelden die wij ervan hebben. Heiligheid kan buitengewone fenomenen en beproevingen impliceren, maar identificeert zich daar niet mee. Als iedereen tot heiligheid geroepen is, is het omdat zij, juist verstaan, in ieders bereik ligt, omdat zij tot het normale christenleven behoort. Heiligen zijn als bloemen: men zet meer op het altaar dan alleen maar bloemen. Hoevelen onder hen worden in het verborgene geboren en sterven in het verborgene, na in alle stilte de lucht geparfumeerd te hebben die hen omgaf! Hoeveel van die verborgen bloemen hebben gebloeid en bloeien nog in de Kerk!
Het is van meet af aan duidelijk dat de diepe reden van deze heiligheid berust op het feit dat God heilig is: “Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig” (Lev. 19,2). In de Bijbel vat de heiligheid alle attributen van God samen. Jesaja noemt God “de Heilige van Israël”, dat wil zeggen degene die Israël als heilig gekend heeft. “Heilig, heilig, heilig”, Qadosh, qadosh, qadosh, is de kreet die de manifestatie van God begeleidt op het ogenblik dat Hij roept (Jes. 6,3). Maria weerspiegelt getrouw deze idee van de profeten en de psalmen over God, wanneer Zij in het Magnificat zegt: “Heilig is Zijn Naam”.
Wat de inhoud betreft van de idee heiligheid, suggereert de Bijbelse term qadosh de idee van afscheiding, verscheidenheid. God is heilig omdat Hij helemaal anders is met betrekking tot al wat een mens kan denken, zeggen of doen. Hij is de Absolute, in de etymologische zin van ab-solutus, dat wil zeggen losgemaakt van al het overige, apart. Hij is de Transcendente in de zin dat Hij boven al onze categorieën staat. Dit allemaal in een eerder morele dan metafysische betekenis, met andere woorden: aangaande Gods “handelen” en niet alleen Zijn wezen. In de Schriften worden vooral Gods oordelen, Zijn werken en wegen“heilig” genoemd .
Maar indien het woord “heilig” wijst op afscheiding, afwezigheid van kwaad en versmelting met God, is het begrip ervan niet negatief doch in tegendeel, uiterst positief, want het verwijst naar “zuivere volheid”. Voor ons gaan “volheid” en “zuiverheid” nooit helemaal samen. Het ene is in tegenspraak met het andere. Men wordt zuiver door zich te zuiveren en het kwaad uit onze daden weg te nemen (Jes. 1,16). Voor God is dat anders: “zuiverheid” en “volheid” bestaan samen en vormen samen de extreme eenvoud van God. De Bijbel geeft deze idee van volmaaktheid wanneer zij zegt dat aan God “niets toegevoegd of afgedaan (wordt)” (J. Sir. 42,21). Omdat Hij “hoogste zuiverheid” is, moet Hem niets afgedaan worden; omdat Hij hoogste volheid is, kan Hem niets toegevoegd worden.
Als men probeert te weten hoe de mens in de sfeer van Gods heiligheid komt en wat heilig zijn betekent, ziet men in het Oude Testament heel duidelijk de eerste plaats die aan de rituelen gegeven wordt. Gods heiligheid wordt bemiddeld door voorwerpen, plaatsen, rituelen, voorschriften.  Grote delen uit Exodus en Leviticus dragen als titel “wetten tot heiligheid”. Heiligheid ligt besloten in een codex van wetten. En deze heiligheid is zodanig dat wanneer iemand getroffen wordt door een lichaamsgebrek of wanneer iemand een onrein dier heeft aangeraakt, hij het altaar niet mag naderen, op het gevaar af zich van ontheiliging beschuldigd te zien: “zorg dus dat gij heilig zijt. Wees heilig … Verontreinig u niet door enig kruipend gedierte” (Lev. 11,44; 21,23). Bij de profeten en in de psalmen verandert de toon. Op de vraag: “Wie mag dan bestijgen de berg van de Heer, wie mag staan in zijn heilig domein?”, of “Wie van ons is tegen dit verterend vuur bestand? Wie houdt het uit bij die aanhoudende gloed?”, komt het antwoord soms in de vorm van strikt morele aanwijzingen: “Die rein is van handen en zuiver van hart” en “Hij die de wegen van het recht gaat, die waarheid spreekt” (Ps. 24,3; Jes. 33,14). Sublieme klanken, maar nog eerder geïsoleerd. Ten tijde van Jezus, bij de farizeeën en in Qumran, gelooft men nog dat heiligheid en gerechtigheid een reinigingsritueel en het onderhouden van bepaalde voorschriften veronderstellen, vooral dat van de Sabbat, zelfs als niemand in theorie vergeten heeft dat het eerste en belangrijkste gebod dat van de liefde voor God en de naaste is.

 

2. Het nieuwe van Christus

 

Overgegaan naar het Nieuwe Testament, zien wij dat de definitie van “heilige natie” vlug uitgebreid werd tot de christenen. Volgens Paulus zijn de gedoopten “heilig door roeping”, of geroepen “om heilig te zijn” . Hij noemt de gedoopten gewoonlijk “heiligen”. Gelovigen zijn “uitverkoren (…) om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde …” (Ef. 1,4). Maar onder schijnbare dezelfde terminologie, zien wij diepgaande veranderingen gebeuren. “Heiligheid” is niet meer een ritueel of wettisch feit, maar een feit van morele, zelfs ontologische orde. Zij berust niet in de handen maar in het hart; zij wordt niet buiten maar in de mens beslist en zij wordt samengevat door de liefde. “Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens; de mens wordt bezoedeld door wat de mond uitgaat” (Mt. 15,11).
Bemiddelaars van Gods heiligheid zijn geen plaatsen meer (de Tempel van Jeruzalem of de berg Gerizim), geen rituelen, voorwerpen en wetten, maar een Persoon, Jezus Christus. Heilig zijn bestaat niet meer in het zich afscheiden van het ene of het andere, maar in de vereniging met Christus. Gods heiligheid is in Jezus Christus, die ons persoonlijk en niet in een afgelegen schijnsel raakt. “Gij zijt de Heilige Gods!”: deze uitroep tot Jezus in het Evangelie weerklinkt tot twee keer (Joh. 6,69; Lc. 4,34). De Apocalyps noemt Christus simpelweg “de Heilige” (3,7). En de liturgie herneemt dit in het Gloria, “Tu solus Sanctus”, Gij alleen zijt de Heilige.
Wij komen in contact met de heiligheid van Christus en zij wordt ons op twee manieren doorgegeven: door toe-eigening en navolging. De eerste is de belangrijkste van de twee, want zij komt tot stand in het geloof en door middel van de sacramenten. Heiligheid is vooral een gave, een genade en zij is het werk van heel de Drie-eenheid. Onze heiligheid behoort meer Christus toe dan onszelf, zoals de apostel zegt (cf 1 Kor. 6,19-20) en omgekeerd, die van Christus behoort ons meer toe dan onze eigen heiligheid. “Wat Christus toebehoort – schrijft de byzantijnse theoloog Nikolaas Cabasilas – wordt het onze, meer dan hetgeen wij bezitten” . Dat is de geestdrift of de stoutmoedigheid, die wij in ons spiritueel leven zouden moeten realiseren. De ontdekking ervan gebeurt in het algemeen niet in het begin maar op het einde van de spirituele weg; niet in het noviciaat maar later, na alle andere wegen beproefd te hebben en gezien te hebben dat ze niet ver brengen.
Paulus leert ons hoe stoutmoedigheid te zijn, waar hij plechtig verklaart niet als rechtvaardig of heilig te worden aangezien omwille van wettische gerechtigheid die voortvloeit uit de observantie, maar alleen de gerechtigheid die voortvloeit uit het geloof in Jezus Christus (cf Fil. 3,5-10). Jezus, zegt hij, is voor ons “gerechtigheid, heiliging en verlossing” geworden (1 Kor. 1,30). “Voor ons”: wij kunnen Zijn heiligheid dus opeisen alsof zij de onze was. Stoutmoedig is ook de heilige Bernardus, wanneer hij uitroept: “Wat mij ontbreekt, neem ik (letterlijk: eigen ik mij toe) uit het binnenste van de Heer” . “Zich” de heiligheid van Christus “toe-eigenen”, “het koninkrijk der hemelen ontvoeren”! Een stoutmoedigheid om dikwijls in het leven te herhalen, vooral op het ogenblik van de Eucharistische communie.
Zeggen dat wij deelnemen aan de heiligheid van Christus, is zeggen dat wij deelnemen aan de Heilige Geest die van Hem komt. “In Jezus Christus” zijn of leven, staat voor de heilige Paulus gelijk met “in de Heilige Geest” zijn of leven. “Dit is het bewijs dat wij in Hem verblijven (zoals Hij verblijft in ons), dat Hij ons deel heeft gegeven aan zijn Geest” (1 Joh. 4,13).
Het is dus de Heilige Geest die ons heiligt. Niet de Heilige Geest in het algemeen, maar de Heilige Geest die in Jezus van Nazareth was, die Zijn mensheid geheiligd heeft, die in Hem bad als in een albasten vaas en die Hij van op het kruis met Pinksteren over de Kerk uitstortte. Daarom is de heiligheid die in ons is, geen andere heiligheid maar dezelfde als die in Jezus Christus. Wij zijn werkelijk “geheiligd in Christus Jezus” (1 Kor. 1,2). Zoals in het doopsel, waar het lichaam van de mens ondergedompeld en gewassen wordt in het water, wordt zijn ziel als het ware gedoopt in de heiligheid van Christus: “nu zijt gij rein gewassen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God” (1 Kor. 6,11).
Naast dit fundamentele middel van het geloof en de sacramenten, moeten ook de navolging, de werken, de persoonlijke inspanning hun plaats vinden. Niet als een ander, apart en verschillend middel maar als het unieke en enige geschikte middel om zijn geloof te uiten, om het om te zetten in daden. De tegenstelling tussen geloof en werken is een verkeerd gesteld probleem, bovenop een historisch conflict qua interpretatie. Goede werken zonder geloof zijn geen “goede” werken en geloof zonder goede werken is geen echt geloof. Het volstaat (wat helaas het geval was ten tijde van Luther) onder “goede werken” niet te verstaan: aflaten, bedevaarten en vrome werken als te onderhouden geboden, vooral dat van de naastenliefde. Op het laatste oordeel zullen sommigen uitgesloten zijn van het koninkrijk omdat zij de naakte niet gekleed hebben en de hongerige niet gevoed, zegt Jezus. Men wint het heil niet door de goede werken, maar men wint het ook niet zonder goede werken. Zo kan de leer samengevat worden van het concilie van Trente.
Het is zoals met het fysische leven. Een kind kan absoluut niets doen om in de schoot van zijn moeder ontvangen te worden: het heeft de liefde van beide ouders nodig (zo was het tenminste tot op vandaag!). Doch eens ter wereld gekomen, moet het zijn longen in werking zetten om te ademen, melk drinken; kortom, het moet zich moeite getroosten anders sterft het leven dat hij ontvangen heeft. De zin van de heilige jakobus: “geloof zonder de werken is dood” (2,26) moet in die zin begrepen worden, in de tegenwoordige tijd wil dat zeggen: geloof zonder werken sterft.
In het Nieuwe Testament wisselen twee werkwoorden over heiligheid elkaar af, het ene wordt vervoegd in de indicatief, het andere in de imperatief: “u bent heilig”, “wees heilig”. Christenen worden geheiligd en zijn geroepen om heilig te zijn . Wanneer Paulus schrijft: “God wil dat gij u heiligt”, is het duidelijk dat hij over een heiligheid spreekt die het resultaat is van een persoonlijk engagement. Hij voegt er trouwens ter verduidelijking bij waarin de heiligheid bestaat waarover hij spreekt: “door u te onthouden van ontucht. Ieder van u moet met zijn vrouw leven in heilige tucht en eerbaarheid” (c f 1 Tess. 4,3-9). Lumen gentium belicht deze twee aspecten van heiligheid goed, het ene is objectief, het andere subjectief, respectievelijk gebaseerd op het geloof en de werken. De tekst zegt: 
“De leerlingen van Christus zijn geenszins volgens hun werken, maar volgens zijn heilsbestel en genade door God geroepen en in Christus gerechtvaardigd. Door het doopsel in het geloof zijn wij ware kinderen van God, deelachtig aan de goddelijke natuur en dus werkelijk heilig geworden. Zij behoren dan ook de heiligmaking die zij ontvingen in hun leven met Gods genade te bewaren en te volbrengen.” Luther, die zag dat de Middeleeuwen Christus steeds meer gingen benadrukken als “voorbeeld tot navolging”, besloot het andere aspect te benadrukken, door te zeggen dat Christus een gave is en dat het aan het geloof is om Hem te aanvaarden” . Vandaag zijn wij het allen eens dat de twee dingen niet boven elkaar moeten geplaatst worden maar dat zij samengaan. Jezus Christus is vooral een gave om te ontvangen door middel van het geloof, maar Hij is ook een voorbeeld om na te volgen in het leven. Hij zegt het zelf in het Evangelie: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb” (Joh. 13,15); “leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt. 11,29).

 

3. Heilig of mislukt

 

Het ideaal van heiligheid in het Nieuwe Testament is nieuw. Een punt is onveranderd gebleven, het werd zelfs ontwikkeld, bij de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament. Het is de diepste motivatie van de roeping tot heiligheid, het waarom van het heilig zijn: omdat God heilig is. “ Zoals Degene die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook heilig.” Leerlingen van Christus moeten hun vijanden liefhebben, “om kinderen te worden van de Vader in de hemel, die de zon immers laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (cf Mt. 5,45). Heiligheid is dus niet iets dat men oplegt, een verantwoordelijkheid die ons op de schouders gelegd wordt, maar een voorrecht, een gave, een opperste waardigheid. Een plicht, ja, maar die voortkomt uit onze waardigheid als kinderen van God. Vandaar de Franse uitdrukking “noblesse oblige” (adel verplicht), die perfect toepasselijk is op onderhavig geval.
Heiligheid is een vereiste die eigen is aan onze staat van schepsel; ze is niet toevallig maar behoort tot onze essentie. De mens moet heilig zijn om zijn diepste identiteit te realiseren: naar “Gods beeld en gelijkenis” zijn. Voor de Schriften en voor de Griekse filosofie, is de mens niet wat bij de geboorte vastligt (physis), met andere woorden een “rationeel dier”,  maar eerder wat hij geroepen is te worden, door uitoefening van zijn vrijheid, door aan God te gehoorzamen. Meer dan om de natuur, gaat het om roeping.
Als wij dus “geroepen” zijn “om heilig te zijn”, als wij “heilig” zijn “door roeping”, dan is het duidelijk dat wij echte personen, geslaagde personen zijn, in de mate dat wij heilig zijn. In het tegengestelde geval, zullen wij mislukt zijn. Want het tegendeel van “heilig” is niet “zondaar” maar “mislukt”! Er zijn zo veel manieren om in het leven te mislukken, maar deze mislukkingen zijn relatief, zij compromitteren het wezenlijke niet. Hier echter is de mislukking radicaal, want ze speelt zich af in wat men is en niet alleen in wat men doet. Moeder Theresa had gelijk wanneer een journalist haar zonder omwegen vroeg wat zij voelde als iedereen haar “heilig” noemde; zij antwoordde: “heiligheid is geen luxe, maar een noodzaak”.
De filosoof Pascal formuleerde het principe van de drie ordes of graden van grootheid: “de orde van het lichaam of de materie, de orde van de intelligentie en de orde van de heiligheid. Een bijna oneindige afstand scheidt de orde van de intelligentie van die van het lichaam, maar de afstand is “oneindig oneindiger” tussen de orde van de heiligheid en die van de intelligentie. De genen hebben geen materiële grootheden nodig; zij voegen niets toe of nemen niets weg. Zo hebben ook de heiligen geen intellectuele grootheden nodig; hun grootheid ligt op een ander niveau. “Zij worden door God en de engelen gezien en niet door lichamen noch door nieuwsgierige geesten; God is hun voldoening” .
Dit principe laat toe dat wij de dingen en personen die ons omringen, juist analyseren. De meerderheid van de mensen blijft geblokkeerd op het eerste niveau en vermoedt zelfs het bestaan niet van een hoger niveau. Deze mensen brengen hun leven door met het opstapelen van rijkdom, het verbeteren van hun lichamelijke schoonheid of vergroten van hun macht. Anderen geloven dat intelligentie de hoogste waarde is, het toppunt van grootheid. Zij proberen beroemd te worden op het vlak van literatuur, kunst, het denken. Weinigen weten dat een derde niveau van grootheid bestaat, de heiligheid.
Deze grootheid is hoger, bijna eeuwig, want zo verschijnt zij voor Gods ogen die de ware maat is van grootheid, maar ook omdat zij het edelste in de mens tot stand brengt: zijn vrijheid. Sterk of zwak geboren worden, mooi of minder mooi, rijk of arm, intelligent of weinig intelligent, hangt niet van ons af. Daarentegen eerlijk of oneerlijk zijn, goed of kwaadaardig, heilig of zondig, behoort tot onze bevoegdheid. De musicus Gounod, die een genie was, had gelijk te zeggen “een druppel heiligheid is meer waard dan een oceaan aan genie”.
Het goede nieuws aangaande de heiligheid, is dat men niet verplicht is tussen deze drie soorten van grootheid te kiezen. Men kan in elke orde heilig zijn. Er waren en er zijn heiligen onder rijken en armen, onder sterken en zwakken, onder genieën en niet ontwikkelden. Niemand zou zich de toegang tot deze derde grootheid kunnen ontzegd zien.

 

4. Opnieuw op weg gaan naar de heiligheid

 

Onze weg naar de heiligheid gelijkt op de tocht van het uitverkoren volk in de woestijn. Die is ook bezaaid met oponthouden en opnieuw op weg gaan. De ene keer houdt het volk halt en zet het de tenten op omdat het moe is, omdat het water gevonden en voedsel heeft, of gewoon omdat altijd op weg gaan, vermoeiend is. En dan beveelt de Heer plots aan Mozes om de tenten af te breken en opnieuw op weg te gaan: “Vertrek van hier met het volk (…) en ga naar het land dat (…) Ik beloofd heb met deze eed” (Ex. 33,1).
In het leven van de Kerk wordt de uitnodiging om opnieuw op weg te gaan vooral gedaan bij het begin van de sterke tijden van het liturgisch jaar of bij bijzondere gelegenheden zoals het Jubeljaar van de Goddelijke Barmhartigheid, dat de paus onlangs geopend heeft. Voor ieder afzonderlijk is het moment om de tenten af te brengen en zich opnieuw op weg te begeven naar de heiligheid, wanneer wij deze mysterieuze oproep die van de genade komt in ons diepste voelen. Aanvankelijk is er een halte. Men houdt stil in de wirwar van bezigheden om zoals men zegt, afstand te nemen en zijn leven te bekijken, van buitenaf of van bovenaf, sub specie aeternitatis. En dan de grote vragen naar boven laten komen: “wie ben ik? wat wil ik? wat doe ik met mijn leven?”.
De heilige Bernardus kon wel monnik zijn, toch had hij een heel bewogen leven: concilies voorzitten, bisschoppen verzoenen met abten, kruistochten preken. Van tijd tot tijd, zegt zijn biograaf, vroeg hij zich af: “Bernardus, wat ben je hier komen doen?” (Bernarde, ad quid venisti?) , waarom heb je de wereld verlaten en ben je in het klooster getreden? Wij kunnen hem nadoen: onze naam uitspreken (ook dat is nuttig) en ons de vraag stellen: waarom ben je christen? Waarom ben je priester of kloosterling? Doe je datgene waarvoor je op de wereld bent?
Bekering, zoals die in het Nieuwe Testament beschreven wordt, is een bekering van het type ontwaking of het verlaten van een toestand van lauwheid. In de Apocalyps leest men zeven brieven aan de engelen (volgens bepaalde exegeten aan de bisschoppen) van de zeven Kerken van Klein Azië. Tot de engel van de Kerk van Efeze begint de brief met te erkennen dat de bestemmeling wel gedaan heeft: “Ik ken uw daden, uw inspanning en uw standvastigheid. … gij hebt om Mijnentwil zware lasten gedragen, zonder te bezwijken”. Dan komt de lijst met verwijten: “Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven” en tenslotte luidt de kreet van de Verrezene als een trompetstoot te midden van ingedommelde mensen: “Metanòeson”, met andere woorden, bekeer u! Verman u! Wordt wakker! (2,1 e.v.).
Deze brief is de eerste van de zeven. De laatste, tot de engel van de Kerk van Laodicea, is veel strenger: “Ik ken uw daden: gij zijt noch koud noch heet. Waart ge maar koud of heet!”. Bekeer u en vind uw ijver en geestdrift terug,  “Zeleue oun kai metanòeson!” (Apoc. 3,15 e.v.). Ook hier eindigt de brief zoals al de andere met deze mysterieuze waarschuwing: “Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt” (3,22).
De heilige Augustinus suggereert ons te beginnen met een verlangen naar heiligheid in ons wakker te maken: “Heel het leven van een ware christen – schrijft hij – is een heilig verlangen (dat wil zeggen, een verlangen naar heiligheid: “Tota vita christiani boni, sanctum desiderium est” . Jezus zei: “Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” (Mt. 5,6). En zoals men weet is gerechtigheid in de Bijbel, heiligheid. Laten wij dan uit elkaar gaan met een vraag die ons helpt na te denken: “heb ik honger en dorst naar heiligheid, of heb ik mij neergelegd bij middelmatigheid?”.

Vert. Maranatha-gemeenschap

Concilie Vaticanum II.  Documenti, Edizioni Dehoniane, Bologne 1967, p.47.

H. Augustinus, L'Esprit et la lettre, 32,56 (PL 44, 237).

Cf Storia del concilio Vaticano II, G. Alberigo éd., vol. IV, Bologne 1999, pp. 68 ss.

Lumen gentium, 40.

Cf Dt 32,4; Dn 3, 27; Ap 16, 7.

Cf Rm 1, 7 en 1 Kor 1, 2.

N. Cabasilas, La Vie dans le Christ IV, 6 (PG 150, 613).

H. Bernardus, Homélies sur le Cantique des cantiques, 61, 4-5 (PL 183, 1072).

 Cf 1 Kor 1, 2; 1 Pt 1,2; 2, 15.

Lumen gentium, 40.

Cf Søeren Kierkegaard, Journal X 1,A 154 (uitg. de C. Fabro, Brescia 1962, vol. I, p. 821).

B. Pascal, Les Pensées 593.

Willem van Saint-Thierry, Sa vie, ses oeuvres, I, 4 (PL 185, 238).

H. Augustinus, In Epist. Joh. 4, 6  (PL 35, 2008).