2015-12-18 P. Cantalamessa, een christologische herlezing van Lumen gentium (hfd. 8),

 

Maria in het mysterie van Christus en de Kerk

 

Derde Adventspreek 2015 :


De prediker van het Pauselijk Huis wijdde zijn derde Adventspreek aan “Maria in het mysterie van Christus en de Kerk”, met een commentaar bij het 8e hoofdstuk van de conciliaire Constitutie over de Kerk, Lumen gentium. Hij bracht de Mariologie uit het document naar voor.
Een overweging in overeenstemming met de recente wijzigingen in de Franse liturgische vertaling van het Magnificat, die twee keer het woord “barmhartigheid” terug invoerde in plaats van het meer algemene woord “liefde”; zo is de Franse vertaling bijvoorbeeld ook in overeenstemming met de Italiaanse.
“In het Magnificat verheerlijkt en dankt Maria God om Zijn barmhartigheid voor Haar. Zij nodigt uit in de loop van heel dit Jaar van de Barmhartigheid hetzelfde te doen. Zij nodigt ons uit Haar lofzang elke dag te laten weerklinken in de Kerk, als een koor achter zijn coryfee. Sta mij dan toe u uit te nodigen om samen, rechtstaande, als slotgebed het loflied tot Gods barmhartigheid te zingen dat het Magnificat is, in plaats van de Maria antifoon.”

 

  1. 1. De Mariologie in Lumen gentium

 

Deze laatste Adventsmeditatie heeft als onderwerp het 8e hoofdstuk van de Constitutie Lumen gentium, met als titel “De heilige maagd en moeder van God Maria in het mysterie van Christus en de Kerk”. Luisteren wij naar wat het concilie hierover zegt:
« De heilige maagd, van eeuwigheid samen met de menswording van het Woord van God tot moeder van God door een raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid voorbestemd, werd hier op aarde de milde moeder van de goddelijke verlosser en op heel bijzondere wijze, voor alle anderen, zijn edelmoedige gezellin en de nederige dienstmaagd van de Heer. Zij heeft Christus ontvangen, gebaard, gevoed, in de tempel van de Heer aangeboden, bij de dood van haar Zoon op het kruis meegeleden met Hem en aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Daarom is zij, in de orde van de genade, onze moeder.”
Naast de titel Moeder van God en van de gelovigen, gebruikt het concilie een andere fundamentele categorie om de rol van Maria te illustreren: die van toonbeeld of figuur van de Kerk:
“Door de gave en de taak van het goddelijk moederschap, dat haar met haar Zoon, de Verlosser, verenigt, en door haar heel bijzondere genaden en opdrachten is de heilige maagd ook met de Kerk innig verbonden: de moeder van God is het model van de Kerk, zoals de heilige Ambrosius reeds leerde, met name in de orde van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus”.
De inlassing van de kwestie van Maria in de Constitutie over de Kerk was, zoals men weet, de grootste nieuwigheid. Daardoor bracht het concilie – niet zonder pijn en scheuring – een diepgaande vernieuwing in de Mariologie, met betrekking tot de vorige eeuwen . De kwestie van Maria wordt niet meer afzonderlijk besproken, alsof Zij een bemiddelingspositie inneemt tussen Christus en de Kerk, maar zij wordt aan de Kerk verbonden, zoals dit het geval was ten tijde van de Kerkvaders. Maria wordt – in navolging van de heilige Augustinus – gezien als het voortreffelijkste lid van de Kerk, doch een lid dat helemaal apart staat, binnen in de Kerk en niet erboven:
“Maria is heilig, Maria is gelukzalig, maar de Kerk is belangrijker dan de Maagd Maria. Waarom? omdat Maria een deel is van de Kerk, een heilig lidmaat, een voortreffelijk lidmaat, in zeer hoge mate een uitstekend lidmaat, doch niettemin een lidmaat van het hele lichaam. Als zij een lidmaat is van het lichaam in zijn geheel, is het lichaam zeker en vast meer dan één enkel lidmaat”.
De twee werkelijkheden belichten elkaar wederzijds. Wat namelijk gezegd wordt over de Kerk, verlicht ons aangaande Maria en wat over Maria gezegd wordt, verlicht ons aangaande de Kerk, aangaande wat zij is, namelijk “lichaam van Christus” en zodoende, “bij wijze van spreken een verlenging van de menswording van het Woord”. Dat is wat de heilige Johannes Paulus II benadrukt in zijn encycliek Redemptoris Mater: “Het tweede Vaticaans Concilie, dat Maria voorhoudt in het mysterie van Christus, vindt op deze manier ook de weg om de kennis van het mysterie van de kerk te verdiepen”.
Een andere nieuwigheid in het Mariologische debat: de nadruk op het geloof van Maria. Een kwestie die eveneens hernomen en ontwikkeld wordt door Johannes Paulus II die het tot het centrale onderwerp van maakt van zijn encycliek over Maria. Ook hier ziet men een terugkeer naar de Mariologie van de Kerkvaders die niet zozeer de voorrechten dan wel het geloof van de Maagd als hefboom gebruiken voor Haar persoonlijke bijdrage tot het heilswerk. Ook daar herkent men de invloed van de heilige Augustinus:
“Maria heeft geloofd en wat Zij geloofde heeft zich in Haar voltrokken … Wanneer de Engel zo sprak, ontving Zij Christus in Haar ziel vooraleer Hem in Haar schoot te ontvangen en Zij antwoordde vol geloof: zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw woord”

.

2. Maria, Moeder van de gelovigen in oecumenisch perspectief

 

Wat ik nu zou willen doen is het accent leggen op de oecumenische draagwijdte van deze Mariologie van het concilie, namelijk zien hoe zij kan helpen – wat zij trouwens reeds doet – om katholieken en protestanten nader tot elkaar te brengen op een zo delicaat en controversieel terrein als de devotie tot de Maagd Maria.
 Doch eerst hou ik eraan een principe te verduidelijken dat aan de basis zal liggen van de hierna volgende overwegingen. Als Maria zich fundamenteel binnen de Kerk situeert, moeten de uitgangscategorieën en Bijbelse uitspraken die gebruikt worden om meer over Haar te weten, betrekking hebben op de mensen die de Kerk uitmaken, dan moeten zij a fortiori eerder op Haar toepasselijk zijn dan op de Goddelijke Personen, op Haar toepasselijk“door reductie”.
Voor een juist begrip van bijvoorbeeld het delicate concept van Maria’s bemiddeling in het heilswerk, is het beter te vertrekken van Haar bemiddeling als schepsel, of van beneden, zoals die van Abraham, de apostelen, de sacramenten en de Kerk zelf, in plaats van de Goddelijke en menselijke bemiddeling van Christus. Want het is niet tussen Maria en het overige van de Kerk dat de afstand het grootst is maar tussen Maria en de Kerk enerzijds en Christus en de Drie-eenheid anderzijds, met andere woorden tussen de schepselen en de Schepper.
Daaruit trekken wij de volgende conclusie: als Abraham, voor wat hij gedaan heeft, verdiend heeft in de Bijbel “ons aller vader” genoemd te worden, dat wil zeggen vader van alle gelovigen (cf. Rm 4, 16 ; Lc 16,24), dan begrijpt men beter dat de Kerk niet aarzelt Maria “ons aller Moeder” te noemen, Moeder van alle gelovigen.
Deze vergelijking tussen Abraham en Maria zegt ons nog meer, niet alleen over de titel die Haar gegeven wordt, maar ook over de inhoud en de betekenis ervan. Haar “Moeder van de gelovigen” noemen, is dat gewoonweg een eretitel, of iets meer? Hier bespeurt men de mogelijkheid van een oecumenisch discours over Maria. Calvijn interpreteert de tekst waarin God tot Abraham zegt: “Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde » (Gen. 12,3) in deze zin dat “Abraham niet alleen een toonbeeld, een leraar zal zijn, maar dat hij oorzaak van zegen zal worden”.   Een groot protestants exegeet uit onze tijd zegt dit ook:
“Men heeft zich de vraag gesteld of de woorden van Genesis 12,3 (“Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde”) alleen tot doel hadden te zeggen dat Abraham een soort zegenformule zou worden en zijn zegen een spreuk (…). Men moet terugkeren naar de traditionele interpretatie die dit woord van God begrijpt “als een bevel dat aan de geschiedenis gegeven wordt” (B. Jacob). In Gods heilsplan ziet Abraham zich de rol voorbehouden van bemiddelaar van de zegen voor alle generaties op aarde”.
Dit alles helpt ons begrijpen wat de traditie vanaf de heilige Ireneüs, over Maria zegt: dat Zij niet alleen een toonbeeld van zegen en heil is, maar ook – en op een wijze die niet uitsluitend afhangt van Gods genade en wil – oorzaak van heil. “Zoals Eva – schrijft de heilige Ireneüs – door ongehoorzaamheid oorzaak werd van dood voor haarzelf en heel het mensengeslacht, (…) zo werd Maria door te gehoorzamen, oorzaak van heil voor Haarzelf en heel het mensengeslacht”. De woorden van Maria: “van nu af prijst ieder geslacht mij zalig” (Lc. 1,48) dienen geïnterpreteerd te worden als “Gods bevel aan de geschiedenis”.
Dat de pioniers van de Hervorming aan Maria de titel en het voorrecht erkend hebben van Moeder, eveneens in de zin van “onze Moeder”, van iedereen, en “Moeder van heil”, is heel bemoedigend. In de homilie van een nachtmis zei Luther: “Welke overdadige troost en goedheid van God dat de mens zich, omdat hij gelooft, op dit kostbaar bezit kan beroemen: Maria als echte moeder te hebben, Christus als broeder, God als Vader. (…) Als ge dat gelooft, bent ge werkelijk gezeten op de schoot van Maria, moeder van ons heil” en hij zegt, over Haar nooit “iets godslasterlijk, beschamend, onwaardig of boosaardig gedacht en nog minder onderwezen of gezegd te hebben”.  
Hoe is het dan zover gekomen? Vanwaar de verwarde situatie bij onze protestantse broeders ten overstaan van Maria, zodat Maria in sommige middens wordt neergehaald, de katholieken op dit punt voortdurend worden aangevallen, en al wat de Schriften over Haar zeggen over het hoofd wordt gezien?
Het is hier niet de ideale plaats om de geschiedenis opnieuw te overlopen; ik wil alleen spreken over de weg die volgens mij zal helpen om uit deze droevige situatie rond Maria te geraken. Deze weg gaat langs de eerlijke erkenning van ons, katholieken, dat wij in de loop der laatste eeuwen heel dikwijls hebben bijgedragen tot het onaanvaardbaar maken van Maria in de ogen van onze protestantse broeders, door haar soms overdreven en onbedachtzaam te vereren maar vooral door de devotie tot Haar niet onder te brengen in een duidelijk Bijbels kader, waar Haar ondergeschikte rol ten overstaan van het Woord Gods, de Heilige Geest en Jezus zelf, goed zichtbaar zou zijn. De Mariologie is in de loop der eeuwen een echte fabriek geworden van nieuwe titels, nieuwe devoties, dikwijls in tegenstelling tot de protestanten, en gebruikt Maria – onze gemeenschappelijke Moeder - soms als een wapen tegen hen.
Tegenover die tendensen heeft Vaticanum II opportuun gereageerd. Het gaf als aanbeveling dat de gelovigen “zich met de grootste zorg hoeden voor ieder woord of ieder gebaar dat onze afgescheiden broeders, of iedere andere persoon, in dwaling zou kunnen brengen over de ware leer van de Kerk” op dit punt en het herinnerde de gelovigen eraan dat “ware devotie helemaal niet bestaat in een steriele en vluchtige gevoelsbeweging, noch in lege lichtgelovigheid”.
Van protestantse kant dient men, denk ik, de negatieve invloed vast te stellen die de antikatholieke polemiek had op hun houding tegenover Maria, maar ook het rationalisme. Maria is geen idee maar een concrete persoon, een vrouw en als dusdanig leent Zij zich er niet gemakkelijk toe getheoretiseerd of herleid te worden tot een abstract principe. Zij is de volmaakte icoon van Gods eenvoud. Daarom kon Zij in een klimaat dat mateloos gedomineerd wordt door het rationalisme, toch niet van de theologische horizont verwijderd worden.
De Lutherse Moeder Basilea Schlink, enkele jaren geleden overleden, heeft in de schoot van de Lutherse Kerk een gemeenschap van religieuzen gesticht, “Zusters van Maria” genoemd, vandaag over meerdere landen verspreid. In één van haar boeken trekt zij deze conclusie, na meerdere verwijzingen naar teksten van Luther over Maria:
“Bij het lezen van deze woorden van Luther die Maria tot op het einde van zijn leven vereerd heeft, haar feesten vierde en dagelijks het Magnificat zong, voelt men hoezeer wij in het algemeen verwijderd zijn van een juiste houding tegenover Haar … Wij zien hoezeer wij ons, evangelische christenen, hebben laten onderdompelen door het rationalisme … Rationalisme, dat alleen aanvaardt wat het met de rede kan begrijpen, en dat met zijn verspreiding, de Mariafeesten en al wat ermee in verband staat, uit de evangelische Kerk heeft verjaagd; het heeft de zin doen verliezen van iedere verwijzing in de Bijbel naar Maria. Vandaag nog lijden wij onder deze erfenis. Als Luther met deze zin: “Na Christus is Zij in heel de christenheid het kostbare, nooit genoeg geloofde juweel”, deze lof inprent, moet ik wat mij betreft bekennen te behoren tot degenen die het gedurende vele jaren van hun leven niet deden en die aldus voorbijgingen aan wat de Schrift zegt: “Van nu af prijst ieder geslacht mij zalig” (Lc. 1,48). Ik bevond mij niet onder die generaties”.
Al die uitgangspunten laten ons toe de hoop te koesteren dat katholieken en protestanten ooit min of meer, minder verdeeld zullen zijn, maar verenigd met Maria in een gemeenschappelijke verering, misschien anders naar de vorm, maar gemeenschappelijk in de erkenning dat Zij wel degelijk Moeder van God en Moeder van de gelovigen is. Persoonlijk heb ik met vreugde enig teken van verandering kunnen vaststellen. Meer dan eens had ik de gelegenheid voor een protestants auditorium over Maria te spreken en ik heb bemerkt dat het goed onthaald werd, één keer zelfs met veel emotie, zoals bij de genezing van het geheugen.

 

3. Maria, Moeder en Dochter van Gods barmhartigheid

 

Laten wij het oecumenisch discours nu ter zijde en proberen wij te zien of het Jaar van de Barmhartigheid ons niet zou helpen een grotere zekerheid over de Moeder van God te ontdekken. Maria wordt in het Salve Regina, een zeer oud gebed, aanroepen als « Mater misericordiae », “Moeder van barmhartigheid”; in hetzelfde gebed wordt Haar gevraagd: « illos tuos misericordes oculos ad nos converte », “richt op ons Uw barmhartige ogen”. In de openingsmis van het Jubeljaar op het Sint-Pietersplein, op 8 december, stond naast het altaar een zeer oude icoon van de Moeder Gods. Zij kwam uit een Grieks katholiek heiligdom in Jaroslav (Polen), gekend onder de naam “Poort van barmhartigheid”.
Maria is Moeder en Poort van barmhartigheid in een dubbele betekenis. Zij was de poort waarlangs Gods barmhartigheid met Jezus in de wereld kwam, en Zij is nu de poort waarlangs wij Gods barmhartigheid binnengaan, waarlangs wij ons aandienen voor de “Troon van barmhartigheid” die de Drie-eenheid is. Dat is allemaal waar maar het is slechts één aspect van de band die Maria met Gods barmhartigheid verbindt. Maria is inderdaad geen simpel kanaal of middelares die Gods barmhartigheid doorgeeft; Zij is er het voorwerp en de eerste bestemmelinge van. Zij is degene die voor ons barmhartigheid verkrijgt ; maar ook degene die barmhartigheid gekregen heeft ; niet alleen “moeder” maar ook “dochter” van Gods barmhartigheid.
 De twee woorden “barmhartigheid” en “genade” zijn synoniemen. In de Drie-eenheid is alleen de liefde “natuur” en geen “genade”, liefde, maar geen barmhartigheid. Dat de Vader de Zoon bemint, is geen genade of toewijzing, het is een intrinsieke behoefte; de Vader heeft er nood aan te beminnen om als Vader te bestaan. Dat de Zoon de Vader bemint, is geen toewijzing of genade, het is een intrinsieke behoefte, ook al is zij helemaal vrij; Hij heeft er nood aan bemind te worden en te beminnen om Zoon te zijn. Het is wanneer God de wereld schept met vrije schepselen, dat Zijn liefde een belangloze en onverdiende gave wordt, met andere woorden: genade en barmhartigheid. En dit zelfs voordat de zonde er was. Deze zal alleen de gave in vergeving doen veranderen.
De titel “vol van genade” wil dus ook zeggen “vol barmhartigheid”. Trouwens, Maria zegt het in Haar Magnificat: “zijn keus viel op zijn eenvoudige dienstmaagd”, “zijn milde erbarming indachtig”, “barmhartig is Hij tot in lengte van dagen”. Maria voelt dat Zij Gods barmhartigheid geniet, dat Zij er een bevoorrechte getuige van is. In Haar handelt Gods barmhartigheid niet om zonden te vergeven, maar om Haar tegen zonde te beschermen.
God heeft met Haar gedaan wat een goede geneesheer zou doen ten tijde van een epidemie, zei de heilige Theresia van het Kind Jezus. Hij zou van huis tot huis gaan om besmette mensen te verzorgen; maar als iemand hem bijzonder aan het hart ligt, zoals zijn echtgenote of moeder, zal hij ervoor zorgen, als hij kan, dat zij de ziekte zelfs niet oploopt. Dat is wat God gedaan heeft door Maria van de erfzonde te vrijwaren krachtens de verdiensten van het lijden van Zijn Zoon.
Over Jezus’ mensheid zegt de heilige Augustinus: “Waardoor en hoe had deze mensheid (van Maria), verenigd met het eeuwige Woord van de Vader, zodat Zij met de enige Zoon van God slechts één persoon vormde, deze gunst verdiend? Wat voor goeds had Zij gedaan voor God mens werd? Wat had Zij gedaan, wat had Zij geloofd, wat had Zij gevraagd, dat Zij verdiende verheven te worden tot zo een hoge graad van heerlijkheid?”. En trouwens: “Zoek de verdienste, zoek de gerechtigheid, overweeg en zie of ge iets anders vindt dan genade”.
Deze woorden zeggen ons eveneens meer over de persoon van Maria. Des temeer moet men zich de vraag stellen: wat had Zij, Maria, gedaan om de gunst te verdienen Haar mensheid aan het Woord te geven? Wat had Zij geloofd, gevraagd, gehoopt of geleden, om heilig en onbevlekt ter wereld te komen? Zoek ook hier de verdienste, zoek de gerechtigheid, zoek al wat ge wilt en zie of ge in het begin in Haar iets anders vindt dan genade, ’t is te zeggen dan barmhartigheid!
De heilige Paulus zal heel zijn leven niet ophouden zich te beschouwen als een vrucht en trofee van Gods barmhartigheid. Hij noemt zich “iemand die door de ontferming des Heren betrouwbaar is” (1 Kor. 7,25). Hij beperkt zich niet tot het formuleren van de leer over de barmhartigheid, hij getuigt ervan: “hoewel ik eertijds een godslasteraar was, een vervolger en geweldenaar … is mij barmhartigheid bewezen” (1 Tim. 1,12).
Maria en de apostel leren ons dat de beste manier om Gods barmhartigheid te preken, is te getuigen van de barmhartigheid die God met ons had. En ook ons de vrucht weten van Gods barmhartigheid in Jezus Christus (het voelen, het niet noodzakelijk zeggen). Ooit bevrijdde Jezus een arme man die bezeten was van een onreine geest. Deze wou Hem volgen en zich bij de groep van de leerlingen aansluiten; Jezus stond het niet toe, maar zei tot hem: “ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen” (Mc. 5,19 e.v.).
In het Magnificat verheerlijkt en dankt Maria God om Zijn barmhartigheid voor Haar. Zij nodigt ons uit in dit Jaar van de Barmhartigheid hetzelfde te doen. Zij nodigt ons uit Haar loflied elke dag in de Kerk te laten weerklinken, als een koor achter zijn coryfee. Sta mij dan toe u uit te nodigen om samen, rechtstaande, als slotgebed, in plaats van de Maria antifoon, het loflief te zingen op Gods barmhartigheid dat het Magnificat is. “Hoog verheft nu mijn ziel de Heer …”.
Zeer heilige Vader, eerbiedwaardige vaders, broeders en zusters: Zalig Kerstfeest en Gelukkig Jaar van de Barmhartigheid!

Vert. Maranatha-gemeenschap

LG, 61.

LG, 63.

Voor details over het Mariologische schema in de gesprekken op het concilie, cf. Histoire du concile Vatican II, G. Alberigo, II, p. 520-522 ; III, p. 446-449 ; IV, p. 74 sq.

H. Augustinus, Sermon 72,7 (Miscellanea Agostiniana, I, Roma 1930, p. 163).

H. Johannes-Paulus II, Enc. Redemptoris Mater, 5.

Cf. LG, 58.

RM, 5 : « In deze overwegingen wil ik vooral ‘de pelgrimstocht van het geloof » voor de geest brengen, die de Allerheiligste Maagd gegaan is en waarin Zij de eenheid met Christus trouw bewaarde ».

H. Augustinus, Sermons, 215, 4 (PL, 38, 1074).

Calvijn, Le livre de la Genèse, I, Genève 1961, p. 195.

G. von Rad, Das erste Buch Moses, Genesis, Göttingen9 1972 (Ital. vert. Genesi, Brescia, 1978, p. 204).

H. Ireneus, Adv. Haer. III, 22,4.

Luther, Kirchenpostille (uitg. Weimar, 10,1, p. 73).

H. Zwingli, Predigt von der reinen Gottgebärerin Maria (in Zwingli, Hauptschriften, der Prediger, I, Zurich 1940, p. 159).

LG, 67.

Moeder Basilea Schlink, Maria, der Weg der Mutter des Herrn, Darmstadt 19824  (Italiaanse uitg., Milan, Ancora, 1983, p.102-103).

H. Augustinus, La prédestination des saints, 15,30 (PL 44,981) ; Discours 185,3 (PL 38,999).