2016-12-16 P. Cantalamessa, Derde Adventspreek:

 

Materiële dronkenschap doet wankelen, geestelijke dronkenschap maakt stabiel

Rome (ZENIT.org)

 

« Materiële dronkenschap (door alcohol, drugs, seks, succes) doet wankelen, maakt onzeker, terwijl geestelijke dronkenschap stabiliteit geeft in het goede”, benadrukt de prediker van het Pauselijk Huis in zijn derde Adventspreek van dit jaar in het Vaticaan.
De cyclus heeft als thema, “De nuchtere dronkenschap van de Geest”. P. Cantalamessa doet opmerken dat “beide soorten van dronkenschap vreugde inblazen”, maar materiële dronkenschap doet “leven onder de rede” en geestelijke dronkenschap doet “boven de rede”.
“Het christenleven is niet slechts een kwestie van persoonlijke groei in heiligheid; het is ook een ambt, dienstbaarheid, verkondiging, en om deze opdrachten te vervullen hebben wij “macht uit den hoge” nodig, charisma’s; in één woord, een sterke ervaring, van Pinksteren, van de Heilige Geest.”
P. Cantalamessa staat vooral stil bij “de doop in de Geest”: “het gaat om een ritus die niets esoterisch heeft, maar eerder bestaat uit gebaren van een grote eenvoud, rust en vreugde, begeleid van berouw over de zonden en de bereidheid kind te worden om het Koninkrijk binnen te gaan”.

 

1. Twee soorten van dronkenschap

 

Op Pinkstermaandag 1975, ter gelegenheid van de afsluiting van het eerste Wereldcongres van de Katholieke Charismatische Vernieuwing, gaf de zalige Paulus VI een toespraak tot de tienduizend deelnemers die in de Sint-Pietersbasiliek verzameld waren. Hij noemde deze stroming “een kans voor de Kerk”. Na zijn officiële toespraak sprak de paus deze geïmproviseerde woorden:
“In de hymne die wij vanmorgen in het brevier lazen en die teruggaat tot de 4e eeuw, staat deze zin die moeilijk te vertalen en toch heel eenvoudig is: Laeti, wat “met vreugde” betekent; bibamus, wat “laat ons drinken” betekent; sobriam, wat “goed bepaald en matig” betekent; profusionem Spiritus, “overvloed van de Geest”. Laeti bibamus sobriam profusionem Spiritus. Dat zou de leuze van uw beweging kunnen zijn, een programma en erkenning van de beweging zelf”.

Wat onmiddellijk moet opgemerkt worden, is dat deze woorden van de hymne oorspronkelijk zeker niet geschreven waren voor de Charismatische Vernieuwing. Zij behoorden steeds tot de liturgie van het brevier van de universele Kerk. Deze oproep richt zich dus tot alle christenen en ik zou ze als dusdanig ook willen aanbieden als mijn bescheiden eerbetoon aan de Heilige Vader voor zijn 80e verjaardag.
In de oorspronkelijke tekst van de heilige Ambrosius staat in de plaats van profusionem Spiritus (“overvloed van de Geest”) eigenlijk ebrietatem Spiritus , “dronkenschap van de Geest”. (1) De daarop volgende traditie vond dit laatste te stoutmoedig en heeft het vervangen door een andere, lichtere en meer aanvaardbare uitdrukking. Maar zo ging de betekenis verloren van een metafoor die zo oud is als het christendom. Het is dus terecht dat de oorspronkelijke tekst van het Ambrosiaanse vers terug ingevoerd werd in de Italiaanse vertaling van het brevier. Een strofe van de hymne uit de lauden van de vierde psalmweek zegt namelijk: “Als Christus onze spijze is en het geloof tot lafenis, dan schenkt de Geest ons goede wijn, wij zullen nuchter dronken zijn”.
Wat de Kerkvaders ertoe aanspoorde het thema van de “nuchtere dronkenschap” terug op te nemen, dat reeds door Philo van Alexandrië werd ontwikkeld, was de oproep van de apostel Paulus tot de christenen van Efeze: “Bedwelmt u niet met wijn, wat tot losbandigheid leidt, maar laat u bezielen door de Geest. Spreekt elkander toe in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte” (5,18-19).

Sinds Origenes zijn de teksten van de Kerkvaders over dit thema niet meer te tellen; zij illustreren ofwel de analogie ofwel het contrast tussen materiële en geestelijke dronkenschap. De analogie tussen de twee is dat beide soorten dronkenschap, vreugde inblazen, de zorgen doen vergeten en uit zichzelf doen treden. Het contrast is dat materiële dronkenschap (van alcohol, drugs, seks, succes) doet wankelen en onzeker maakt, terwijl geestelijke dronkenschap stabiel maakt in het goede; de eerste doet u uit uzelf treden, maar om onder de rede te leven; de tweede doet u uit uzelf treden om boven de rede te leven. Men gebruikt voor beide het woord “extase” (een naam die recent gegeven werd aan een verschrikkelijke drug!), maar de ene is een extase naar beneden, de andere naar omhoog.

Degenen die de apostelen met Pinksteren voor dronken mannen aanzagen, hadden gelijk, schrijft de heilige Cyrillus van Jeruzalem; hun enige vergissing was deze dronkenschap toe te schrijven aan gewone wijn, terwijl het om “nieuwe wijn” ging, geperst uit de “ware wijnstok”, Christus; de apostelen waren dronken, ja, maar het was een nuchtere dronkenschap die de zonde doodt en leven geeft aan het hart. (3)

Zich inspirerend aan het water dat in de woestijn uit de rots stroomt (Ex. 17,1-7) en aan de commentaar van de heilige Paulus daarop in de brief aan de Korinthiërs (“En allen dronken dezelfde geestelijke drank … allen werden wij gedrenkt met één Geest”, 1 Kor. 10,4; 12,13), schreef Ambrosius: “De Heer deed water ontspringen aan de rots en allen hebben gedronken. Zij die dronken naar het beeld, werden verzadigd; zij die in waarheid dronken, kennen de dronkenschap. Heilig is de dronkenschap die vreugde in ons verspreidt en de gedachten van de nuchtere ziel versterkt … Drink de Christus, want Hij is de wijnstok, Hij is de rots die het water deed vloeien; drink de Christus door Zijn woord te drinken … Men drinke de Heilige Schrift en voede zich met haar; dan daalt het eeuwige Woord in de aders van de geest en in het leven van de ziel”. (4)

 

2. Van dronkenschap naar nuchterheid

 

Wat zegt ons dit oxymoron vandaag over de nuchtere dronkenschap van de Geest? Hoe dit ideaal weer opnemen en belichamen in de huidige historische en kerkelijke situatie? Waar staat namelijk geschreven dat deze sterke manier om de Geest te ervaren, uitsluitend voorbehouden is voor de Kerkvaders en de eerste tijden van de Kerk, en niet meer voor ons? De gave van Christus beperkt zich niet tot een bepaalde periode, maar wordt in alle tijden aangeboden. In de schat van Zijn verlossing is er voldoende voor iedereen. Het is precies de rol van de Heilige Geest om de verlossing van Christus universeel en toegankelijk voor iedereen te maken, overal en ongeacht in welke tijd.

Vroeger gold in het algemeen dat van nuchterheid overgegaan werd naar dronkenschap. Met andere woorden, men dacht dat nuchterheid, dat wil zeggen onthouding van de dingen van het vlees, vasten aan de wereld en aan zichzelf, in één woord versterving, de weg is om tot geestelijke dronkenschap of vurigheid te komen. In die zin werd het begrip nuchterheid in het bijzonder verdiept door de orthodoxe monastieke spiritualiteit, verbonden aan het zogenaamde Jezusgebed. Nuchterheid, zegt dit gebed, is een geestelijke methode die bestaat uit aandacht en waakzaamheid om zich te bevrijden van iedere hartstochtelijke gedachte en slechte woorden, door de geest te ontdoen van iedere lichamelijke voldoening en de geest nog slechts berouw voor de zonde te gunnen en met het gebed als enige activiteit. (5)

Onder verschillende namen (ontlediging, zuivering, versterving), vindt men dezelfde ascetische leer bij de Latijnse heiligen en leraars terug. De heilige Johannes van het Kruis zegt dat men “zich voor de Heer moet ontledigen, ontbloten van al wat niet de Heer is”. (6) Wij bevinden ons hier in een levensstadium dat men “zuivering” noemt. De ziel bevrijdt zich moeizaam van haar natuurlijke gewoonten, om zich voor te bereiden op de vereniging met God en Zijn genadegaven. Deze dingen kenmerken het derde stadium, de weg van “vereniging” die de Griekse schrijvers “vergoddelijking” noemen.

Wij zijn erfgenamen van een spiritualiteit die de weg van de volmaaktheid opvat als een opeenvolging van deze wegen: eerst een lang zuiverend stadium, vooraleer naar de verenigende fase over te gaan; zich langdurig oefenen in soberheid vooraleer de dronkenschap te mogen kennen. Iedere vurigheid die zich vroeger dan de dronkenschap manifesteert, moet verdacht bevonden worden. Geestelijke dronkenschap, met al wat dat betekent, lijkt dus voorbehouden voor de volmaakten. De anderen, zij die op de weg van de vooruitgang zijn, moeten zich vooral bezighouden met versterving, en zolang zij nog tegen hun gebreken strijden, mogen zij niet beweren God en Zijn Geest reeds sterk en direct te ervaren.

Grote wijsheid en ervaring liggen aan de basis daarvan en opgelet wanneer men durft te zeggen dat deze dingen voorbijgestreefd zijn. Toch mogen wij zeggen dat zo een strak schema blijk geeft van een langzame en geleidelijke verschuiving van de genade naar de inspanning van de mens, van het geloof naar de werken, zodat het soms op pelagianisme gelijkt. Volgens het Nieuwe Testament is er een kringloop en gelijktijdigheid tussen de twee dingen: soberheid is nodig om tot de dronkenschap van de Geest te komen en de dronkenschap van de Geest is nodig om soberheid te kunnen beoefenen.

Ascese zonder een sterke stuwing van de Geest zou veel inspanningen vragen en zou slechts uitmonden in een “zelfverheerlijking van het vlees”. Volgens de heilige Paulus moeten wij “de praktijken van de zelfzucht” echter “door de Geest” doden (cf Rom. 8,13).
De Geest is ons gegeven om ons te kunnen versterven, zelfs voor we Hem als beloning ontvangen nadat we ons verstorven hebben. Een christelijk leven van ascetische inspanningen en versterving, maar zonder de levenwekkende aanraking van de Geest, zou – volgens een oude Kerkvader – op een Mis gelijken met zo veel teksten, met alle riten en zo veel offergaven, maar zonder dat de priester de speciën consacreert. Alles zou blijven als voorheen, brood en wijn.

“Hetzelfde gebeurt met de werken van een christen, besloot deze Kerkvader. Als men vast, waakt, psalmodieert en alle deugden beoefent, maar zonder de mystieke energie van de Geest, zonder de genade op het altaar van zijn hart, wat geestelijk en in rust waargenomen wordt, dan blijft heel die ascetische oefening onvolledig en bijna nutteloos, want zij beschikt niet over de vreugde van de Geest die op een mystieke manier in het hart werkzaam is”. (1)

Deze tweede weg – die van de dronkenschap naar de nuchterheid gaat – is de weg die Jezus Zijn apostelen liet volgen. Al hadden zij Hem als leraar en geestelijk leider, toch waren zij voor Pinksteren haast niet bekwaam een voorschrift van het Evangelie in praktijk te brengen. Maar wanneer zij met Pinksteren met de Heilige Geest werden gedoopt, zien wij dat zij veranderen, bekwaam worden allerlei moeilijkheden voor Christus te verdragen, tot en met het martelaarschap. De Heilige Geest was eerder de oorzaak dan de uitwerking van hun vurigheid.

Nog een andere reden spoort ons aan deze weg van dronkenschap naar nuchterheid te herontdekken. Het christenleven is niet slechts een kwestie van persoonlijke groei in heiligheid; het is ook een ambt, dienstbaarheid, verkondiging en om deze opdrachten te vervullen hebben wij “kracht uit den hoge” nodig, charisma’s, in één woord een sterke ervaring, van Pinksteren, van de Heilige Geest. Wij hebben de nuchtere dronkenschap van de Geest nodig, nog meer dan de Kerkvaders. De wereld is zo afkerig van het Evangelie geworden, zo zelfzeker, dat alleen de “sterke wijn” van de Geest haar ongeloof kan overwinnen en haar uit de zo menselijke en rationele nuchterheid kan halen, die zich voor wetenschappelijke objectiviteit laat doorgaan. Alleen geestelijke wapens, zegt de Apostel, “zijn geladen met Gods kracht, in staat om elke sterkte te breken. Wij werpen redeneringen omver, elke verschansing door de hoogmoed opgeworpen tegen de kennis van God. Wij nemen elke gedachte gevangen om haar te onderwerpen aan Christus” (2 Kor. 10,4-5).

 

3. Doop in de Geest

 

Wat zijn de “plaatsen” waar de Geest vandaag werkzaam is op deze sterke en zichtbare manier? Luisteren wij nogmaals naar de heilige Ambrosius, onder de Latijnse Kerkvaders de dichter bij uitstek die de nuchtere dronkenschap van de Geest bezongen heeft. Na te herinneren aan de twee klassieke “plaatsen” waar de Geest kan geput worden – de Eucharistie en de Schriften – vermeldt hij een derde mogelijkheid. Hij zegt: “Er is een andere dronkenschap die komt van de doordringende regen van de Heilige Geest. Het is de dronkenschap die degenen die in de Handelingen van de Apostelen in tongen spraken, doet gelijken op dronken mensen”. (2)

Na herinnerd te hebben aan de gewone middelen, maakt de heilige Ambrosius allusie op een ander, een buitengewoon middel, in de zin dat het niet op voorhand vastligt, dat het niet ingesteld is. Dit middel bestaat erin de ervaring van de apostelen op Pinksteren, te laten herleven. Ambrosius wou op deze laatste mogelijkheid zeker niet wijzen om zijn toehoorders te zeggen dat zij er geen recht op hadden, omdat het uitsluitend voorbehouden is voor de apostelen en de eerste christengeneratie. In tegendeel, hij wou de gelovigen naar deze ervaring doen verlangen, naar deze “doordringende regen van de Heilige Geest” die met Pinksteren plaatshad.

De mogelijkheid aan de Geest te putten om deze nieuwe, persoonlijke weg in te slaan, die alleen afhankelijk is van het vrije en soevereine initiatief van God, wordt dus ook aan ons aangeboden. Wij zouden niet in de vergissing van de farizeeën en schriftgeleerden mogen vervallen, die tot Jezus zeiden: “Zes dagen zijn er waarop gewerkt moet worden. Komt u dus op die dagen laten genezen en niet op de sabbatdag” (Lc. 13,14). Wij zouden kunnen bekoord zijn tot God te zeggen of in ons hart te denken: “Er zijn toch zeven sacramenten om te heiligen en de Geest te geven, waarom dan daarbuiten, op deze nieuwe en ongewone manier?”.

Een middel waardoor deze werking van de Geest zich buiten de institutionele kanalen van de genade manifesteert, is precies de Charismatische Vernieuwing. De theoloog Yves Congar sprak tot het Internationaal Congres voor Pneumatologie, dat in 1981 in het Vaticaan plaatshad voor de 1600e verjaardag van het Oecumenisch Concilie van Constantinopel, over de tekens van het ontwaken van de Heilige Geest in onze tijd: “Waarom deze charismatische stroming hier niet vermelden, gekend onder de naam Vernieuwing in de Geest? Zij heeft zich meegedeeld als een vuur in het struikgewas. Dat is iets heel anders dan mode. Als een vormgeving van christelijke actie is ze verwant aan wat bestond in het protestantisme van de 19e eeuw en het begin van deze eeuw (…). Maar dat ze niet kan geassimileerd worden met de protestantse Reveils, laat het verschillend woordgebruik reeds aanvoelen. Men spreekt over Vernieuwing als een jeugd, een frisheid en nieuwe mogelijkheid voor de oude Kerk, onze moeder. Inderdaad, de Vernieuwing situeert zich zonder uitzonderingen - die zijn zeker heel zeldzaam - binnen in de Kerk, en verre van haar klassieke instellingen in vraag te stellen, geeft zij hen opnieuw leven”. (3)

Het belangrijkste middel waarmee de Vernieuwing in de Geest “het leven van mensen verandert”, is de doop in de Geest. Ik breng het hier ter sprake zonder enige bedoeling van proselitisme, maar alleen omdat ik het terecht vind dat men in het hart van de Kerk een realiteit kent die miljoenen katholieken aangaat.

De uitdrukking “doop in de Geest” komt van Jezus zelf. Verwijzend naar het Pinksteren dat zou komen, zegt Hij voor Zijn hemelvaart tot de apostelen: “Johannes doopte met water, maar gij zult over enkele dagen gedoopt worden met de heilige Geest” (Hand. 1,5). Het gaat om een ritus die niets esoterisch heeft, maar eerder bestaat uitgebaren van een grote eenvoud, rust en vreugde, begeleid van berouw over de zonden en de bereidheid kind te worden om het Koninkrijk binnen te gaan. Het is een vernieuwing en actualisering niet alleen van het doopsel en vormsel maar van heel het christenleven: voor echtgenoten van het huwelijkssacrament, voor priesters van hun wijding, voor godgewijden van hun religieuze geloften. De betrokkene bereidt zich daarop voor met een goede biecht, met catechese waarbij hij opnieuw en op een levendige en blije manier in contact gebracht wordt met de grote waarheden en realiteiten van het geloof: Gods liefde, de zonde, het heil, het nieuwe leven, transformatie in Jezus Christus, de charisma’s, de vruchten van de Geest. De meest frequente en mooiste vrucht is te herontdekken wat een persoonlijke ontmoeting met de verrezen en levende Christus betekent. Volgens de katholieke interpretatie is de doop in de Geest geen aankomstpunt doch eerder een vertrekpunt van christelijke rijpheid en kerkelijke dienstbaarheid. Ongeveer tien jaar nadat de Charismatische Vernieuwing in de katholieke Kerk verschenen was, schreef Karl Rahner: “Het is niet te ontkennen dat de mens hier beneden ervaringen kan opdoen van genade, die hem een gevoel geven van bevrijding, geheel nieuwe horizonten voor hem openen, zich diep in hem prenten, hem transformeren en zelfs voor lange tijd vorm geven aan zijn diepste christelijke houding. Niets verbiedt deze ervaringen “uitstortingen van de Geest” te noemen”. (4)

Is het te verwachten dat iedereen die ervaring heeft? Is dit het enige middel om de Pinkstergenade te ervaren? Als door “doop in de Geest” een zeker ritueel verstaan wordt, in een bepaalde context, is het antwoord nee; het is niet de enige manier om een sterke ervaring te hebben van de Geest. Er waren en er zijn een groot aantal christenen die dergelijke ervaring hebben zonder iets over de doop in de Geest te weten, en die een spontane uitstorting van de Geest krijgen als gevolg van een retraite, een ontmoeting, lectuur of – volgens de heilige Thomas van Aquino – wanneer iemand geroepen wordt voor een nieuwe en moeilijkere opdracht in de Kerk. (5).

Laat ons toch zeggen dat de doop in de Geest een eenvoudig en krachtig middel blijkt te zijn om het leven van duizenden gelovigen in bijna alle christelijke Kerken te vernieuwen. Hij staat open voor iedereen. Ook geestelijke oefeningen kunnen eindigen met een bijzondere aanroeping van de Heilige Geest, als degene die ze geeft het ervaren heeft en als de deelnemers het verlangen. Ik had er verleden jaar zelf een kleine ervaring van. De bisschop van een bisdom ten zuiden van Londen had op eigen initiatief een charismatische retraite georganiseerd, die ook openstond voor de geestelijkheid van andere bisdommen. Een honderdtal priesters en permanente diakens waren aanwezig. Op het einde vroeg iedereen de uitstorting van de Geest, met ondersteuning van een groep leken van de Vernieuwing die voor die gelegenheid gekomen waren. Als “liefde, vreugde en vrede” de vruchten van de Geest zijn (Gal. 5,19), waren die onder de aanwezigen heel voelbaar.

Het gaat er niet om eerder tot die kerkelijke beweging toe te treden dan tot een andere. Het gaat ook niet om een beweging maar om een genadestroom die voor iedereen openstaat, bestemd om zich in de Kerk te verspreiden als een elektrische ontlading in de menigte, om daarna opnieuw te verschijnen als onderscheiden realiteiten, eens deze opdracht gerealiseerd is.

De heilige Johannes XXIII sprak over een “nieuw Pinksteren”, de zalige Paulus VI ging nog verder door te spreken over een “eeuwigdurend Pinksteren”. Op een algemene audiëntie in 1972 zegt hij letterlijk: “De Kerk heeft een eeuwigdurend Pinksteren nodig, vuur in de harten, woorden op de lippen, profetie in de blikken … Zij heeft  er nood aan opnieuw de zorg voor haar waarheid, de smaak en zekerheid ervan te verwerven … De Kerk heeft er nood aan in al haar menselijke vermogens de golf van de liefde te voelen stromen, de liefde die naastenliefde heet en die precies in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven werd”. (6)

Besluiten wij dan met de woorden van de liturgische hymne waaraan bij de aanvang herinnerd werd: “Als Christus onze spijze is en het geloof tot lafenis, dan schenkt de Geest ons goede wijn, wij zullen nuchter dronken zijn”.

Vert. Maranatha-gemeenschap
________________________________________________

1  Macarius de Grote, in Philocalie, 3, Turin 1985, p. 325.
2  H. Ambrosius, Comm. Ps 35, 19.
3  Y. Congar, Actualité de la Pneumatologie, in Credo in Spiritum Sanctum, Libreria Editrice Vaticana, 1983, I, p. 17ss.
4  K. Rahner, Erfahrung des Geistes. Meditation auf Pfingsten, Herder, Freiburg i. Br. 1977.
5  H. Thomas van Aquino, S. Th. I, q.43, a. 6, ad 2.
6  Toespraak op de algemene audiëntie van 29 november 1972 (Insegnamenti di Paolo VI, Tipografia Poliglotta Vaticana, X, pp. 1210s.).