2016-12-09 P. Cantalamessa, Tweede Adventspreek :

de Heilige Geest en het charisma van onderscheiding

Rome (ZENIT.org)

 

« Wij moeten ons hoeden voor een bekoring : de bekoring om raad te willen geven aan de Heilige Geest, in plaats van Zijn raad te ontvangen », benadrukt pater Raniero Cantalamessa. Hij stelt “een subtiele manier” vast “om aan de Heilige Geest te suggereren wat Hij met ons zou moeten doen en hoe Hij ons zou moeten leiden”. Maar de Heilige Geest “leidt, Hij wordt niet geleid”. “De Heilige Geest is bij elke onderscheiding de voorman”, verzekert P. Cantalamessa. “De Heilige Geest verspreidt in het algemeen geen licht in de ziel op een miraculeuze en buitengewone manier, maar heel gewoon, door het woord van de Schrift”: “Zo gebeuren de belangrijkste onderscheidingen in de geschiedenis”. En hij zegt ook:  het woord van God verlicht “beter dan eender welke raad van mensen”.

Vervolgen wij onze reflectie over de werking van de Heilige Geest in het leven van de christen. De heilige Paulus vermeldt een bijzonder charisma, “onderscheiding van de geesten” genoemd (1 Kor. 12,10). Oorspronkelijk heeft deze term een heel precieze betekenis: hij wijst op de gave die toelaat om onder geïnspireerde of profetische woorden die in een samenkomst uitgesproken worden, te onderscheiden welke woorden van de Geest van Christus komen en welke van andere geesten, ’t is te zeggen van de geest van de mens, van een duivelse geest of van de geest van de wereld.

Ook volgens de evangelist Johannes is dat de fundamentele betekenis. Onderscheiden is onderzoeken of de geesten wel van God komen (cf 1 Joh. 4,1-6). Volgens Paulus is het fundamentele criterium van onderscheiding, de belijdenis dat Jezus “de Heer” is (cf 1 Kor. 12,3); volgens Johannes is het de erkenning dat Jezus “in het vlees gekomen is”, met andere woorden de menswording. Bij hem heeft de onderscheiding reeds een theologische functie, het criterium om ware en valse leerstellingen, om orthodoxie en ketterij te onderscheiden, wat later centraal zal worden. 

 

1. Onderscheiding in het leven van de Kerk

 

Er zijn twee domeinen waarop deze gave van onderscheiding der geesten moeten uitgeoefend worden: het domein van de Kerk en het persoonlijk vlak. In het leven van de Kerk gaat de onderscheiding der geesten langs de autoriteit van het leergezag, die naast andere criteria ook moet rekening houden met het aanvoelen van de gelovigen, de sensus fidelium.

Ik zou willen stilstaan bij een bijzonder punt dat in discussies binnen de Kerk rond bepaalde problemen van dienst kan zijn. Het gaat om de onderscheiding van de tekenen des tijds. Het concilie verklaart: “De Kerk heeft te allen tijde de opdracht de tekenen des tijds te doorzoeken en in het licht van het evangelie te interpreteren. Op deze wijze kan zij dan, op een aan elke generatie aangepaste wijze, een antwoord geven op de voortdurende vragen van de mensen over de zin van het huidige en toekomstige leven en over de onderlinge verhouding daartussen” (1).

Het is duidelijk dat als de Kerk de tekenen des tijds in het licht van het Evangelie moet onderzoeken, dit niet is om de remedies en regels van altijd toe te passen op de “tijden”, met andere woorden op de toestanden en nieuwe problemen die in de samenleving opduiken, maar om daar nieuwe antwoorden op te geven, “aangepast aan elke generatie” zoals de tekst zegt die ik kom te citeren. De moeilijkheid op deze weg – die heel ernstig moet genomen worden – is de angst om de autoriteit van het leergezag te compromitteren door veranderingen in haar beslissingen toe te laten.

Er is een beschouwing die, denk ik, kan helpen om deze moeilijkheid in een geest van gemeenschap te overstijgen. De graad van onfeilbaarheid die de Kerk en de paus opeisen, staat zeker niet boven degene die toegeschreven wordt aan de geopenbaarde Schrift. Dat de Bijbel niet dwaalt, is een waarborg dat de gewijde schrijver de waarheid uitdrukt op een manier en in een mate die weerspiegelt wat gezegd en gehoord kon worden op het ogenblik waarop hij schreef. Wij zien dat zo veel waarheden zich langzaam en geleidelijk vormen, zoals die over het hiernamaals en het eeuwig leven. Ook op moreel vlak worden zo veel gebruiken en oude wetten later achterwege gelaten ten gunste van wetten en criteria die beter beantwoorden aan de geest van het Verbond. Eén voorbeeld onder de vele: in het boek Exodus wordt gezegd dat God de zonen doet boeten voor de fout van de vaders (cfr. Ex. 34,7), maar Jeremia en Ezechiël zullen het tegendeel zeggen, namelijk dat God de zonen niet straft voor de fouten van de vaders, maar dat ieder zal moeten rekenschap geven van zijn eigen daden (cf Jer. 31,29-30; Ez. 18, 1 ss.).

In het Oude Testament is het beter begrijpen van de geest van het Verbond en de Torah, het basiscriterium om de oude voorschriften te overstijgen; in de Kerk is dat criterium, een herlezing van het Evangelie in het licht van de nieuwe vragen die zich aan haar opdringen. « Scriptura cum legentibus crescit », zei de heilige Gregorius de Grote : de Schrift groeit met degenen die haar lezen (2).

Wij weten dat de constante regel van Jezus op moreel vlak, zich laat samenvatten in enkele woorden: “nee aan de zonde, ja aan de zondaar”. Niemand is strenger dan Hij om onrechtvaardig verworven rijkdom te veroordelen, maar Hij nodigt zichzelf bij Zacheüs uit en alleen het feit naar hem toe te gaan, is voldoende om hem te veranderen. Hij veroordeelt overspel, ook overspel in het hart, maar vergeeft de overspelige vrouw en geeft haar terug hoop; Hij bevestigt de onverbreekbaarheid van het huwelijk maar spreekt met de Samaritaanse die vijf mannen had en openbaart haar het geheim dat Hij aan niemand zo expliciet gezegd had: “dat ben Ik (de Messias) die met u spreekt” (Joh. 4,26). 

Als wij ons afvragen hoe zo een scherp onderscheid tussen zonde en zondaar zich theologisch rechtvaardigt, is het antwoord heel simpel: de zondaar is een schepsel van God, naar Zijn beeld gemaakt, en hij bewaart zijn waardigheid ondanks alle afwijkingen; de zonde is Gods werk niet, ze komt niet van Hem maar van de vijand. Het is de reden waarom Jezus Christus zich in alles aan ons gelijk gemaakt heeft, “behalve in de zonde” (Hebr. 4,15).

Om deze plicht tot onderscheiding van de tekenen des tijds na te komen, is er een belangrijke factor: de collegialiteit onder de bisschoppen. Deze collegialiteit, zegt een passage uit Lumen gentium, is “gezamenlijk beslissen over de meer belangrijke vraagstukken, waarbij de eindbeslissing tot stand komt door een afwegen van de raad van velen” (3). Door effectieve beoefening van de collegialiteit draagt de verscheidenheid aan lokale toestanden en standpunten, inzichten en gaven bij, waarvan elke Kerk en elke bisschop de dragers zijn, in het onderscheiden en oplossen van problemen. 

Wij hebben daarvan een ontroerende illustratie in het eerste “concilie” van de Kerk, dat van Jeruzalem. Veel ruimte werd gegeven aan twee tegengestelde standpunten, het ene hield vast aan de wet van Mozes en het andere stond open voor de heidenen; er was een heftige discussie, die hen uiteindelijk echter toeliet hun beslissing aan te kondigen met deze buitengewone woorden: “De heilige Geest en wij hebben besloten …” (cf Hand. 15, 28).

Men ziet hier dat de Geest de Kerk op twee manieren leidt: soms direct en charismatisch, door openbaring en profetische inspiratie; soms collegiaal, door een geduldige en moeilijke confrontatie en zelfs door een compromis tussen de verschillende partijen en standpunten. De woorden van Petrus op de dag van Pinksteren en bij Cornelius zijn zeer verschillend van de woorden die hij nadien zal spreken om zijn beslissing tegenover de oudsten te rechtvaardigen (cf Hand. 11,4-18; 15,14); de eerste toespraak is charismatisch van aard, de tweede collegiaal.

Men dient dus vertrouwen te hebben in de Geest, in zijn capaciteit om op te treden en overeenstemming te bereiken, ook als het soms lijkt dat het geheel aan iedere controle ontsnapt. Telkens herders van christelijke Kerken op lokaal of universeel niveau samenkomen voor onderscheiding of om belangrijke beslissingen te treffen, zou in ieders hart de vertrouwvolle zekerheid moeten leven die samengevat wordt door twee verzen van het Veni Creator: Ductore sic te praevio – vitemus omne noxium – “leid Gij ons voort, opdat geen kwaad, geen ongeval ons leven schaadt”.

 

2. Onderscheiding in het persoonlijk leven

 

Laat ons nu overgaan naar de onderscheiding in het persoonlijk leven. Als charisma dat toegepast wordt op iedere enkeling, heeft de onderscheiding der geesten in de loop der eeuwen een aanzienlijke evolutie gekend. Zoals wij gezien hebben, moest deze gave oorspronkelijk dienen om de inspiratie van anderen te onderscheiden, van hen die in de samenkomst gesproken of geprofeteerd hadden; daarna, diende het vooral om de eigen inspiratie te onderscheiden. Deze evolutie is niet willekeurig; het gaat namelijk over dezelfde gave, zij het uitgeoefend in twee verschillende situaties en over twee verschillende voorwerpen. Een groot deel van wat geestelijke schrijvers zeiden over de gave van raad, is ook toepasselijk op het charisma van onderscheiding. Door middel van de gave of het charisma van raad, helpt de Heilige Geest situaties te evalueren en keuzes te maken, niet alleen op basis van criteria van wijsheid en menselijke voorzichtigheid, maar ook in het licht van de bovennatuurlijke principes van het geloof.

De eerste fundamentele onderscheiding der geesten is degene die de Geest van God onderscheidt van de geest van de wereld (cf 1 Kor. 2,12). De Heilige Paulus geeft een objectief criterium ter onderscheiding, hetzelfde als dat van Jezus: de vruchten. De “werken van het vlees” brengen aan het licht dat een zeker verlangen van de oude, zondige mens komt; de vruchten van de Geest tonen dat het van de Geest van God komt (cf Gal. 5,19-22). “De zelfzucht begeert tegen de Geest en de Geest tegen de zelfzucht, want ze zijn elkaars tegenstanders” (Gal. 5,17).

Soms volstaat een objectief criterium niet omdat de keuze niet gaat tussen goed en kwaad, maar tussen het ene goed en een ander goed, en gaat het erom te zien wat God in een bijzondere omstandigheid wil. Het is vooral om aan deze vereiste te beantwoorden dat de heilige Ignatius van Loyola zijn leer over de onderscheiding ontwikkelde. Hij vraagt naar iets in het bijzonder te kijken: zijn eigen innerlijke gesteltenis, de bedoelingen (de “geesten”) die achter een bepaalde keuze liggen. Hiermee voegt hij zich in een reeds bestaande traditie. Een middeleeuwse auteur had geschreven: “Wie kan verifiëren of de geesten van God komen, tenzij hij van God de onderscheiding der geesten ontvangen heeft, om zo de gedachten, affecties en bedoelingen van de geest nauwkeurig te kunnen onderzoeken zonder zich te vergissen? Deze onderscheiding ligt aan de bron van alle deugden en iedereen heeft ze nodig, hetzij om anderen te leiden, hetzij om zichzelf te leiden en te verbeteren … Dat is ware onderscheiding, waarin oprechtheid van denken en zuiverheid van bedoeling mekaar ontmoeten” (4).

De heilige Ignatius suggereerde praktische middelen om deze criteria toe te passen (5). Eén ervan is dit. Tegenover twee mogelijke keuzes, zou men eerst bij de ene moeten stilstaan, alsof men zeker was deze te kiezen, zich er één of meerdere dagen op fixeren; daarna de reacties van het hart tegenover deze keuze verifiëren: is het vredig, komt deze keuze overeen met andere, reeds gemaakte keuzes; moedigt een stem in u, u in deze richting aan of wordt ge daarentegen omgeven door een stem van onrust. Dezelfde procedure met de tweede hypothese herhalen. Alles in een sfeer van gebed, overgave aan Gods wil, openheid voor de Heilige Geest.

Aan de basis van de onderscheiding ligt bij de heilige Ignatius zijn leer over de « heilige onverschilligheid » (6). Zij bestaat erin zich in een toestand van totale beschikbaarheid te plaatsen om Gods wil te ontvangen, en van meet af aan af te zien van iedere persoonlijke voorkeur, zoals een weegschaal die klaar is om over te hellen naar de kant waar het gewicht het zwaarst is. Zo wordt de ervaring van de innerlijke vrede het hoofdcriterium bij iedere onderscheiding. De keuze die na rijpe overweging en gebed in overeenstemming geacht wordt met Gods wil, zal het meest vrede nalaten in het hart.

In de grond gaat het erom de oude raad toe te passen die de schoonvader Jetro gaf aan Mozes: aan God de zaken voorleggen en Zijn antwoord biddend afwachten (cf Ex. 18,19). In elk geval is de goede basisgesteltenis van Gods wil te doen, de meest gunstige voorwaarde voor goede onderscheiding. Jezus zei: “mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond” (Joh. 5,30).

Het gevaar bestaat er vandaag in dat sommige manieren om onderscheiding te begrijpen en toe te passen, de psychologische aspecten zodanig accentueren, dat zij uiteindelijk vergeten dat de Heilige Geest de voorman is bij elke onderscheiding. De evangelist Johannes ziet als doorslaggevende factor bij onderscheiding, “de zalving van degene die heilig is”, dat wil zeggen de Heilige Geest (1 Joh. 2,20). De heilige Ignatius herinnert er ook aan dat in sommige gevallen alleen de zalving van de Heilige Geest toelaat te onderscheiden wat moet gedaan worden (7). Daar is een diepe theologische reden voor. De Heilige Geest is zelf de substantiële wil van God en wanneer Hij een ziel binnenkomt « manifesteert Hij zich als de wil van God voor degene in wie Hij zich bevindt » (8).

Onderscheiding is in de grond noch een kunst noch een techniek, maar een charisma, dat wil zeggen een gave van de Geest! De psychologische aspecten hebben veel belang, maar zijn bijkomstig, anders gezegd, zij komen nadien. Eén van de Kerkvaders schreef: “Het komt alleen de Heilige Geest toe onze geest te zuiveren. Men dient dus met alle middelen en vooral door de vrede van de ziel, de Heilige Geest te laten neerdalen opdat wij de lamp van de kennis in ons zouden hebben die altijd schittert. Want als zij de stralen van haar licht niet naar de intiemste diepte van onze ziel blijft sturen, zullen de vijandige en duistere aanvallen van de demonen zich niet alleen over onze geest uitstorten maar zullen zij ook veel aan kracht winnen omdat zij door dit heilig en heerlijk licht niet verjaagd worden.En daarom zegt de Apostel: “Blust de Geest niet uit” (1 Tess. 5,19)” (9).

De Heilige Geest verspreidt in het algemeen geen licht in de ziel op een miraculeuze en buitengewone manier, maar heel gewoon, door het woord van de Schrift. Zo gebeuren de belangrijkste onderscheidingen in de geschiedenis. Terwijl Antonius het woord uit het Evangelie hoorde: “als ge volmaakt wilt zijn …”, begreep hij wat hij moest doen en toen begon het monnikendom. Zo ontving Franciscus van Assisi op dezelfde manier een licht om zijn beweging van terugkeer naar het Evangelie te beginnen. “Nadat de Heer mij broeders gegeven had – schreef hij in zijn Testament – heeft niemand mij getoond wat ik moest doen, maar de Allerhoogste zelf openbaarde mij dat ik moest leven volgens het heilig Evangelie.” Hij openbaarde het hem terwijl hij in een Mis de Evangeliepassage hoorde waar Jezus tot de leerlingen zegt, de wereld in te gaan zonder iets mee te nemen voor onderweg: “geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld; niemand mag dubbele kleding hebben” (Lc. 9,3)” (10).

Ik herinner me een kleine geschiedenis van dezelfde aard. Een man kwam tijdens een zending bij mij, om over een probleem te spreken. Hij had een zoon van 11 jaar, die nog niet gedoopt was. “Als ik hem doop, zei hij, zal dat een drama zijn in de familie, want mijn vrouw is lid geworden van een sekte en wil niet horen van een doopsel in de Kerk; als ik hem niet doop, heb ik geen gerust geweten, want toen wij trouwden, waren wij allebei katholiek en hebben beloofd onze kinderen te dopen”. Een typisch geval voor onderscheiding. Ik zei hem ’s anderendaags terug te komen en mij tijd te geven om te bidden en na te denken. ’s Anderendaags kwam hij mij met een stralend gezicht tegemoet en zei: “ik heb de oplossing gevonden, pater. Ik heb in mijn Bijbel de geschiedenis gelezen van Abraham en ik heb gezien dat hij niets tegen zijn vrouw gezegd heeft toen hij zijn zoon Isaac meenam om hem te offeren!”. Het woord van God had hem beter verlicht dan gelijk welke menselijke raad. Ik heb de jongen gedoopt en het was voor iedereen een grote vreugde.

Naast het luisteren naar het woord Gods, hebben wij het gewetensonderzoek, de meest verspreide praktijk om op persoonlijk vlak te onderscheiden. Maar dit onderzoek zou zich niet moeten beperken tot een voorbereiding op de biecht, maar zou een constante capaciteit moeten worden om zich onder Gods licht te plaatsen en zich door Hem in ons diepste innerlijk te laten “onderzoeken”. Door geen gewetensonderzoek te doen of niet goed te doen, wordt de biechtgenade problematisch: ofwel weet men niet wat te biechten, ofwel is zij te zeer psychologisch of pedagogisch belast, ’t is te zeggen alleen gericht op een verbetering van het leven. Een gewetensonderzoek dat zich beperkt tot de voorbereiding op een biecht laat toe dat men enkele zonden bepaalt, maar leidt niet tot een authentieke relatie, een echt oog-in-oog met Christus. Dan wordt het gemakkelijk een lijst van onvolmaaktheden, gebiecht om zich beter te voelen, zonder die houding van echt berouw die de vreugde laat ervaren in Jezus “zo een grote Verlosser” te hebben.

 

Zich laten leiden door de Heilige Geest

 

Het concrete resultaat van deze meditatie is de beslissing te hernieuwen ons over te geven in en voor alles aan de innerlijke leiding van de Heilige Geest, als een soort van “geestelijke leiding”. Wat de joden in de woestijn betreft, staat er geschreven, dat zij pas verder trokken als de wolk zich van de woning verhief (cf Ex. 40,36-37). Ook wij niet, wij moeten niets ondernemen, als het niet gedreven is door de Heilige Geest (waarvan de wolk, volgens de Kerkvaders, het beeld was (11), en na Hem geraadpleegd te hebben voor elke onderneming.

Wij hebben een bijzonder duidelijk voorbeeld in het leven van Jezus. Hij heeft nooit iets ondernomen zonder de Heilige Geest. Hij is met de Heilige Geest de woestijn in gegaan; gedreven door de kracht van de Heilige Geest is Hij er uit weggegaan en begon Hij Zijn verkondiging; door de Heilige Geest heeft Hij de apostelen gekozen (cfr Hand. 1,2); gedreven door de Geest heeft Hij gebeden en zich aan de Vader aangeboden (cf Hebr. 9,14).

Wij moeten ons hoeden voor een bekoring: raad te willen geven aan de Heilige Geest in plaats van raad van Hem te ontvangen. “Wie kan de geest van Jahwe meten, en wie heeft Hem raad en onderricht gegeven?” (Jes. 40,13). De Heilige Geest leidt iedereen en wordt door niemand geleid; Hij leidt en wordt niet geleid. Er is een subtiele manier om de Heilige Geest te suggereren wat Hij met ons zou moeten doen en hoe Hij ons zou moeten leiden. Soms gebeurt het zelfs dat wij beslissingen nemen en ze achteloos toeschrijven aan de Heilige Geest.

De heilige Thomas van Aquino spreekt over deze innerlijke leiding van de Geest als over een “instinct dat eigen is aan de rechtvaardigen”: “Zoals in het lichamelijk leven, het licht slechts bewogen wordt door de ziel die het verlevendigt, zo zou ieder van onze bewegingen in het geestelijk leven moeten voortkomen van de Heilige Geest” (12). Zo werkt de “wet van de Geest”; dat is wat de Apostel noemt “zich door de Geest laten leiden” (Gal. 5,18).

Wij moeten ons overgeven aan de Heilige Geest zoals snaren van een harp zich overgeven aan de vingers van degene die ze bewegen. Zoals goede acteurs moeten wij het oor leggen aan de stem van de verborgen souffleur, want onze souffleur spreekt in ons, leert ons alle dingen, onderricht ons over alles. Een gewone innerlijke knipoog volstaat soms, een beweging van het hart, een gebed. Een heilige bisschop uit de 2e eeuw, Mileton van Sardes, kreeg een mooie lofrede die ik ieder van ons na zijn dood toewens: “Hij deed tijdens zijn leven alles, bewogen door de Heilige Geest” (13). Vragen wij de Parakleet onze geest en heel ons leven te leiden, met de woorden die men in het brevier met Pinksteren bidt in de Kerken van de Syrische ritus:
“Geest die aan iedereen charisma’s uitdeelt,
Geest van wijsheid en kennis, die van de mensen houdt,
vervul de profeten, vervolmaak de apostelen,
sterk de martelaren, inspireer het onderricht van de leraren!
Tot U, God Parakleet, richten wij deze smeekbeden.
Wij vragen U ons met Uw heilige gaven te vernieuwen,
op ons te rusten zoals op de apostelen in het cenakel.
Verspreid over ons Uw charisma’s,
vervul ons met de wijsheid van Uw leer,
Maak ons tot tempels van Uw heerlijkheid,
Bedwelm ons met de drank van Uw genade.
Geef ons voor U te leven,
U onze instemming te geven
en U te aanbidden,
Gij de Zuivere en Heilige, God, Geest Parakleet” (14).

 

 

1  Gaudium et spes, 4.
2  H. Gregorius de Grote, Homilies over Ezechiel 1.7, 8.
3  Lumen gentium, 22.
4  Baudouin de Forde, aartsbisschop van Canterbury, Traités, 6 (PL 204, 466).
5  Cf. St. Ignace de Loyola, Exercices spirituels, quatrième semaine (ed. BAC, Madrid 1963, pp. 262 ss).
6  Cf. G. Bottereau, Indifférence, dans « Dictionnaire de Spiritualité , vol 7, coll. 1688 ss »
7  St. Ignace de Loyola, Constitutions, 141. 414 (ed. cit, pp. 452.503).
8  Cf. Guillaume de St. Thierry, Le miroir de la foi, 61 (SCh 301, p. 128).
9  Diadoque de Photicé, Cent chapitres, 28 (SCh 5, pp. 87 ss.).
10  Thomas de Celano, Vita prima, 22 (FF, 356).
11  H. Ambrosius, Over de Heilige Geest, III, 4, 21; Over de sacramenten, I, 6, 22.
12  St. Thomas d’Aquin, Sur la Lettre aux Galates, c.V, lez.5, n.318; lez. 7, n. 340.
13  Eusebius van Cesarea, Kerkgeschiedenis, V, 24, 5.
14  Pontificale Syrorum, in E.-P. Siman, L’expérience de l’Esprit, cit., p.309.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap