2016-12-02 P. Cantalamessa, Eerste Adventspreek :

 

Ik geloof in de Heilige Geest

Rome (ZENIT.org)

 

De Heilige Geest “is niet gewoon Gods manier van doen, een energie of iets ongrijpbaars dat het universum binnenstroomt (…), Hij is een ononderbroken relatie, dus een persoon”, benadrukt pater Raniero Cantalamessa, prediker van het Pauselijk Huis, in zijn eerste Adventspreek van dit jaar op 2 december.
Deze meditatie zet de cyclus in van preken op vrijdag in de vier weken van de Advent, in aanwezigheid van paus Franciscus, rond het thema “Laten wij de roes van de Geest sober drinken”. De eerste meditatie heeft als titel: Ik geloof in de Heilige Geest.
Pater Cantalamessa zegt dat de Heilige Geest niet “de derde persoon van het enkelvoud” is maar “de eerste persoon van het meervoud”: “Om het menselijk uit te drukken: wanneer de Vader en de Zoon over de Heilige Geest spreken, zeggen Zij niet “Hij”, maar “Wij”, omdat Hij degene is die Hen verenigt”.
P. Cantalamessa doet ook opmerken dat de Heilige Geest “de minst gekende en minst beminde van de Drie is, alhoewel Hij de Liefde in Persoon is”.

 

1. De nieuwigheid na het concilie

 

Met de viering van de 50e verjaardag van het slot van het Tweede Vaticaans Concilie, eindigde de eerste fase van de postconciliaire tijd en werd een andere ingeluid. Terwijl de eerste gekenmerkt werd door problemen in verband met het “onthaal” van het concilie, denk ik dat de tweede zal gekenmerkt worden door het eindresultaat en de integratie van het concilie; anders gezegd, door een herlezing van het concilie in het licht van de verkregen resultaten, waarbij het accent gelegd wordt op wat nog ontbreekt of wat in de concilieteksten slechts in embryonaal stadium aanwezig was.

De grootste nieuwigheid na het concilie heeft in de theologie en het leven van de Kerk een precieze naam: de Heilige Geest. Het concilie was zeker niet onwetend over Zijn werking in de Kerk, maar sprak bijna altijd “terloops” over Hem, het vermeldde Hem dikwijls maar zonder Zijn centrale rol te belichten, zelfs in de Constitutie over de Liturgie. Tijdens een gesprek in de Internationale Theologische Commissie, herinner ik me een sterke uitspraak hierover van p. Yves Congar; hij sprak over een Heilige Geest die her en der over de teksten uitgestrooid was, zoals suiker op een taart, zonder hem in het deeg te laten doordringen.

De ontdooiing was evenwel begonnen. Wij mogen zeggen dat de intuïtie van de heilige Johannes XXIII die het concilie aankondigde als “een nieuw Pinksteren voor de Kerk”, zijn vruchten pas later heeft gemanifesteerd, toen het concilie ten einde was, zoals dat trouwens dikwijls het geval is in de geschiedenis van de concilies.

In het volgende jaar zal de Charismatische Vernieuwing de 50e verjaardag vieren van haar intrede in de katholieke Kerk. Deze beweging is één van de vele tekens – het meest duidelijke door de omvang van het fenomeen – van het ontwaken van de Geest en de charisma’s in de Kerk. Het concilie had het onthaal ervan voorbereid door in Lumen gentium te spreken over een “charismatische” dimensie van de Kerk, naast haar “institutionele” en “hiërarchische” dimensies, en door te insisteren op het belang van de charisma’s (1). In de homilie van de chrismamis op Witte Donderdag 2012, zei Benedictus XVI: “Wie naar de geschiedenis kijkt van de tijd na het concilie, kan de dynamiek van de ware vernieuwing herkennen, die dikwijls onverwachte vormen heeft aangenomen in levendige bewegingen die de onuitputtelijke levendigheid van de heilige Kerk, de aanwezigheid en efficiënte werkzaamheid van de Heilige Geest bijna tastbaar maken”.

Deze nieuwe ervaring van de Heilige Geest stimuleerde tegelijk de theologische reflectie (2). Na het concilie hebben de verhandelingen over de Heilige Geest zich vermenigvuldigd, die van Congar (3), Rahner (4), Mühlen (5) en von Balthasar (6), bij de lutheranen die van Moltmann (7) en Welker (8) en zo vele anderen. Aan de kant van het Leergezag was er de encycliek van de heilige Johannes Paulus II Dominum et vivificantem. Voor de 1600e verjaardag van het concilie van Constantinopel van 381, liet de paus in persoon een internationaal congres over pneumatologie organiseren in het Vaticaan, waarvan de akten gepubliceerd werden in twee dikke boeken door de Libreria Editrice Vaticana, onder de titel Credo in Spiritum Sanctum (9).

De laatste jaren zien we een stap vooruit in die richting. Tegen het einde van zijn loopbaan deed Karl Barth een provocerende uitspraak die gedeeltelijk ook zelfkritiek was. Hij zei dat zich in de toekomst een andere theologie zou ontwikkelen, “de theologie van het derde artikel”. Onder “derde artikel” verstond hij natuurlijk het artikel van het Credo over de Heilige Geest.  Zijn voorstel viel niet in dovemansoren. Van daaruit vertrok de stroming die vandaag dus “theologie van het derde artikel” genoemd wordt.

Ik denk niet dat een dergelijke stroming de traditionele theologie wil vervangen (het zou een vergissing zijn indien ze daarop aanspraak zou willen maken), maar dat ze haar eerder wil ondersteunen en verlevendigen. Deze stroming neemt zich voor de Heilige Geest niet alleen tot voorwerp  te maken van de Pneumatologie, maar ik zou eveneens zeggen, de sfeer waarin heel het leven van de Kerk en ieder theologisch onderzoek zich afspeelt, “het licht der dogma’s”, zoals een oude Kerkvader de Heilige Geest definieerde.

De meest volledige voorstelling van deze recente theologische stroming is de verzameling van essays die in september laatstleden in het Engels verscheen onder de titel “Theologie van het derde artikel. voor een pneumatologische dogmatiek” (10). In dat boek, dat uitgaat van de leer over de Heilige Drie-eenheid volgens de grote traditie, bieden theologen van de verschillende christelijke Kerken hun bijdrage, als inleiding op een systematische theologie die meer open staat voor de Geest en beter antwoord geeft op de huidige vereisten. Ook mij werd als katholiek gevraagd, daartoe bij te dragen met een essay over “Christologie en pneumatologie in de eerste eeuwen van de Kerk”.

 

2. Het Credo anders lezen

 

De redenen die deze nieuwe theologische oriëntatie rechtvaardigt zijn niet alleen van dogmatische maar ook van historische orde. met andere woorden, men begrijpt beter wat de theologie van het derde artikel is en aanbiedt, als men rekening houdt met de manier waarop het huidige symbolum van Nicea-Constantinopel tot stand kwam. Uit die geschiedenis komt duidelijk de uitnodiging naar voor om dit symbolum eens achterste voor te lezen, ’t is te zeggen, beginnend bij het eind in plaats van bij het begin.

Ik probeer te verduidelijken wat ik wil zeggen. Het symbolum van Nicea-Constantinopel weerspiegelt het christelijk geloof in zijn eindstadium, na alle verduidelijkingen en definities van de concilies, waaraan in de 5e eeuw een einde kwam. Het weerspiegelt de orde die bereikt werd op het einde van het proces om het dogma te verwoorden, maar het weerspiegelt niet het proces op zich. Anders gezegd, het komt niet overeen met het proces waarmee het geloof van de Kerk zich historisch feitelijk gevormd heeft en het beantwoordt evenmin aan het proces waarmee men vandaag tot geloof komt, dat namelijk begrepen wordt als een levend geloof in een levende God.

In het huidige Credo vertrekt men van God Vader en Schepper, dan gaat men over van de Vader naar de Zoon en Zijn verlossingwerk, en tenslotte naar de Heilige Geest en Zijn werking in de Kerk. In werkelijkheid volgt het geloof de omgekeerde weg. Het was de ervaring van de Geest op Pinksteren die de Kerk ertoe bracht te ontdekken wie Jezus echt was en wat Zijn onderricht was. Met Paulus, maar vooral met Johannes, komt men ertoe van Jezus terug te gaan tot de Vader. Het is de Parakleet die volgens Jezus’ belofte (Joh. 16,13) de leerlingen tot “de volle waarheid” over Hem en de Vader brengt.

Ziehier hoe de heilige Basilius van Cesarea het verloop van de openbaring en heilsgeschiedenis samenvat : « De weg van de kennis van God gaat dus uit van de ene Geest, door de ene Zoon, tot de ene Vader ; en in omgekeerde zin, vloeien de natuurlijke goedheid, de heiligheid van de natuur en de koninklijke waardigheid voort uit de Vader, door de Eniggeborene, tot in de Geest » (11).
Met andere woorden, in de orde van de schepping en het zijn, vertrekt alles van de Vader, gaat door de Zoon en komt tot ons in de Geest ; in de orde van de verlossing en de kennis, begint alles met de Heilige Geest, gaat door de Zoon en keert terug naar de Vader. Wij mogen zeggen dat de heilige Basilius de echte pionier is van de theologie van het derde artikel! In de Westerse traditie wordt dit alles samengevat in de eindstrofe van de hymne Veni Creator. De Kerk richt zich tot de Heilige Geest en bidt: Doe ons de Vader en de Zoon, aanschouwen in de hoge troon, o Geest, van beiden uitgegaan, wij bidden u gelovig aan.

Maar dat betekent niet dat het Credo van de Kerk niet volmaakt is of moet veranderd worden. Het kan niet anders zijn dan wat het is. Dit is de manier om het te lezen en de commentaar moet soms veranderen om opnieuw de weg te gaan die geleid heeft tot de vormgeving ervan. Tussen de twee manieren om het Credo te gebruiken – als eindproduct of in zijn vormgeving – bestaat hetzelfde verschil  als tussen een persoonlijke bestijging van de Berg Sinaï vroeg in de morgen, beginnend bij het Sint-Katharinaklooster, ofwel iemands verhaal lezen die de beklimming voor ons gemaakt heeft.

 

3. Een commentaar bij het “derde artikel

 

Om aan deze vereiste te beantwoorden, zou ik in de drie Adventsmeditaties overwegingen willen aanbieden over bepaalde aspecten van de werking van de Heilige Geest, precies uitgaande van het derde artikel van het Credo. Het bevat drie grote uitspraken. Beginnen wij met de eerste:

 

a. « Ik geloof in de Heilige Geest, die Heer is en het leven geeft »


Het Credo zegt niet dat de Heilige Geest « de » Heer is, (een beetje voordien verkondigt men in het Credo : ik geloof “in één Heer, Jezus Christus » !). Heer (in de oorspronkelijke tekst, to kyrion, onzijdig!) wijst hier op de natuur, niet op de persoon; de tekst zegt wat de Heilige Geest is, niet wie Hij is. Helaas gaat het verschil tussen het mannelijke o kyrios en het onzijdige to kyrion in de overgang van het Grieks naar het Latijn verloren. “Heer” wil zeggen dat de Heilige Geest deelt in Gods heerschappij, dat Hij aan de zijde van de Schepper is, niet van de schepselen; anders gezegd, dat Hij van Goddelijke natuur is.

De Kerk was tot die zekerheid gekomen, niet alleen door zich op de Schriften te baseren maar ook op haar eigen heilservaring. De Geest, schreef reeds de heilige Athanasius, kan geen schepsel zijn want wanneer wij door Hem geraakt worden (in de sacramenten, het Woord, het gebed) ervaren wij dat we in contact treden met God in persoon en rechtstreeks. Als Hij ons vergoddelijkt, wil dat zeggen dat Hij zelf God is (12). 

Had men in het symbolum niet hetzelfde maar uitdrukkelijker kunnen zeggen, dat de Heilige Geest louter en eenvoudigweg “God is en substantieel met de Vader”, zoals men voor de Zoon gedaan heeft? Zeker, en dat is de kritiek die door sommige bisschoppen, onder wie Gregorius van Nazianze, onmiddellijk na het concilie van Constantinopel gegeven werd. Om redenen van opportuniteit en vrede, verkoos men hetzelfde te zeggen met gelijkwaardige bewoordingen, door aan de Geest naast de titel van Heer,  isotimie toe te kennen, dat wil zeggen de gelijkheid met de Vader en de Zoon in de aanbidding en verheerlijking van de Kerk.

De volgende uitdrukking volgens dewelke de Heilige Geest “het leven geeft” komt uit verschillende passages van het Nieuwe Testament: “het is de Geest die levend maakt” (Joh. 6,63); “de wet van de Geest die in Jezus Christus het leven schenkt” (Rom 8,2); “de laatste Adam werd een levendmakende Geest” (1 Kor. 15,45); “de letter doodt maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 3,6).

Drie vragen dringen zich dan aan ons op. Ten eerste, welk leven geeft de Heilige Geest? Antwoord: Hij geeft het Goddelijk leven, het leven van Christus. Een boven-natuurlijk leven, geen natuurlijk superleven; Hij schept een nieuwe mens, niet de supermens van Nietzsche, “opgeblazen van leven”.
Ten tweede, waar geeft Hij ons dat leven? Antwoord: in het doopsel dat trouwens aangeboden wordt als een nieuwe geboorte in de Geest (cf Joh. 3,5), in de sacramenten, het woord Gods, het gebed, het geloof, en in het lijden dat in vereniging met Christus aanvaard wordt.
Ten derde, hoe geeft de Geest ons het leven? Antwoord: door de werken van het vlees te doen sterven! “Als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven’, zegt de heilige Paulus in de Brief aan de Romeinen (8,13).

 

b. “… die voortkomt uit de Vader (en de Zoon); die met de Vader en de Zoon te zamen wordt aanbeden en verheerlijkt”


Laat ons nu overgaan tot de grote uitspraak over de Heilige Geest in het Credo. Tot hier sprak het symbolum van het geloof ons over de natuur van de Geest, nog niet over de persoon; het zegt ons wat de Geest is, niet wie Hij is; het zegt ons wat de Heilige Geest gemeenschappelijk heeft met de Vader en de Zoon – het feit God te zijn en het leven te geven. Met deze uitspraak gaat men over tot wat de Heilige Geest onderscheidt van de Vader en de Zoon. Wat Hem van de Vader onderscheidt is dat Hij uit Hem voortkomt; wat Hem van de Zoon onderscheidt, is dat Hij niet door verwekking maar door uitblazing voortkomt uit de Vader, niet zoals een begrip (logos) dat uit het verstand komt, maar zoals de adem die uit de mond komt.

Dat is het centrale element van het artikel uit het Credo, waarmee men de plaats wou bepalen die de Parakleet in de Drie-eenheid inneemt. Dit deel van het symbolum is vooral gekend door de kwestie van het Filioque, dat een millennium lang het voornaamste voorwerp van onenigheid was tussen Oost en West. Ik sta niet stil bij dit reeds te veel besproken probleem. Trouwens, ik heb er hier zelf over gesproken in verband met de eensgezindheid in geloof tussen Oost en West, tijdens de Vasten van het voorbije jaar (13).  

Ik beperk mij ertoe het accent te leggen op wat wij van dit deel van het symbolum kunnen onthouden en dat ons gemeenschappelijk geloof verrijkt, los van de theologische discussies. Dit deel van het artikel van het Credo zegt ons dat de Heilige Geest geen arme verwante is van de Drie-eenheid. Hij is niet gewoonweg Gods “manier van doen”, een energie of iets ongrijpbaars dat het universum binnenstroomt, zoals de stoïcijnen dachten; Hij is een “ononderbroken relatie”, een persoon dus.

Niet “de derde persoon van het enkelvoud” maar eerder, zo zei iemand, “de eerste persoon van het meervoud”. Het “Wij” van de Vader en de Zoon (14). Om het menselijk uit te drukken: wanneer de Vader en de Zoon over de Heilige Geest spreken, zeggen Zij niet “Hij”, maar “Wij”, omdat Hij degene is die Hen verenigt. Hier ziet men de buitengewone vruchtbaarheid van de intuïtie van de heilige Augustinus, voor wie de Vader degene is die bemint, de Zoon degene die bemind wordt en de Geest de liefde die hen verenigt, de wederzijdse gave. Op die basis is de overtuiging van de Westerse Kerk gefundeerd, volgens dewelke de Heilige Geest voortkomt “uit de Vader en de Zoon”. Ondanks alles, zal de Heilige Geest steeds de verborgen God blijven, ook al kennen wij Zijn uitwerkingen. Hij is als de wind: men ziet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat, maar men ziet de effecten ervan als hij voorbijkomt. Hij is als het licht dat al wat ervoor ligt, verlicht, terwijl het zelf verborgen blijft.

Daarom is Hij de minst gekende en minst beminde Persoon van de Drie, alhoewel Hij de Liefde in Persoon is. Het is voor ons gemakkelijker te denken aan de Vader en de Zoon als personen, maar moeilijker voor de Geest. Geen enkele menselijke categorie kan ons dit mysterie helpen begrijpen. Om over God de Vader te spreken, hebben wij de hulp van de filosofie die zich bezighoudt met de eerste oorzaak (de God van de filosofen); om over de Zoon te spreken hebben wij de menselijke analogie met de menselijke band tussen vader en zoon, en voor het Woord dat mens werd, hebben wij ook de geschiedenis. Om over de Heilige Geest te spreken hebben wij niets tenzij de openbaring en de ervaring. De Schriften zelf spreken over Hem en maken daarvoor steeds gebruik van natuurlijke symbolen: licht, vuur, wind, water, geur, duif.

Wij zullen pas in het paradijs echt weten wie de Heilige Geest is. Wij zullen Hem zelfs beleven in een leven dat geen einde kent, in een verdieping die ons immense vreugde geeft. Hij zal zijn als een heel zacht vuur dat onze ziel zal onderdompelen en met zaligheid vervullen, zoals wanneer liefde iemands hart raakt en deze persoon zich gelukkig voelt.

 

c. “… die gesproken heeft door de profeten”


Dat is de derde en laatste grote uitspraak over de Heilige Geest. Na in het eerste deel van het artikel (de Geest die Heer is en het leven geeft) ons geloof beleden te hebben in de levenwekkende en heiligende werking van de Geest, wordt nu gesproken over Zijn charismatische werking. Eén charisma wordt voor iedereen vermeld, het charisma dat Paulus het belangrijkste vindt, namelijk profetie (cf 1 Kor. 14). Van ditzelfde charisma wordt een bijzonder moment vermeld: de Heilige Geest die “gesproken heeft door de profeten”, dat wil zeggen in het Oude Testament. Deze uitspraak is gebaseerd op verschillende teksten van de Schriften, maar in het bijzonder op 2 Petr. 1,21: “door de heilige Geest gedreven hebben mensen gesproken van Godswege”.

 

Een artikel om te vervolledigen

 

De brief aan de Hebreeën zegt: “nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen  gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon” (cf Hebr. 1,1-2). De Geest heeft dus niet opgehouden door de profeten te spreken; Hij deed het met Jezus en doet het vandaag nog in de Kerk. Het ontbreken hiervan in het symbolum, en ook andere leemtes, werd beetje bij beetje aangevuld in de praktijk van de Kerk, zonder dat daarom de tekst van het Credo diende aangevuld te worden (zoals dit het geval was in de Latijnse wereld met de toevoeging van het Filioque). Men heeft er een voorbeeld van in de epiklese van de orthodoxe liturgie, van de heilige Jakobus geheten, die zegt: “Zend … Uw allerheiligste Geest, Heer en Levenwekker, die met U, God en Vader, zetelt en met Uw enige Zoon; die consubstantieel en eeuwig met U heerst. Hij heeft gesproken in de Wet, in de Profeten en in het Nieuwe Testament; Hij is neergedaald in de gedaante van een duif op onze Heer Jezus Christus aan de oever van de Jordaan, rustte op Hem en is … de dag van het heilig Pinksteren op de heilige apostelen neergedaald” (15).

Men zou ontgoocheld zijn indien men in het artikel over de Heilige Geest alles, of ten minste het beste zou willen vinden in wat de Bijbel over Hem openbaart. Dit belicht de natuur en beperktheid van iedere dogmatische definitie. Het artikel heeft niet tot doel alles te zeggen over een aspect van het geloof, maar een gebied af te bakenen waarbinnen iedere uitspraak over Hem moet geplaatst worden, die door geen enkele andere uitspraak mag tegengesproken worden. In ons geval, komt hierbij het feit dat het artikel opgesteld werd op een ogenblik waarop de reflectie over de Parakleet in haar beginstadium stond en dat dwingende historische redenen (de keizer verlangde vrede) een compromis tussen de partijen opdrongen, zoals ik daarjuist zei.

Maar we hebben niet alleen de woorden van het Credo over de Parakleet. Theologie, liturgie en christelijke vroomheid, zowel in het Oosten als het Westen, hebben de magere uitspraken van het geloofssymbolum met “vlees en bloed” bekleed. In de Pinkstersequentie wordt de intieme en vertrouwelijke relatie weerspiegeld tussen de Heilige Geest en elke ziel (een dimensie die totaal afwezig is in het symbolum) in titels als “vader der armen”, “licht van de harten”, “zoete gast van de ziel” en “zoete en milde verkwikking”.

Dezelfde sequentie richt tot de heilige Geest een reeks gebeden, die wij bijzonder mooi vinden en die aan onze behoeften beantwoorden. Zeggen wij ze om te eindigen samen op en dat ieder daaronder de bede probeert te vinden die hij voor zich de meest noodzakelijke vindt:
Was wat vuil is en onrein, overstroom ons dor domein, heel de ziel die is gewond. Maak weer zacht wat is verstard, koester het verkilde hart, leid wie zelf de weg niet vond.

 

1  Lumen gentium 12.
2  Cf. La redécouverte de l’Esprit. Expérience et théologie de l’Esprit Saint, par Claus Hartmann et Herbert Mühlen, Milaan 1975 (oorspronkelijke uitg., Erfahrung und Theolgie des Heiligen Geistes, München 1974).
3  Y. Congar, Je crois en l’Esprit Saint, 2, Brescia 1982, pp. 157-224
4  K. Rahner, Erfahrung des Geistes. Meditation auf Pfingsten, Herder, Fribourg i. Br. 1977.
5  H. Mühlen , Der Heilige Geist als Person. Ich – Du – Wir, Münster in W., 1963
6  U. von Balthasar, Spiritus Creator, Brescia 1972, p. 109
7  J. Moltmann, Lo Spirito della vita, , Brescia 1994, pp. 102-108.
8  M. Welker, Lo Spirito di Dio. Teologia dello Spirito Santo, Brescia 1995, p.62.
9  Uitgegeven door Libreria Editrice Vaticana in 1983.
10  Third Article Theology: A Pneumatological Dogmatics, a cura di Myk HabetsFortress Press, Septembre 2016.
11  Basilius van Cesarea, De Spiritu Sancto XVIII, 47 (PG 32 , 153).
12  H. Athanasius, Brieven aan Serafinus, I, 24 (PG 26, 585).
13  Cf. mijn boekje Deux poumons, une seule respiration. Vers une pleine communion de foi entre Orient et Occident, Editions des Béatitudes 2016.
14  Cf H. Mühlen, Der Heilige Geist als Person. Ich – Du – Wir, Aschendorff, Münster in W. 1963. De eerste die de Heilige Geest het „goddelijke Wij“ noemde, was S. Kierkegaard, Dagboek II A 731 (23 april 1838).
15  In A. Hänggi – I. Pahl, Prex Eucharistica, Fribourg, Suisse, 1968, p. 250.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap