2016-12-23 P. Cantalamessa, Vierde Adventspreek

 

Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria

Rome (ZENIT.org)

     

 

Met Kerstmis nodigt de Heilige Geest uit terug te keren naar het hart om er een inniger en waarachtiger Kerstmis te vieren, waardoor het Kerstmis dat wij uiterlijk vieren, ook echter kan worden. Jezus, zegt p. Cantalamessa in zijn vierde Adventspreek, wil opnieuw geboren worden in het hart van de mannen en vrouwen van vandaag, alsof Hij ons in deze laatste Adventsdagen langs voorbijkomt, aan elke deur klopt, zoals in die nacht in Betlehem, op zoek naar een hart waar Hij geestelijk kan geboren worden.
P. Cantalamessa vertrekt van het mysterie van Jezus’ historische geboorte in Betlehem, om te eindigen bij deze niet minder historische geboorte in elke mens.

 

1. Kerstmis, een mysterie voor ons

 

Om onze overwegingen over de Heilige Geest te besluiten, willen wij op de drempel van Kerstmis, mediteren over het geloofsartikel dat spreekt over de werking van de Heilige Geest in de menswording. Wij zeggen in het credo: “Hij is voor ons mensen, en omwille van ons heil uit de hemel nedergedaald; Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria, en is mens geworden”.
Overwegen wij dit mysterie van ons geloof, niet vanuit een theologische en speculatieve benadering, maar geestelijk en “opbouwend”. De heilige Augustinus onderscheidde twee manieren om een gebeurtenis uit de heilsgeschiedenis te vieren: als een mysterie (“in sacramento”) of als een gewone verjaardag. Voor het vieren van een verjaardag volstaat het – zei hij – alleen “de dag waarop de gebeurtenis plaatshad, door een religieus feest te tekenen”; een viering “op de manier van een mysterie” beperkt zich daarentegen niet tot de herdenking van een bepaalde gebeurtenis, maar  ook de betekenis die het voor ons heeft, wordt belicht en met devotie opgenomen”. (1)

Kerstmis is geen verjaardagsviering (de keuze van de datum, 25 december, is zoals men weet, niet om historische, maar om symbolische en inhoudelijke redenen); het is een mysterie dat begrepen wil worden vanuit de betekenis die het voor ons heeft. De heilige Leo de Grote belichtte reeds de mystieke betekenis van het “sacrament van Christus’ geboorte”. Hij zei: “De kinderen van de Kerk worden op het Kerstmis van Christus geboren, zoals zij met Hem in Zijn Passie gekruisigd worden en in Zijn verrijzenis opstaan”. (2)

Aan de oorsprong van dit alles ligt het Bijbelse feit dat eens en voor altijd in Maria voltrokken is: de Maagd wordt Moeder van Jezus door de Heilige Geest. Dit historisch mysterie wordt, zoals ieder heilsgebeuren, op sacramenteel niveau in de Kerk voortgezet en op moreel niveau in de ziel van elke gelovige. Maria, de Maagd die moeder wordt en door de werking van de Heilige Geest Christus ter wereld brengt, lijkt ons het volmaakte model van de Kerk en elke gelovige ziel. Zie hoe een auteur uit de Middeleeuwen, de heilige Isaak van de Ster, de gedachte van de Kerkvaders hierover samenvat:
“Maria en de Kerk zijn één enkele moeder en meerdere moeders, één enkele maagd en meerdere maagden. De ene zowel als de andere is moeder; de ene zowel als de andere, maagd … Dat in de Schriften die Goddelijk geïnspireerd zijn, universeel gezegd wordt van de Kerk dat zij maagd en moeder is , geldt bijzonder voor Maria, de Maagd en Moeder … Uiteindelijk kan elke gelovige ziel, bruid van het Woord van God, eveneens op een eigen manier erkend worden als moeder, dochter, en zuster van Christus, maagdelijk en vruchtbaar”. (3)

Deze kijk van de Kerkvaders verschijnt opnieuw met het Tweede Vaticaans Concilie, in de hoofdstukken die de constitutie Lumen Gentium aan Maria wijdt. In drie verschillende paragrafen spreekt men namelijk over de Maagd en Moeder, als voorbeeld en model van de Kerk (nr. 63), eveneens geroepen om in het geloof maagd en moeder te zijn (nr. 64) en over de ziel van de gelovige die Jezus in zijn hart en in dat van zijn broeders laat geboren worden en groeien door de deugden van Maria na te volgen (nr. 65).

 

2. « Door de werking van de Heilige Geest »


Mediteren wij nu over de rol van de twee belangrijkste subjecten, de Heilige Geest en Maria, en proberen wij daar enkele overwegingen uit te halen met het oog op Kerstmis. De heilige Ambrosius schrijft: “Maria bevond dat Zij zwanger was van de Heilige Geest … wij zouden dus niet kunnen twijfelen aan de scheppende rol van deze Geest bij de menswording van de Heer … Als de Maagd ontvangen heeft dank zij de werking en de kracht van de Geest, wie zou dan kunnen ontkennen dat de Geest Schepper is?” (4).

De rol die het Evangelie aan de Heilige Geest toeschrijft bij de menswording, is volgens Ambrosius in deze tekst volmaakt omdat Hij achtereenvolgens Heilige Geest en kracht van de Allerhoogste genoemd wordt (cf Lc. 1,35). Hij is de Spiritus creator die de wezens tot het bestaan brengt (zoals in Gen. 1,2), die een nieuwe en hogere levenssituatie schept. Het is de Geest « die Heer is en het leven geeft », zoals wij in het credo belijden. Zoals in den beginne, schept Hij ook hier menselijke hoedanigheden “uit het niets”, zonder de hulp of steun van wie ook nodig te hebben. En dit “niets”, deze leegte, deze afwezigheid van verklaringen en natuurlijke oorzaken, heet in ons geval, de maagdelijkheid van Maria: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man? … De heilige geest zal over u komen” (Lc. 1,34-35). Maagdelijkheid is hier een grandioos teken dat men niet kan ontkennen of minimaliseren, zonder heel de samenhang van het evangelieverhaal en zijn betekenis omver te werpen. De Geest die over Maria komt is dus de Geest Schepper die het lichaam van Christus op wonderbare wijze uit de Maagd doet geboren worden; maar Hij is nog meer; Hij is voor Haar ook fons vivus, ignis, caritas, et spiritalis unctio , dat wil zeggen: levend water, vuur, liefde en geestelijke zalving. Dit mysterie zou enorm verarmd worden als men het zou herleiden tot de objectieve dimensie alleen, namelijk de dogmatische implicaties ervan (dualiteit van de naturen, eenheid van de persoon) en men de subjectieve en existentiële aspecten ervan zou veronachtzamen.

De heilige Paulus spreekt van een “open brief van Christus, met onze hulp opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen maar in de harten van levende mensen” (2 Kor; 3,3). De Heilige Geest schrijft deze wonderbare brief, die Christus is, vooreerst in het hart van Maria, zodat – zoals de heilige Augustinus zegt – “terwijl het lichaam van Christus zich in de schoot van Maria vormde, de waarheid van Christus zich in Haar hart prentte” (5). De bekende uitspraak van Augustinus, dat Maria “Haar Zoon ontving in haar hart door het geloof vooraleer Hem in Haar lichaam te ontvangen”, (prius concepit mente quam corpore),  betekent dat de Heilige Geest in het hart van Maria werkzaam is door Haar met Christus te verlichten en te ontvlammen, voordat Hij zou werkzaam zijn in Haar schoot door Haar met Christus te vervullen.

Alleen de heiligen en mystieken, die dit  binnendringen van God in hun leven persoonlijk hebben beleefd, kunnen ons helpen begrijpen wat Maria heeft ervaren op het ogenblik van de menswording van het Woord in Haar schoot. Eén van hen is de heilige Bonaventura. Hij schrijft:
« De Heilige Geest verschijnt in haar als een goddelijk vuur die haar geest ontvlamt en haar lichaam heiligt door een heel volmaakte zuiverheid. En de deugd van de Allerhoogste overschaduwt haar opdat zij een dergelijke gloed zou kunnen verdragen …  O, als gij de natuur en volheid van dit vuur uit de hemel enigszins zou kunnen voelen, de verfrissing die het geeft, de vertroosting die het inblaast, de verheffing van de Maagd en Moeder, de veredelijking van het mensengeslacht en de welwillendheid van de Majesteit! … dan denk ik dat ge met de Allerzaligste Maagd deze sacrale zang op een zachte melodie zoudt zingen: “mijn ziel verheft de Heer!”. (6)

Maria heeft de menswording beleefd als een charismatisch gebeuren, dat Haar tot model maakt van de ziel die “vurig van geest” is (Rom. 12,11). Het was Haar Pinksteren. Zo veel tekenen en woorden van Maria, vooral in het verhaal over Haar bezoek aan de heilige Elizabeth, zijn pas begrijpelijk in het licht van een onvergelijkelijke mystieke ervaring. Al wat wij zien gebeuren bij iemand die door de genade bezocht wordt (liefde, vreugde, vrede, licht), moeten wij in buitengewone mate erkennen bij bij de boodschap aan Maria. Maria was de eerste die de “nuchtere dronkenschap van de Geest” heeft ervaren waarover wij vorige keer spraken, en het Magnificat is daarvan het beste getuigenis.

Het gaat om “nuchtere” dronkenschap, dat wil zeggen nederig. De nederigheid van Maria lijkt ons na de menswording één van de grootste wonderen van de Goddelijke genade. Hoe heeft Maria kunnen weerstaan aan het gewicht van de gedachte: “Ge bent de Moeder van God! Ge bent verheven boven alle andere schepselen!”. Lucifer heeft aan die bekoring niet weerstaan en is door bedwelming van zijn eigen hoogte gevallen. Maria niet; Zij is nederig gebleven, bescheiden, alsof in Haar leven niets gebeurd was dat enige pretentie in Haar had toegelaten. Eens toont het Evangelie ons Maria wanneer Zij aan anderen vraagt of het mogelijk is Haar Zoon te zien: “Men liet Hem dus weten: ‘Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen u spreken’” (Lc. 8,20).

 

3. Door de Maagd Maria


Onderzoeken wij van nabij de rol van Maria bij de menswording, Haar antwoord op de werking van de Heilige Geest. De objectieve rol van Maria bestond erin “vlees” en “bloed” te geven aan het Woord van God, met andere woorden, Moeder van God te worden. Hernemen wij bondig de historische weg die de Kerk gegaan is om deze ongehoorde waarheid in haar volle licht te beschouwen: Moeder van God! Een schepsel, dat Moeder is van de Schepper! “Maagd en Moeder, dochter van Uw Zoon – nederig en hoger dan ieder schepsel”, zegt de heilige Bernardus in zijn lofrede tot Haar in de Divina Comedia van Dante Alighieri! (7)

Bij de aanvang en tijdens heel de periode van strijd tegen de gnostische ketterij en het docetisme, wordt het moederschap van Maria praktisch alleen gezien als een gewoon lichamelijk of biologisch  moederschap. Deze ketters verwierpen de idee dat Christus geen echt menselijk lichaam had, of als Hij het toch had, dat Hij dan uit een vrouw geboren werd, of als Hij uit een vrouw geboren werd dat Hij dan werkelijk van Haar vlees en bloed was. Tegen hen, diende met klem bevestigd te worden dat Jezus de Zoon is van Maria, de “vrucht van Haar schoot” (Lc. 1,42) en dat Maria de ware natuurlijke Moeder is van Jezus.

In die periode, getekend door de affirmatie van het reële of natuurlijke moederschap van Maria tegen de gnostici en dioceten in, verschijnt de titel Theotokos voor het eerst. Precies het gebruik van deze titel zal de Kerk brengen een dieper, Goddelijk moederschap laten ontdekken, dat wij metafysisch moederschap zouden kunnen noemen, omdat het betrekking heeft op de persoon of hypostase van het Woord.

Het was de tijd van de grote christologische controverses van de 5e eeuw, toen het centrale probleem rond Jezus Christus niet meer ging over Zijn ware mensheid, maar over de eenheid van Zijn persoon. Het moederschap van Maria wordt niet meer uitsluitend gezien met betrekking tot de menselijke natuur van Christus, maar – en dat is juister – met betrekking tot de ene persoon van het mens geworden Woord. En omdat deze unieke Persoon die Maria naar het vlees heeft ontvangen, niemand anders is dan de Goddelijke persoon van de Zoon, openbaart Zij zich bijgevolg als de ware “Moeder van God”.

Tussen Maria en Jezus Christus is de band niet alleen van fysische maar ook van metafysische aard, wat Haar tot een duizelingwekkende hoogte verheft en wat een aparte relatie schept tussen Haar en God de Vader. De heilige Ignatius van Antiochië noemt Jezus “Zoon van God en van Maria” (8), bijna zoals wij van iemand zouden zeggen dat hij de zoon is van die man en die vrouw. Met het concilie van Efeze wordt deze waarheid voorgoed een verworvenheid van de Kerk: “Als iemand – zo leest men in een tekst van het concilie – niet belijdt dat God werkelijk de Emmanuel is en de heilige Maagd dus de Theotokos, omdat zij inderdaad het mens geworden Woord van God naar het vlees heeft gebaard, hij zij geëxcommuniceerd” (9).

Doch dit stadium was niet definitief. Een ander niveau van het Goddelijk moederschap van Maria moest ontdekt worden, na dat van de fysische en metafysische orde. In de christologische controverses werd de titel Theotokos, die toch een Mariale titel is, eerder naar waarde geschat in functie van de persoon van Christus dan in functie van Maria. Uit die titel werden nog niet de logische consequenties getrokken voor de persoon van Maria en in het bijzonder voor Haar unieke heiligheid.

De titel Theotokos riskeerde een oorlogswapen te worden tussen tegengestelde theologische stromingen en niet de uiting van het geloof en de vroomheid van de Kerk tegenover Maria. Een betreurenswaardig detail bewijst dit. Cyrillus van Alexandrië, die voor de titel Theotokos gestreden heeft als een leeuw, is onder de Kerkvaders degene die zelf een eigenaardige valse noot vertegenwoordigt met betrekking tot de heiligheid van Maria. Hij was één van de weinigen die in het leven van Maria openlijk zwakheden en tekorten toegaven.  Vooral onder het kruis waar, volgens hem, de Moeder van God in Haar geloof wankelde: “De Heer – schrijft hij – moest zich bij die gelegenheid over de Moeder ontfermen die aanstoot gegeven had door het lijden niet te begrijpen, en dat deed Hij door haar toe te vertrouwen aan Johannes, een uitstekende leraar die Haar corrigeerde” (10). Hij kon niet erkennen dat een vrouw, ook al was zij de Moeder van Jezus, een groter geloof kon hebben dan de apostelen die toch gewankeld hebben op het ogenblik van het lijden, al waren het mannen! Deze woorden weerspiegelen een beetje de geringe achting die vrouwen in die tijd genoten, en tonen dat het geen zin heeft het fysisch en metafysisch moederschap van Maria met betrekking tot Jezus te erkennen, als men Haar geestelijk moederschap niet erkent, dat wil zeggen van het hart, naast dat van het lichaam.

Daar ligt de grote bijdrage van de Latijnse auteurs, vooral van de heilige Augustinus, voor de ontwikkeling van de Mariologie. Deze laatsten zien het moederschap van Maria als een moederschap in het geloof. Over Jezus’ woord: “Mijn moeder en mijn broeders zijn zij, die het woord van God horen en er naar handelen” (Lc. 8,21), schrijft Augustinus: “Heeft Zij, de Maagd Maria, de wil van de Vader niet gedaan, die door het geloof heeft geloofd, die door het geloof heeft ontvangen, die gekozen werd opdat uit Haar voor ons het heil onder de mensen zou geboren worden, die door Christus geschapen werd voordat Christus in Haar geschapen werd? Zij, de heilige Maria, heeft de wil van de Vader absoluut gedaan; en het is voor Maria belangrijker leerlinge van Christus geweest te zijn, dan moeder van Christus” (11).

Deze laatste, eerder gedurfde uitspraak baseert zich op het antwoord dat Jezus gaf aan de vrouw die de moeder “gelukkig” noemde omdat Zij Hem gedragen had en gezoogd: “Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden” (Lc. 11,27-28). Zie dus hoe de erkenning van het geestelijk moederschap, het fysisch en metafysisch moederschap van Maria bekroont door Haar tot de eerste en meest volgzame leerling te maken. Deze nieuwe blik op de Maagd zal de erkenning van de unieke heiligheid van de Maagd Maria tot effect hebben. De heilige Augustinus schreef: “Ter ere van de Heer, wanneer het over Maria gaat, wil ik geenszins dat over zonde gesproken wordt”. (12) De Latijnse Kerk zal dit voorrecht uitdrukken wanneer zij aan Maria de titel “Onbevlekte” geeft en de Griekse Kerk, de titel “Geheel heilige” (Panhagia).

 

4. De derde geboorte van Jezus


Laat ons nu zien wat het mysterie van de geboorte van Jezus die ontvangen is van de Heilige Geest door de Maagd Maria, voor ons kan betekenen. Er is een gewaagde gedachte over Kerstmis, die doorheen de tijden, bij de grootste leraren en geestelijke meesters van de Kerk is blijven opflakkeren: Origenes, de heilige Augustinus, de heilige Bernardus en anderen. Origenes zegt: “Waartoe dient het als Christus, eens geboren uit Maria in Betlehem, ook niet door het geloof in mijn ziel geboren wordt?” (13). “Waar wordt Christus geboren, tenzij in het diepste van uw hart en ziel?”, schrijft de heilige Ambrosius. (14)

De heilige Thomas van Aquino neemt de constante traditie van de Kerk op wanneer hij de drie missen die met Kerstmis opgedragen worden, uitlegt in verband met de drievoudige geboorte van het Woord: de eeuwige geboorte uit de Vader, de tijdelijke geboorte uit de Maagd en de geestelijke geboorte uit de gelovige ziel. (15) Als een echo op deze traditie, sprak de heilige Johannes XXIII in zijn Kerstboodschap van 1962 het vurige gebed uit: “O eeuwig Woord van de Vader, Zoon van God en van Maria, hernieuw ook vandaag in het verborgene van de zielen, het aanbiddelijk wonder van Uw geboorte”.

Vanwaar komt deze gewaagde idee dat Jezus niet alleen “voor ons” maar ook “in ons” geboren wordt? De heilige Paulus spreekt over Christus die in ons moet gevormd worden (cf Gal. 4,19); hij zegt ook dat een christen zich in het doopsel “met Christus bekleedt” (Rom. 13,14) en dat Christus door het geloof woont in ons hart” (cf Ef. 3,17). De kwestie van de geboorte van Christus in de ziel berust vooral op de leer over het mystieke lichaam. Volgens deze leer herhaalt Jezus Christus op mystieke wijze “in ons” wat Hij eens “voor ons” in de geschiedenis heeft gedaan. Dat geldt voor het Paasmysterie, maar ook voor dat van de menswording: “Het Woord van God, schrijft de heilige Maximus de Belijder, wil het mysterie van Zijn menswording in elke mens herhalen”. (16)

De Heilige Geest vraagt ons dus in te keren in het hart om daar een inniger en echter Kerstmis te vieren, waardoor ook het Kerstmis dat wij uiterlijk vieren met riten en tradities, echter wordt. De Vader wil Zijn Woord in ons verwekken om dit heel zoete woord opnieuw zowel tot Jezus als tot ieder van ons te kunnen spreken: “Gij zijt mijn zoon. Ik heb u heden verwekt” (hebr. 1,5). Jezus verlangt zelf in ons hart geboren te worden. Het is ons geloof dat ons zegt aldus te denken : alsof Hij in deze laatste Adventsdagen tussen ons doorgaat, op elke deur klopt zoals die nacht in Betlehem, op zoek naar een hart waar Hij geestelijk kan geboren worden.

De heilige Bonaventura schreef een boekje met als titel: “De vijf feesten van het Kind Jezus”. Hij legt daarin uit wat het concreet wil zeggen, Jezus in ons hart geboren laten worden. Een devote ziel, schrijft hij, kan het Woord van God geestelijk ontvangen zoals Maria bij de Boodschap, Hem laten geboren worden zoals Maria met Kerstmis, Hem Zijn Naam geven zoals bij de Besnijdenis, Hem zoeken en aanbidden met de wijzen zoals op Epifanie, en Hem tenslotte aan de Vader opdragen, zoals bij de Opdracht in de Tempel. (17)

Een ziel , zo legt hij uit, ontvangt Jezus wanneer zij ontevreden over het leven dat zij leidt, gestimuleerd  door heilige ingevingen, zich met heilige ijver ontvlamt en zich tenslotte met beslistheid onthecht van haar oude gewoontes en gebreken; dan is zij geestelijk bevrucht door de genade van de Heilige Geest en ontvangt zij het voornemen een nieuw leven te leiden. Dan heeft de ontvangenis van Christus plaats!

Maar dit besluit moet zich in ons leven en onze gewoonten onmiddellijk omzetten in iets concreet, door een verandering, die uitwendig en zichtbaar kan zien. Als de goede bedoeling niet omgezet wordt in de praktijk, werd Jezus wel ontvangen maar werd Hem niet “het daglicht geschonken”. “Het tweede feest” van het Kind Jezus, dat wil zeggen Kerstmis, wordt niet gevierd! Het is een geestelijke abortus, één van de vele verdagingen waarmee het leven bezaaid is en één van de hoofdredenen  waarom weinig mensen heiligen worden.

Als u beslist van levenswijze te veranderen, vervolgt de heilige Bonaventura, zult u twee soorten bekoringen tegenkomen. Eerst zullen mensen van vlees, uit uw omgeving, u zeggen: “wat ge daar onderneemt, is te hard; ge zult er nooit geraken, ge hebt niet genoeg kracht, ge zult ziek worden; ge bent daar niet toe in staat, ge zult uw reputatie en de waardigheid van uw opdracht in gevaar brengen …”.

Eens deze hindernis overwonnen, zullen anderen zich presenteren die de reputatie hebben vrome godsdienstige mensen te zijn, en ze zijn het misschien ook, maar ze geloven niet echt in Gods macht en die van Zijn Geest. Deze mensen zullen zeggen, als ge zo begint te leven – met zoveel tijd voor gebed, door nutteloze gesprekken te vermijden, werken van naastenliefde te doen – zult ge weldra als een heilige, een spiritueel iemand beschouwd worden. Maar omdat ge heel goed weet, dat niet te zijn, zult ge de mensen uiteindelijk bedriegen en hypocriet zijn en de woede van God die de harten doorgrondt, over u halen. Laat dat, doe gelijk iedereen!

Op alle bekoringen moet men in geloof antwoorden: “Neen, Jahwe’s hand is niet te kort om te redden!” (Jes. 59,1) en zoals Augustinus op de vooravond van zijn bekering, kwaad op onszelf uitroepen: “Si isti et istae, cur non ego?” (Als die en die wel, waarom ik dan niet!)” (18), dat wil zeggen, als zo veel mannen en vrouwen heilig geworden zijn, waarom zou ik het niet kunnen worden?

Eindigen wij samen met het gebed dat op een perkament gevonden werd en dat volgens sommigen van de 3e eeuw dateert, het eerste gebed waarop de Maagd aanroepen wordt met de titel Theotokos, Dei genitrix, Moeder van God:
Sub tuum praesidium confugimus,
Sancta Dei Genetrix.
Nostras deprecationes ne despicias in necessitatibus,
sed a periculis cunctis libera nos semper,
Virgo gloriosa et benedicta.
 Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, Heilige Moeder van God.
Versmaad onze gebeden niet in onze nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren,
o roemrijke en gezegende Maagd.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap

 

NOTEN
[1]  H. Augustinus, Epistola 55,1,2 (CSEL, 34,1, p.170).
[2]  H. Leo de Grote, Sermon VI de Noël, 2 (PL 54, 213).
[3]  Isaak van de Ster, Sermons 51; PL 194, 1863. 1865.
[4]  H. Ambrosius, De Spiritu Sancto, 11,40-43.
[5]  H. Augustinus, Sermo Denis, 25,7; PL 46,938.
[6]  H. Bonaventura, Lignum vitae 1,3.
[7]  Dante Alighieri, Par. XXXIII,1.
[8]  H. Ignatius van Antiochië, Ephésiens, 7,2.
[9]  H. Cyrillus Al., Anathema tegen Nestorius (DS, nr. 252)
[10]  H. Cyrillus Al., In Johannem. XII,19-25-27 (PG 74,661-665).
[11]  H. Augustinus, Sermons 72 A (Miscellanea Agostiniana, I, p.162).
[12]  H. Augustinus, La nature et la grâce, 36,42 (CSEL 60,p.263s.).
[13]  Cf. Origenes, Commentaire de l’Evangile de Luc 22,3 (SCh 87,p. 302).
[14]  H. Ambrosius, In Lucam, 11,38.
[15]  H. Thomas van Aquino,  S. Th. IlI, q. 83,2.
[16]  H. Maximus de Belijder, Ambigua (PG 91,1084).
[17]  H. Bonaventura, Les cinq fetes de l’Enfant Jésus, prologue (éd. Quaracchi, 1949, pp. 207 ss.).
[18]  H. Augustinus, Belijdenissen,VIII, 8.