2018-12-07 P. Cantalamessa

 

Advent : God is en dat volstaat


Eerste Adventspreek 2018
Rome (ZENIT.org)

 

“God is en dat volstaat! Leren ook wij deze eenvoudige woorden te herhalen. In de Kerk of in ons leven, vinden wij gelijkaardige situaties als die van Franciscus en alle wolken zullen verdwijnen.” Met dit citaat van de heilige Franciscus van Assisi besluit P. Raniero Cantalamessa, predikant van het Pauselijk Huis, zijn eerste Adventspreek in de kapel Redemptoris Mater in het Vaticaan, op 7 december 2018.
De preken van dit jaar hebben als thema: “Mijn ziel heeft dorst naar God, de God die leeft” (Ps 42,2).
“Gedreven door taken die moeten vervuld, problemen die moeten opgelost, uitdagingen waarop een antwoord moet gegeven worden, lopen wij het gevaar onze persoonlijke relatie met God uit het oog te verliezen”, doet de pater kapucijn in zijn inleiding opmerken.
En hij stelt vast: “De mensen van onze tijd zoeken enthousiast naar tekens die verwijzen naar het bestaan van levende en intelligente wezens op andere planeten. Een legitieme en begrijpelijke zoektocht, hoe onzeker ze ook is”. Doch “zeldzaam zijn integendeel degenen die de tekens zoeken en bestuderen van de Levende die het heelal geschapen heeft, die erin doorgedrongen is, die in zijn geschiedenis is binnengetreden en erin leeft … Wij hebben de Levende onder ons en verwaarlozen Hem om hypothetische wezens te zoeken die in het beste geval maar weinig voor ons zouden kunnen doen en ons zeker niet van de dood kunnen redden”.
God, zegt P. Cantalamessa verder, “belooft zichzelf te geven, dat is veel meer dan de kleinigheden die wij Hem vragen, en Hij houdt zich onfeilbaar aan Zijn belofte. Wie Hem zoekt, vindt Hem; voor wie klopt, doet Hij open; en eens men Hem gevonden heeft, verdwijnt alles op de achtergrond”.

 

Inleiding


In de Kerk zijn wij zo gedreven door taken die moeten vervuld, problemen die moeten opgelost, uitdagingen waarop een antwoord moet gegeven worden, dat wij het gevaar lopen onze persoonlijke relatie met God – het porro unum necessarium uit het Evangelie (Lc 10,42) - uit het oog te verliezen of op de achtergrond te laten. Wat meer is, wij weten uit ervaring dat een echte persoonsrelatie met God de eerste voorwaarde is om het hoofd te kunnen bieden aan alle situaties die zich voordoen en alle problemen die zich stellen, zonder daarbij de vrede en het geduld te verliezen.

Eerbiedwaardige vaders, broeders en zusters, ik heb er in deze Adventspreken voor gekozen, om elke verwijzing naar de actuele problemen achterwege te laten. Wij zullen volgens de aanbevelingen van de heilige Angela de Foligno aan haar geestelijke kinderen, proberen “de eenheid te bewaren en onze ziel onder te dompelen in het oneindige dat God is”. In de morgen een bad nemen van geloof, voor onze werkdag begint.

Het thema van deze Adventspreken (en Zo God wil, ook van de Vasten) zal dit psalmvers zijn: “Mijn ziel heeft dorst naar God, de God die leeft” (Ps 42,2). De mensen van onze tijd zoeken enthousiast naar tekens die verwijzen naar het bestaan van levende en intelligente wezens op andere planeten. Een legitieme en begrijpelijke zoektocht, hoe onzeker ze ook is. Zeldzaam zijn integendeel degenen die de tekens zoeken en bestuderen van de Levende die het heelal geschapen heeft, die erin doorgedrongen is, die in zijn geschiedenis is binnengetreden en erin leeft. “Door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand 17,28) en wij geven ons daar geen rekenschap van. Wij hebben de Levende onder ons en verwaarlozen Hem om hypothetische wezens te zoeken die in het beste geval maar weinig voor ons zouden kunnen doen en ons zeker niet van de dood kunnen redden.

Hoe dikwijls moeten wij met de heilige Augustinus tot God zeggen: “Gij waart bij mij en ik was niet bij U”?  Anders dan wij, zoekt de levende God ons, sinds de schepping van de wereld doet Hij niets anders. Hij blijft zeggen: “Waar zijt gij?” (Gen 3,9). Het is nu onze bedoeling de tekens van deze levende God op te vangen, Zijn oproep te beantwoorden, aan Zijn deur te kloppen, om een nieuw, een levend contact met Hem te krijgen.

Wij zullen ons baseren op Jezus’ woord: “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan” (Mt 7,7). Als men deze woorden leest, denken we meteen dat Jezus belooft ons alles te geven wat wij Hem vragen en wij staan perplex wanneer wij zien dat dit zelden het geval is. Maar Hij wou vooral dit zeggen: “zoek Mij en gij zult Mij vinden, klop en Ik zal u opendoen”. Hij belooft zichzelf te geven, en dat is veel meer dan de kleinigheden die wij Hem vragen, en Hij houdt zich onfeilbaar aan Zijn belofte. Wie Hem zoekt, vindt Hem; voor wie klopt, doet Hij open; en eens men Hem gevonden heeft, verdwijnt alles op de achtergrond. De ziel die dorst heeft naar de levende God, zal Hem onvermijdelijk vinden en zij zal met en in Hem alles vinden, zoals de woorden van de heilige Theresia van Avila ons in herinnering brengen: “Laat u door niets verontrusten, door niets beangstigen. Alles gaat voorbij. God verandert niet. Geduld verkrijgt alles. Wie God bezit heeft niets tekort. God alleen volstaat”. Met deze gevoelens beginnen wij onze zoektocht naar het gelaat van de levende God. 

 

Terug naar de dingen!


De Bijbel is voorzien van teksten die over God spreken als de “levende”. “Hij is de levende God”, zegt Jeremia (10,10); “Zowaar als Ik leef” zegt God zelf tegen Ezechiël (Ez 33,11). In één van de mooiste psalmen die tijdens de ballingschap geschreven werden, roept de psalmist uit: “Mijn ziel heeft dorst naar God, de God die leeft” (Ps 42,3). En nog: “Mijn hart en heel mijn wezen gaan juichend uit naar U, de God die leeft” (Ps 84, 3). Petrus noemt Jezus in Caesarea van Filippus, “Zoon van de levende God” (Mt 16,16). Het is vanzelfsprekend beeldspraak uit de menselijke ervaring. Israël maakte er gebruik van om zijn God te onderscheiden van de afgoden der volken die “dode” godheden waren. In tegenstelling daarmee is de God van de Bijbel “een God die ademt” en Zijn ademhaling of adem (ruah) is de Heilige Geest.

Na de lange overheersing van het idealisme en de triomf van de “idee” in recente tijden, voelde zelfs de seculiere gedachte de behoefte om terug te keren naar de realiteit en zij verwoordde dat in de strategische kreet: “terug naar de dingen!” . Dat wil zeggen : niet blijven staan bij formuleringen over de werkelijkheid, bij theorieën over wat men gewoonlijk denkt, maar direct naar de werkelijkheid zelf wijzen die aan de basis ligt van alles; de verschillende grondlagen die ooit aangevoerd werden, wegnemen om de daaronder liggende rots te ontdekken.

Wij moeten dit tevens toepassen op het vlak van het geloof. De heilige Thomas van Aquino schreef dat het voorwerp van het geloof “geen te verkondigen waarheid is, maar een realiteit” . Als het gaat om het hoogste “ding” in de context van het geloof, namelijk God, dan betekent “terugkeren naar de dingen”, terugkeren naar de levende God; wij moeten als het ware de verschrikkelijke muur afbreken van de idee die wij van Hem gemaakt hebben en met open armen toelopen op God in persoon. Ontdekken dat God geen abstractie is, maar een realiteit; dat tussen onze ideeën over God en de levende God hetzelfde verschil bestaat als tussen een hemel geschilderd op een blad papier en de echte hemel.

Het programma “terug naar de dingen!” kende terecht een bekende toepassing: een die leidt naar de ontdekking van de … bestaande dingen. Het loont de moeite de beroemde bladzijde van Sartre te herlezen:
“Ik was in een park. De wortel van de kastanjeboom drong zich in de aarde, juist onder mijn bank. Ik herinnerde mij niet meer dat het een wortel was. De woorden waren vervaagd en met hen de betekenis van de dingen, hun gebruikswijze, (…). Toen kreeg ik dit inzicht. Het benam mij de adem. Voordien had ik nooit gevoeld wat het betekent te “bestaan” (…) Gewoonlijk verbergt het bestaan zich. Het is er, rondom ons, in ons, het is ons, men kan geen twee woorden zeggen zonder erover te spreken en uiteindelijk, raakt men het niet aan. En zie, ineens, was het daar, helder als de dag: het bestaan had zich plots ontsluierd.”

De filosoof die deze “ontdekking” deed, noemde zich atheïstisch. Hij is niet voorbij gegaan aan de vaststelling dat ik besta, dat de wereld bestaat, dat de dingen bestaan. Maar wij kunnen vanuit deze ervaring vertrekken en tot springplank maken om een andere Bestaande te ontdekken; het kan de vonk zijn die een ander inzicht mogelijk maakt. Wat mogelijk was met de wortel van de kastanjeboom, waarom zou dat niet mogelijk zijn met God? Kan voor de geest van de mens, God minder reëel zijn dan de wortel van de kastanjeboom? De Kerkvaders aarzelden niet intuïties van de waarheid bij heidense filosofen ten dienste te stellen van het geloof, zelfs niet van hen wiens autoriteit zich tegen de christenen richtte. Wij moeten hen navolgen en in onze tijd hetzelfde doen.

 Wat kunnen wij uit het inzicht van deze filosoof halen? Geen enkele rechtstreekse toepassing, noch inhoud, doch alleen een onrechtstreekse, en één van methodiek. Als men deze geschiedenis leest met een zekere geestesgesteldheid die openstaat voor de genade, lijkt ze ons opzettelijk uit onze gewoonte te halen; eerst maakt zij het vermoeden in ons wakker en vervolgens de zekerheid dat er een kennis van God bestaat die nog ongekend is. Dit gezegd zijnde, hebben wij tot nu misschien niet begrepen wat het zeggen wil dat God “bestaat”, dat Hij een bestaande God is of, zoals de Bijbel zegt, een levende God. Wij hebben dus een plicht, wij moeten een ontdekking doen: ontdekken dat God “is”, zodat ook wij, een ogenblik, paf staan! Dat zou het avontuur van ons leven zijn.

Dat helpt ons om de ervaring van sommige bekeerlingen te begrijpen aan wie het bestaan van God plots geopenbaard werd, op één ogenblik van hun leven, nadat ze Hem niet gekend of hardnekkig ontkend hadden.

Eén van hen was de Franse journalist André Frossard, die overleed op 2 februari 1995. Zie hoe hij zijn leven beschrijft voor zijn bekering:
“God bestond niet. Zijn beeld, eigenlijk de afbeeldingen die Zijn bestaan voor de geest halen of het beeld van wie men Zijn afstammelingen in de geschiedenis zou kunnen noemen - de heiligen, profeten, helden uit de Bijbel - zij waren thuis nergens te zien. Niemand sprak ons over Hem. Wij waren perfecte atheïsten, van de soort die zich over hun atheïsme geen vragen meer stellen. De laatste antiklerikalen die zich bij openbare samenkomsten nog tegen de godsdienst verzetten, leken ons pathetisch en een beetje dwaas, zoals geschiedkundigen die zich inspannen om de geschiedenis van Roodkapje te ontkennen”.
Op een zomerdag, moe van het wachten op de vriend met wie hij een afspraak had, gaat de jonge Frossard de kerk binnen in de buurt, bekijkt de architectuur en de mensen die er bidden. En zie wat hij vertelt over wat toen gebeurde:
“Eerst werden mij deze woorden gesuggereerd: “geestelijk leven”. Niet uitgesproken, ook niet door mijzelf : maar het was alsof zij naast mij gefluisterd werden door een persoon die ziet wat ik nog niet zie. De laatste lettergreep van deze gefluisterde inleiding raakt amper mijn bewustzijn, en er steekt een lawine in omgekeerde richting. (..) Hoe het met deze povere woorden beschrijven? Een andere wereld, met een pracht en densiteit, die ons plots broze schaduwen in herinnering brengt van dromen die kunnen gerealiseerd worden. Die wereld is de werkelijkheid, de waarheid: ik zie haar vanaf de duistere oever waarop ik altijd gestaan heb. Er is een ordening in het heelal en op de top, aan de andere kant van die glanzende mistige sluier, is er het bewijs van God, het bewijs dat aanwezig komt, het bewijs dat de persoon wordt van degene die ik een ogenblik eerder zou ontkend hebben (…).
Eens uit de kerk gekomen, vraagt zijn vriend, die ziet dat er iets is: “wat is er met u gebeurd?” – hij antwoordt: “ik ben katholiek” en omdat ik vreesde niet expliciet genoeg geweest te zijn, zei ik nog “apostolisch en rooms”.
De uitdrukking die dit gebeuren in onze taal het best verwoordt, is : ons rekenschap geven van God. “Zich rekenschap geven” wijst erop dat de ogen plots open gaan, een opflikkering van het bewustzijn, waardoor wij iets beginnen zien dat er reeds was, maar niet zagen.

Probeen wij op de glooiing van het inzicht, dat Sartre beschreef, de geschiedenis van het brandend braambos te herlezen. Wij zullen dat onder meer nodig hebben om te zien dat de moderne “existentiële” gedachte ons kan helpen om in de Bijbel iets nieuws te ontdekken, iets dat de oude gedachte, die helemaal gericht was op een ontologische betekenis, ondanks haar rijkdom niet kon vatten.
De bladzijde uit de Bijbel die het verhaal van het brandend braambos (Ex 3,1 e.v.) weergeeft, is zelf een brandend braambos. Zij brandt, doch verbrandt niet. Na duizenden jaren, heeft zij niets verloren van haar kracht om de zin van het goddelijke door te geven. Dat toont, beter dan eender welke toespraak, wat er gebeurt wanneer men de levende God werkelijk ontmoet. “Mozes dacht: Ik ga er op af …”. Hij blijft denken en willen. Hij is meester van zichzelf; hij is het die de leiding neemt (of denkt te nemen). Maar zie, hier komt God tussenbeide zoals Hij is en Hij legt Zijn wet op. “Mozes, Mozes (…) Kom niet dichterbij (…) Ik ben de God van uw vader.” Opeens verandert alles. Mozes wordt plots volgzaam, onderworpen. “Hier ben ik”, antwoordt hij en hij bedekt zijn gezicht, zoals serafijnen hun gelaat met hun vleugels bedekken (cf Jes 6,2). Er hangt iets goddelijks in de lucht. Mozes gaat het mysterie binnen.
In die sfeer, openbaart God Zijn naam: “Ik ben die is”. Op hellenistische culturele bodem, werd dit woord reeds met de Septuagint geïnterpreteerd als een definitie van wat God is, het absolute Zijn, de bevestiging van Zijn diepste wezen. Maar deze interpretatie, zeggen de exegeten vandaag, is “helemaal vreemd aan de gedachte van het Oude Testament”. De zin betekent eerder: “Ik ben degene die daar is”; of eenvoudiger: “Ik ben daar (of ik zal daar zijn) voor u”!” . Het is een concrete uitspraak, geen abstracte; zij verwijst eerder naar het bestaan van God dan naar Zijn essentie, meer naar Zijn “er zijn” dan naar “wat hij is”. We staan niet ver van “Ik leef”, “Ik ben de levende”, wat God op andere plaatsen van de Bijbel zegt.
Die dag ontdekte Mozes dus iets heel eenvoudigs, dat hem echter toeliet op weg te gaan en heel het bevrijdingsproces te dragen dat gaat volgen. Hij ontdekte dat de God van Abraham, Isaak en Jakob bestaat, dat Hij is, dat Hij in de geschiedenis een aanwezige en werkzame realiteit is, iemand op wie men kan rekenen. Dat is trouwens wat Mozes op dat ogenblik moest weten, en geen abstracte definitie van God.

Er is iets dat de ervaring van de filosoof en de wortel van de kastanjeboom verbindt met die van Mozes en het brandend braambos. Allebei ontdekken het mysterie van het zijn: de eerste, het zijn van de dingen, de tweede, het zijn van God. Maar terwijl de ontdekking van het bestaan van God bron is van moed en vreugde, veroorzaakt de ontdekking dat de dingen bestaan, volgens dezelfde filosoof, alleen maar “misselijkheid”.

 

God, gevoel van een aanwezigheid


Wat betekent de levende God en hoe definieert Hij zich? Ik heb een ogenblik geprobeerd op deze vraag te antwoorden door een profiel te schetsen van de levende God, uitgaande van de Bijbel, maar ik zag in dat het dwaasheid zou zijn. De levende God willen beschrijven, Zijn profiel schetsen, zelfs door zich op de Bijbel te baseren, is terugvallen in de poging om de levende God te herleiden tot een “idee” over de levende God.

Wat wij wel kunnen doen ten overstaan van de levende God, is verder kijken dan “de subtiele herkenningstekens die de mensen op Hem getekend hebben”, de kleine schelpen breken van onze ideeën over God of de “kleine albasten vaasjes” waarin wij Hem opgesloten houden, zodat Zijn geur zich kan verspreiden en “het huis vullen”. De heilige Augustinus is daar een meester in. De heilige heeft ons een soort methode nagelaten om ons hart en onze geest te verheffen tot de levende en ware God. Zij bestaat erin, na elke reflectie over God, voor zichzelf te herhalen: “maar dat is God niet, dat is God niet! Denk aan de aarde, denk aan de hemel, denk aan de engelen of aan eender wat of eender wie; denk tenslotte aan wat gij zelf over God denkt en herhaal telkens: ja, maar dat is God niet, dat is God niet!”. Verhef uw gedachte, antwoorden al de ondervraagde schepselen één voor één”. Wij moeten geloven in een God die boven de God is in wie wij geloven!

Omdat Hij leeft, kan men een vaag vermoeden hebben van de levende God, door een soort van geur of voorgevoel. Men kan verlangen of heimwee opwekken. Meer niet. Men kan het leven niet opsluiten in een idee. Daarom kan men van Hem gemakkelijker een gevoel of een geur hebben dan een idee, aangezien een idee de persoon afbakent, terwijl het gevoel de aanwezigheid te kennen geeft maar de persoon in haar volledigheid en onbepaaldheid laat. De heilige Gregorius van Nyssa spreekt over de hoogste vorm van Godskennis als over een “gevoel van aanwezigheid” .

Het goddelijke is een absoluut andere categorie dan iedere andere categorie; men kan ze niet definiëren, doch alleen suggereren; men kan er slechts door analogie en tegenstelling over spreken. Een beeld dat ons in de Bijbel op die manier over God spreekt, is dat van de rots. Weinig Bijbelse titels zijn in staat zo een levend gevoel van God in ons te creëren – vooral van wat God voor ons is – dan het beeld van de rots die God is. Proberen ook wij, zoals de Schrift zegt, “de honing uit de rots” te proeven (cf Deut 32,13).

Meer dan een gewone titel, verschijnt de rots in de Bijbel als een soort van persoonsnaam voor God, zodat hij soms met een hoofdletter kan geschreven worden. “Hij is de Rots, wat Hij doet is volmaakt” (Deut 32,4); “Jahwe is een eeuwige Rots” (Jes 26,4). Omdat dit beeld noch angst noch vrees inboezemt tegenover de hardheid en ondoordringbaarheid die het oproept, voegt de Bijbel er onmiddellijk een andere waarheid bij: hij is “onze” rots, “mijn” rots. Dat wil zeggen een rots voor ons, niet tegen ons. “Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind” (Ps 18,3), “want altijd zijt Gij mijn rots en mijn vesting” (Ps 30,4), “de Rots van ons heil” (Ps 95,1).

De eerste Bijbelvertalers, de Septuagint, schrokken van zo een materieel beeld van God dat Hem leek te verlagen, en zij vervingen de concrete “rots” systematisch door abstracties zoals “kracht”, “toevlucht”, “heil”. Maar alle moderne vertalingen hebben aan God terecht de oorspronkelijke titel van rots teruggegeven.

Rots is geen abstracte titel; hij zegt niet gewoon wat God is, maar ook wat wij moeten zijn. De rots is gemaakt om beklommen te worden, om er toevlucht te zoeken, en niet alleen om er van ver naar te kijken. De rots trekt aan, boeit. Als God rots is, moet de mens een “aanhanger van de rots” worden. Jezus zegt: “leer van de meester des huizes”, “kijk naar de vissers”; de heilige Jakobus gaat verder: “kijk naar de landbouwers”. Wij kunnen eraan toevoegen: “kijk naar de aanhangers van de rots”. Als de nacht valt of als er onweer komt, begaan zij niet de onvoorzichtigheid te willen afdalen, maar hechten zij zich nog vaster aan de rots en wachten tot het onweer voorbij is.
De nadruk van de Bijbel op God die rots is, heeft de bedoeling het vertrouwen van het schepsel te funderen en zo de angsten van zijn hart te verjagen. “Zo zijn wij niet bang, al kantelt de aarde, al vallen de bergen in zee” (Ps 46,3).

 

God is er en dat volstaat!


De eerste biograaf van de heilige Franciscus van Assisi, Thomas van Celano, beschrijft een moment van duisternis en bijna wanhoop, dat de heilige tegen het einde van zijn leven beleefde omdat zijn broeders afweken van de primitieve levensstijl.
“Woedend – schrijft hij – door de slechte voorbeelden en omdat hij op een dag met zo veel bitterheid gebeden had, hoorde hij de Heer evenzo tegen hem te keer gaan: “waarom maakt ge u zorgen, kleine jongen? Heb Ik u soms tot herder van mijn Orde aangesteld zodat ge kon vergeten dat Ik er de belangrijkste baas ben? (…) Maak u dus niet ongerust, maar wacht uw heil af, want ook al zou de Orde zich beperken tot drie broeders, Mijn hulp zou altijd dezelfde blijven” .

P. Eloi Leclerc, een Franse geleerde franciscaan die deze beproefde fase uit het leven van Franciscus het best illustreerde, verklaarde dat de heilige door de woorden van Christus opnieuw herleefde, zodat hij deze uitroep voor zichzelf herhaalde: “God is en dat volstaat”. Franciscus, God is en dat volstaat! God is en dat volstaat! Leren ook wij deze simpele woorden te herhalen wanneer wij in de Kerk of in ons leven gelijkaardige situaties vinden als die van Franciscus en al de wolken zullen verdwijnen.

 

vert. Maranatha-gemeenschap

H. Augustinus, in Belijdenissen, X, 27

« Zu den Sachen selbst », letterlijk « naar de dingen zelf », is het programma van de fenomenologie van Husserl.

H. Thomas van Aquino, S. Th. II-IIae, q.1, a. 2, 2.

J-P. Sartre, La Nausée, in Œuvres romanesques, Paris, Gallimard, p. 105 s

Cf. G. von Rad, Theologie des Alten Testaments, I, Monaco 1966, p.194.

H. Augustinus, Commentaar op Psalm 85, 12 ; cf. ook Belijdenissen, X, 6, 9.

H. Gregorius van Nyssa, In Cant. XI, 5, 2 (PG 44, 1001)

Celano, Vita seconda CXVII, 158 (Sources Franciscaines, 742)

Eloi Leclerc, Sagesse d’un Pauvre, Editions Franciscaines, Paris 1959, p. 75-78