2017-12-15 P. Cantalamessa,  Kerstmis, een oproep tot soberheid

Eerste Adventspreek
Rome (ZENIT.org)

Preek van P. Cantalamessa, Advent 2017 © L'Osservatore Romano

“Kerstmis is een sterke oproep tot de soberheid en spaarzaamheid in het gebruik van de dingen. De Schepper zelf heeft ons het voorbeeld gegeven. Bij Zijn menswording stelde Hij zich tevreden met een stal om geboren te worden.” Pater Raniero Cantalamessa, ofmcap gaf zijn eerste Adventspreek 2017 voor paus Franciscus en de leden van de Romeinse Curie over het thema “Alles is door Hem en voor Hem geschapen” – Jezus Christus en de schepping”.

 

Preek van p. Cantalamessa


Dit jaar, willen de Adventsoverwegingen (slechts twee omwille van de liturgische kalender) de Goddelijk-menselijke persoon van Christus in het centrum plaatsen van twee elementen die samen de “werkelijkheid” uitmaken, namelijk de kosmos en de geschiedenis, ruimte en tijd, schepping en mens. Wij moeten akte nemen van het feit dat Jezus Christus, ondanks alles wat over Hem gezegd is, in onze cultuur een paria is. Hij is helemaal afwezig – en om meer dan begrijpelijke redenen – in de drie belangrijkste dialogen waarin het geloof momenteel geëngageerd is: de dialoog met de wetenschap, de filosofie en tussen de godsdiensten. 
Het uiteindelijke doel is niet van theoretische maar van praktische aard. Het gaat erom Christus eerst en vooral in het centrum te plaatsen van ons persoonlijk leven en onze kijk op de wereld, in het centrum van de drie theologale deugden: geloof, hoop en liefde. Voor zulk een reflectie, is Kerstmis het meest gunstige ogenblik omdat dit feest ons herinnert aan het ogenblik waarop het Woord is mens geworden, door ook lichamelijk in de schepping en de geschiedenis, in ruimte en tijd binnen te treden.

 

De aarde was leeg


In deze eerste meditatie denken wij na over het eerste deel van het aangekondigde programma: namelijk de band tussen Christus en de kosmos. “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren” Gen. 1,1-2).
Zie, hoe een middeleeuwse schrijver, de Engelse abt Alexander Neckam (1157-1217), deze eerste verzen uit de Bijbel in een gedicht commentarieerde: “De aarde was leeg omdat het Woord nog niet was mens geworden. Onze aarde was leeg omdat de volheid van genade en waarheid nog niet onder ons woonde. Zij was leeg omdat zij nog niet stevig en stabiel gemaakt was door zich met de Godheid te verenigen. Onze aardse woning was leeg omdat de volheid van de tijd nog niet gekomen was. ‘Duisternis lag over de diepte.’ Het ware licht dat iedere mens verlicht die op deze wereld komt, was inderdaad nog niet gekomen” (1).
Ik geloof dat men de band die de schepping en de menswording met elkaar verenigt, niet Bijbelser en suggestiever kan uitdrukken, dan wanneer men het begin van het boek Genesis en het begin van het Johannesevangelie naast elkaar legt - wat deze schrijver precies doet. De encycliek Laudato si’ wijdt hieraan een paragraaf die we hier in zijn geheel kunnen lezen, gezien zijn beknoptheid:
“Volgens een christelijk begrip van de werkelijkheid, gaat de bestemming van heel de schepping doorheen het Christusmysterie, dat sinds haar oorsprong in alle dingen aanwezig is: “Alles is door Hem en voor Hem geschapen” (Kol. 1,16). De proloog van het Johannesevangelie (1,1-18) toont de scheppende activiteit van Christus als het Goddelijk Woord (Logos). Maar deze proloog verbaast wanneer  gezegd wordt dat dit Woord “is vlees geworden” (Joh. 1,14). Een Persoon van de Drie-eenheid is in de geschapen kosmos gekomen door er Zijn lot mee te verbinden tot op het kruis. Sinds het begin van de wereld, maar op een bijzondere manier sinds de menswording, is het mysterie van Christus geheimnisvol werkzaam in heel de natuurlijke werkelijkheid, zonder echter haar autonomie te schenden (nr. 99).
Het gaat erom te weten welke plaats de persoon van Christus inneemt ten overstaan van heel het unviersum. Vandaag is deze opdracht dringender dan ooit. Maurice Blondel schreef aan een vriend: “Ten overstaan van de horizonten die door de natuur- en menswetenschappen ruimer geworden zijn, kan men zonder het katholicisme te verraden, niet langer bij middelmatige verklaringen en beperkte zienswijzen blijven, die Christus herleiden tot een historisch toeval, die Hem in de kosmos isoleren als een accidenteel gebeuren, en die Hem tot een ongenode gast of ontheemde maken in de verpletterende en vijandige immensiteit van het universum” (2).
De Bijbelteksten waarop ons geloof zich baseert aangaande de kosmische rol van Christus, zijn die van Paulus en Johannes; zij worden in de encycliek geciteerd en het is passend ze hier integraal in herinnering te brengen. De eerste (in chronologische volgorde) is die van Paulus aan de Kolossenzen 1,15-17: “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. Want in Hem is alles geschapen in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat voor alles en alles bestaat in Hem”. De andere tekst is van Johannes 1,3.10: “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is … de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet”.
Ondanks de indrukwekkende overeenstemming van beide teksten, kan men een verschillend accent tussen beide zien, dat van groot belang zal zijn in de toekomstige ontwikkeling van de theologie. Volgens Johannes is het ogenblik waarop “ het Woord is vlees geworden en onder ons is komen wonen”, het scharnierelement tussen de schepping en de verlossing; volgens Paulus is het eerder het ogenblik van het kruis. Volgens de eerste is het de menswording, volgens de tweede het paasmysterie. De tekst aan de Kolossenzen voegt er namelijk aan toe: “Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemelen en op de aarde te verzoenen, door Hem alleen” (Kol. 1,19-20).
De reflectie van de Kerkvaders heeft onder druk van de ketterijen, het accent praktisch op slechts één element van deze uitspraken gelegd, namelijk op de persoon van Christus en wat Hij gedaan heeft voor het heil van de mens, maar weinig of niets over de kosmische draagwijdte ervan, namelijk de betekenis van Christus voor het overige in de schepping.
Ten overstaan van de Arianen dienden deze teksten om de Godheid en het voorafbestaan van Christus te bevestigen. De Zoon van God kan geen schepping zijn, argumenteerde Athanasius, aangezien Hij de schepper is van alles. De kosmische draagwijdte van de Logos in de schepping vond in de verlossing geen geschikte tegenhanger. De enige tekst die zich leende voor een ontwikkeling in die zin – die van Paulus aan de Romeinen 8,19-22 over de schepping die zucht en barensweeën lijdt – is bij mijn weten, voor de Kerkvaders nooit het uitgangspunt geweest voor een diepgaande reflectie.
Op de vraag van het waarom van de menswording, van de heilige Athanasius (De incarnatione) aan de heilige Anselmus van Aosta (Cur Deus homo), antwoordt men in substantie met de woorden van het Credo: Propter nos homines et propter nostram salutem descendit de caelis: “Die voor ons mensen en voor ons heil is nedergedaald uit de hemel”. Het perspectief is antropologisch, namelijk de band tussen Christus en de mensheid: het sluit niet de band in tussen Christus en de kosmos, tenzij toevallig. Het kwam uitsluitend naar boven als een reflex in de polemiek tegen de gnostiekers en manicheeën, die schepping en verlossing tegen elkaar opstelden alsof zij het werk zijn van twee verschillende goden, en die beweerden dat de materie en de kosmos intrinsiek vreemd zijn aan God en niet kunnen verlost worden.
Op een gegeven ogenblik in de ontwikkeling van het geloof ten tijde van de Middeleeuwen, maakt een ander antwoord zijn weg op de vraag “waarom is God mens geworden?”. Hangt de komst van Christus, die de “eerstgeborene van heel de schepping” is (Kol. 1,15), uitsluitend af van de zonde van de mens, die het gevolg is van de schepping? Op deze lijn, doet de zalige Duns Scotus een beslissende stap door de menswording los te maken van haar wezenlijke band met de zonde. De reden van de menswording, zegt hij, is dat God iemand buiten Hem wil die Hem bemint op een manier, Hem waardig (3). Christus wordt gewild om Hem zelf, als de enige die in staat is de Vader te beminnen – en door Deze bemind te worden – met een oneindige liefde, God waardig. Het Woord zou mens geworden zijn ook als Adam niet zou gezondigd hebben, omdat Het tevens de bekroning is van de schepping, Gods hoogste werk. De zonde van de mens heeft de manier van de menswording bepaald door ze het karakter te geven van verlossing uit de zonde, maar niet het feit van de menswording zelf. De reden is transcendentaal, niet accidenteel.

 

De kosmische visie van Teilhard de Chardin


De visie van Scotus is een eerste poging om betekenis te geven aan de Bijbelse uitspraken over Christus, volgens dewelke “alles geschapen is door Hem en voor Hem”; maar Scotus spreekt zeker nog niet over de specifieke weerslag die Christus heeft op de schepping in haar geheel. Dat wordt integendeel wel mogelijk als wij een sprong maken in de tijd, tot bij ons, met Teilhard de Chardin. Teilhard wou, zoals Blondel zei, vermijden dat Christus, in een cultuur die overheerst wordt door de idee van het evolutionisme, uiteindelijk zou eindigen als “een historische toevalligheid, los van de kosmos”. Gebruik makend van zijn onbetwistbare wetenschappelijke kennis, ziet Teilhard de Chardin een parrallel tussen de evolutie van de wereld (de kosmogenesis) en de geleidelijke vormgeving aan de gehele Christus (Christogenesis). Jezus Christus is niet vreemd aan de evolutie van de kosmos maar is er bovendien en geheimnisvol de innerlijke drijfkracht van en Hij zal er op het ogenblik van de paroesie, de uiteindelijke voltooiing en transfiguratie van zijn, het “Punt Omega”, zoals hij zegt.
De schrijver leidt daaruit een heel nieuwe en positieve kijk af op de band tussen het christendom en de aardse werkelijkheid. Voor het eerst in de geschiedenis van het christelijk denken, maakt een gelovige een “hymne aan de materie” en een “hymne aan het universum” (4). Een vlaag van optimisme treft een groot deel van de christenheid en laat zelfs zijn invloed gevoelen op een document van het Tweede Vaticaans Concilie, de Constitutie over “de Kerk en de wereld”, Gaudium et spes. De aardse activiteiten worden nieuw gezien, en het werk van de mens is het eerste van alle. De werken van een christen hebben waarde op zich, als verbetering van de wereld, en niet alleen omwille van de vrome intentie van de christen die ze doet.
Theilhard de Chardin doet een heel geslaagde uitspraak wanneer hij zijn visie toepast op het sacrament van de Eucharistie. Door het werk en het dagelijks leven van de gelovige, strekt de Eucharistie zich in haar werkzaamheid uit tot in de kosmos. Elke Eucharistie is een “Mis over de wereld” (5). “Wanneer Jezus Christus door de priester zegt: “Dit is Mijn Lichaam”, stromen Zijn woorden oneindig verder dan het stukje brood waarover zij uitgesproken worden. Zij doen heel het mystiek lichaam ontstaan. Verder dan de getranssubstantieerde Hostie, strekt de priesterlijke handeling zich uit tot heel de kosmos” (6). Ik geloof echter niet dat men deze kosmische spiritualiteit, een ecologische spiritualiteit kan noemen in de huidige betekenis van dit woord. Bij deze schrijver overheerst nog de idee van een vooruitgang in de evolutie, van de opbloei van de schepping naar steeds ingewikkelder en gedifferentieerder vormen, terwijl men bij hem geen bezorgdheid ontwaart voor het behoud van de schepping – tenzij onrechtstreeks. In zijn tijd had men nog geen duidelijk besef van het gevaar dat de ontwikkeling – vooral de industriële ontwikkeling – kan inhouden voor de schepping, of toch niet voor het heel klein gedeelte ervan dat de mensheid herbergt.
Het Bijbels geloof is het met Teilhard de Chardin eens over het feit dat Jezus Christus het Punt Omega van de geschiedenis is, als men onder Punt Omega degene verstaat die op het einde alle dingen aan Hem zal onderwerpen om ze terug te geven aan de Vader (1 Kor. 15,28), degene die “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” zal inluiden en het laatste oordeel zal uitspreken over de wereld en haar geschiedenis (Mt. 25,31 ss.). De verrezen Christus zelf noemt zich in de Apocalyps “de Alfa en de Omega, begin en einde” (22,13).
Het geloof rechtvaardigt de idee van Teilhard de Chardin echter niet dat de laatste handeling van de geschiedenis een “bekroning” zou zijn van de evolutie die haar hoogtepunt bereikt. Volgens de visie die heel de Bijbel overheerst, zou de laatste handeling het tegendeel kunnen zijn, namelijk een bruuske afbreking van de geschiedenis, een crisis, een oordeel, het ogenblik waarop tarwe en onkruid gescheiden worden (Mt. 13,24 ss.).  De Tweede Petrusbrief  zegt dat de christenen “de komst “ verwachten “van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen wegsmelten in de vuurgloed”! (3,12). Deze visie tekende het aanvoelen van de Kerk, zoals men ziet aan de eerste woorden van het Dies irae: Dies irae dies illa solvet saeclum in favilla : “dag van gramschap, die dag zal Hij de wereld tot as herleiden”. Dus eerder het einde van het kwaad in deze wereld, dan het hoogtepunt van het goede (7).
Deze zwakke kant van de visie van Teilhard de Chardin komt door een leemte, die ook opgemerkt wordt door onderzoekers die zijn gedachtengang bewonderen (8). Hij heeft het negatieve aspect van de zonde en zelfs de dramatische visie van Paulus - volgens wie de verzoening en recapitulatie van alle dingen in Jezus Christus gebeuren in Zijn kruis en Zijn dood - niet op een organische en overtuigende manier in zijn visie kunnen integreren.

 

De Geest van Christus


Bestaat er dan iets waardoor men kan ontsnappen aan het risico om Christus te herleiden tot “een ongenode gast of ontheemde in de verpletterende en vijandige immensiteit van het universum”? Met andere woorden, heeft Christus iets te zeggen over het hete hangijzer van de ecologie en het behoud van de schepping, of staat dat allemaal los van Hem, als een probleem dat eerder de theologie raakt dan de christologie?
Dat theologen op deze vraag geen duidelijk antwoord geven, hangt volgens mij - zoals vele andere leemten -  af van een zwakke aandacht voor de Heilige Geest en Zijn band met de verrezen Christus. “De laatste Adam werd een levendmakende Geest” (1 Kor. 15,45). In een eerder beknopte formulering, komt de apostel ertoe te zeggen: “De Heer is de Geest” (2 Kor. 3,17) om te benadrukken dat de verrezen Heer voortaan in de wereld werkzaam is door Zijn “operationele arm”, de Heilige Geest.
Paulus maakt allusie op de schepping die barensweeën lijdt, in het kader van een toespraak over de verschillende manieren waarop de Heilige Geest optreedt. Hij ziet continuïteit tussen het zuchten van de schepping en die van de gelovige: “En niet alleen zij (de schepping), ook wij zelf, die toch reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8,23).
De Heilige Geest is de geheimnisvolle kracht die de schepping naar haar voltooiing drijft. Sprekend over een evolutie van sociale orde, zegt Vaticanum II: “de Geest van God, die in wonderlijke voorzienigheid de loop der tijden regelt en het aangezicht van de aarde vernieuwt, is bij deze ontwikkeling werkzaam aanwezig” (9). Wat Vaticanum II over de sociale orde zegt, geldt voor alle domeinen, ook het kosmische domein. In elke belangloze inspanning en elke onderneming die het behoud van de schepping beoogt, is de Heilige Geest aan het werk. Hij, die “het begin (is) van de schepping der dingen” (10) is ook het begin van hun evolutie in de tijd, aangezien zij niets anders is dan de schepping die blijft duren.
Wat is het specifieke en “persoonlijke” van de Heilige Geest in de schepping en de evolutie van de kosmos? Hij staat niet aan de oorsprong maar bij wijze van spreken, aan het einde van de schepping en de verlossing, zoals Hij ook niet aan de oorsprong maar aan het einde staat van het proces binnen de Drie-eenheid. In de schepping – schrijft de heilige Basilius – is de Vader de eerste oorzaak, van wie alle dingen afhankelijk zijn; de Zoon is de efficiënte oorzaak , waardoor alle dingen gemaakt zijn; de Heilige Geest is de oorzaak die vervolmaakt (11).
De eerste woorden van de Bijbel (“In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren”), suggereren dat de scheppende werking van de Geest aan de oorsprong ligt van de vervolmaking van de schepping; meer dan degene die de wereld doet overgaan uit het niets naar het zijn, is Hij degene die doet overgaan van een vormeloze toestand naar een gevormde en volmaakte toestand, ook al moet men steeds voor ogen houden dat elke handeling die God buiten Zichzelf doet, steeds het gemeenschappelijk werk is van heel de Drie-eenheid.
Anders gezegd, de Heilige Geest is degene die er van nature op gericht is de schepping te doen overgaan van chaos naar kosmos, naar iets mooi, geordend, proper: dus een “wereld” in de oorspronkelijke betekenis van dat woord. De heilige Ambrosius doet opmerken: “Voordat de Geest over de schepping begon te zweven, had de schepping nog geen enkele schoonheid. Wanneer de schepping integendeel de werking van de Geest ontving, ontving zij heel die stralende schoonheid die haar als ‘wereld’ deed schitteren” (12).
Een anonieme schrijver uit de 2e eeuw ziet dat dit wonder zich met indrukwekkende gelijkenis herhaalt in de nieuwe schepping die zich in het Pasen van Christus verwezenlijkt. Wat de “Geest van God” op het ogenblik van de schepping deed, doet “de Geest van Christus” nu in de verlossing. De schrijver zegt: Heel het universum stond op het punt opnieuw in chaos te vervallen, uiteen te vallen door de ontreddering tegenover het lijden, toen Jezus Zijn Goddelijke geest gaf en een kreet slaakte: “Vader, in uw handen geef Ik mijn geest” (Lc. 23,46). En zie, plots, op het ogenblik waarop alle dingen door een huivering dooreen geschud werden en door angst in hevige beroering gebracht, kreeg het universum zijn stabiliteit terug, alsof het door de Goddelijke Geest gereanimeerd, verlevendigd en versterkt was. (13)

 

Hoe Christus werkzaam is in de schepping


Er rest een vraag, de belangrijkste van alle, wanneer het over ecologie gaat: heeft Christus ook iets te zeggen over de praktische problemen, die de uitdaging van de ecologie aan de mensheid en de Kerk stelt? In welke zin kunnen wij zeggen dat Jezus Christus die werkzaam is door Zijn Geest, het sleutelement is van een christelijke, gezonde en realistische ecologie?
Ja, ik denk dat Christus een doorslaggevende functie heeft, ook voor de concrete problemen rond het behoud van de schepping, maar Hij doet het onrechtstreeks, door in te werken op de mens en – door de mens – op de schepping. Hij doet het met Zijn Evangelie dat de Heilige Geest bij de gelovigen “in herinnering brengt” en dat Hij in de geschiedenis, tot aan het einde van de wereld, levendig en actief maakt (Joh. 16,13). Er gebeurt wat in het begin van de schepping gebeurde: God schept de wereld en vertrouwt de bescherming en het behoud ervan toe aan de mens. Het 4e Eucharistisch hooggebed verwoordt het zo: “Gij hebt de mens de zorg over de gehele aarde opgedragen, opdat hij in gehoorzaamheid aan zijn Schepper over alle schepselen zou bevelen (régner, in het Frans; heersen)”.
Op dat domein brengt Christus iets nieuw. Hij onhult de ware betekenis van het woord “heersen”, of “overheersen” zoals God het bedoelt, namelijk als dienst. Hij zegt in het Evangelie: “Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mt. 20,25-29).
Alle motivaties die de theologen aan de menswording probeerden te geven, aan de vraag “waarom is God mens geworden?”, breken stuk tegenover de evidentie van deze uitspraak: Ik ben gekomen om te dienen en Mijn leven te geven als losprijs voor velen. De nieuwe idee van te heersen over de schepping, is ja, van haar gebruik maken, dat wil zeggen haar respecteren, verdedigen en beschermen tegen iedere manipulatie.
Christus werkt op de schepping in zoals Hij werkzaam is op het sociale domein, dat wil zeggen met het gebod van de naastenliefde. In de ruimte, bij wijze van spreken in synchronische zin, zijn de naasten degenen die hier en nu, naast ons leven; in de tijd, in diachronische zin, zijn de naasten, degenen na ons zullen komen, te beginnen met de kinderen en jongeren van vandaag, degenen aan wie wij bezig zijn de mogelijkheid te ontnemen om op een bewoonbare planeet te leven, zonder te moeten gaan wandelen met een masker op het gezicht om te ademen of zonder kolonies te moeten stichten op andere planeten. Van al onze naasten in ruimte en tijd, zei Jezus: “Het is aan Mij dat ge het gedaan hebt … het is aan Mij dat ge het niet gedaan hebt” (cf Mt. 25,40.45).
Zoals bij alle dingen, gebeurt de zorg voor de schepping op twee vlakken: op wereldvlak en lokaal vlak. Volgens een modern gezegde moet men globaal denken, maar lokaal handelen: Think globally, act locally. Dat wil zeggen dat bekering moet beginnen bij de enkeling, dus bij ieder van ons. 
Franciscus van Assisi had de gewoonte tot zijn broeders te zeggen: “ik heb nooit aalmoezen gestolen, ik heb nooit meer gevraagd of gebruikt dan nodig. Ik heb altijd minder genomen dan ik nodig had, opdat andere armen niet van hun deel zouden beroofd worden; anders was het stelen” (14).
Vandaag zou deze regel een heel nuttige toepassing kunnen hebben voor de toekomst van de aarde. Ook wij zouden ons moeten voornemen geen dieven te zijn van rijkdommen, door meer te gebruiken dan het nodige en het zo te onttrekken aan degenen die na ons zullen komen. Om te beginnen, wij die gewoon zijn met papier te werken, wij zouden kunnen proberen niet bij te dragen tot de enorme verspilling van deze grondstof, om aldus moeder aarde van enkele bomen minder te beroven.
Kerstmis is een sterke herinnering aan deze soberheid en spaarzaamheid in het gebruik van de dingen. De Schepper zelf heeft ons het voorbeeld gegeven. Bij Zijn menswording stelde Hij zich tevreden met een stal om geboren te worden. Herinneren wij ons twee simpele en diepe verzen van het lied “Gij daalt neer van de sterren” van de heilige Alfonsus Maria de Liguori: “Gij, die van alles de Schepper zijt – U ontbreekt het aan doeken en vuur, o mijn Heer”.
Iedereen, gelovigen en ongelovigen, wij zijn geroepen ons te engageren voor het ideaal van soberheid en respect voor de schepping, maar wij christenen, wij moeten het doen om een hogere en transcendente reden en bedoeling. Als de Hemelse Vader alles gedaan heeft “door Christus en voor Christus”, moeten ook wij alles doen door Hem en voor Hem, dat wil zeggen met Zijn genade en voor Zijn glorie. Ook wat wij vandaag doen.
_______________________________

[1]  A. Neckam, De naturis rerum, I, 2 (ed. Th. Wright 1863, p. 12 s).
[2]  M. Blondel en A. ValensinCorrespondance, Aubier, Paris 1965.
[3]  Duns Scot, Opus Parisiense, III, 7, 4 (Opera omnia, XXIII, Paris 1894, p. 303).
[4]  Mon Univers (1924), in Hymne de l’Univers, van N.M. Wildiers, Queriniana, Brescia 19952, p. 54.
[5]  T. de Chardin, La Messe sur le monde (1923), in Hymne de l’universŒuvres, éd. du Seuil, Paris 1961, pp. 17 ss.
[6]  T. de Chardin, Comment je crois (1923), éd. du Seuil, Paris 1969, p. 90).
[7]   Volgens de H. Augustinus, zal het einde bestaan in de scheiding van goeden en bozen, in de vernietiging (conflagratio) van de huidige wereld en in haar vernieuwing: cf.  De civitate Dei, XX, 30,5.
[8]  C. Mooney, Teilhard de Chardin et le Mystère du Christ, Paris 1966, pp. 229 ss.
[9]  Gaudium et Spes, 26.
[10]  Thomas d’Aquin, Somme contre les gentils, IV, 20, n. 3570 (Marietti, Turin 1961, vol. 3, p. 286).
[11]  H.. Basile, Sur l’Esprit Saint, XVI, 38 (PG 32, 136).
[12]  H. Ambrosius, Sur l’Esprit Saint, II, 32.
[13]  Anonyme Quartodéciman du IIe siècle [Pseudo Hippolyte], Homélie sur la sainte Pâques,106 (SCh 27, 1950); dans Les plus anciens textes pascals de l’Eglise, van R. Cantalamessa, Rome,  Editions Liturgiques 2009, pp. 93-94).
[14]  Celano, Miroir de perfection 12 (FF 1695).

 

Vert. Maranatha-gemeenschap