h2

2018-12-14 P. Cantalamessa

De Drie-eenheid, levende en tastbare werkelijkheid

Tweede Adventspreek 2018.

 

“De Drie-eenheid is niet alleen een mysterie en een geloofsartikel, Zij is ook een levende en tastbare werkelijkheid”, legt P. Raniero Cantalamessa uit. De kapucijnerpater en predikant van het Pauselijk Huis geeft zijn tweede Adventspreek in de kapel Redemptoris Mater van het Vaticaan, voor paus Franciscus en zijn medewerkers van de Romeinse curie. “De levende God van de Bijbel die wij zoeken, is niemand anders dan de levende Drie-eenheid. Moge de Geest ook ons daarmee vertrouwd maken en ons Zijn zoet gezelschap laten smaken”, insisteert hij.

 

Een ervaring van de levende God


Wat de kennis betreft van de levende God, een ervaring die meer waard is dan vele argumenten, zou ik deze tweede overweging juist willen beginnen door een ervaring met u te delen. Voor enige tijd, kreeg ik een brief van iemand die ik geestelijk begeleidde, een gehuwde vrouw die enkele jaren geleden overleed. De authenticiteit van haar ervaringen wordt bevestigd door het feit dat zij ze met zich heeft meegenomen in het graf, zonder er ooit met iemand over gesproken te hebben, buiten haar geestelijke vader. Maar omdat alle genade aan de Kerk toebehoort, wens ik dit met u te delen nu deze vrouw bij God is. Ze herinnert mij aan de ervaring van Mozes bij het brandend braambos. Dit is wat de brief zei:

Ik was nog geen vier jaar en ik was op het platteland bij mijn grootmoeder. Op een morgen, toen ik op mijn kamer wachtte tot iemand mij kwam aankleden, keek ik naar een grote lindeboom met takken tot bij het venster. De opkomende zon verlichtte hem. Ik was verrukt door zijn schoonheid en plots werd mijn aandacht getrokken door een ongewone pracht, buitengewoon wit. Elk blad, elke tak begon te trillen zoals de vlam van duizenden kaarsen. Ik was nog meer verbaasd toen ik voor het eerst in mijn leven sneeuw zag vallen. En mijn verbazing steeg nog – was het met de ogen van het lichaam of niet, ik weet het niet – in het midden van heel die schittering, zag ik als het ware een blik en een glimlach van een onbeschrijfelijke schoonheid en welwillendheid. Mijn hart klopte zo dat het zou breken. Ik voelde dat een machtige liefde in mij binnendrong en had het gevoel tot in mijn binnenste bemind te zijn. Dat heeft een minuut, anderhalve minuut geduurd, ik weet het niet, maar het leek een eeuwigheid. Ik werd terug tot de werkelijkheid gebracht door een rilling over heel mijn lichaam en met grote droefheid realiseerde ik mij dat de blik en de glimlach verdwenen waren en dat de pracht van de boom geleidelijk doofde. De bladen kregen hun gewoon uiterlijk terug en de linde, al was hij nog gehuld in het stralend licht van de zomerzon, leek mij in vergelijking met zijn vorige pracht – tot mijn grote ontgoocheling – even somber als onder een regenachtige hemel.

ik heb er met niemand over gesproken, maar kort nadien, hoorde ik de kokkin en een andere vrouw onder elkaar over God spreken. Ik ging naar hen toe en vroeg: “God? Wie is dat?”. Het was alsof een mysterie in de lucht hing. “Arm kleintje”, zei de kokkin tegen de andere vrouw, “haar grootmoeder is heidens en zij leert haar die dingen niet!”. “God – ze keerde zich tot mij en zei – is degene die hemel en aarde geschapen heeft, de mensen en de dieren. Hij is almachtig en woont in de hemel.” Ik zweeg, maar zei in mezelf: “Hij is het die ik gezien heb!”.

Toch voelde ik mij als verloren. In mijn ogen stond mijn grootmoeder boven die vrouwen van het personeel, maar de kokkin had gezegd dat zij heidens is omdat zij God niet kent. Ik had goed begrepen dat het een ongunstige beoordeling was. Wie had gelijk?

Op een morgen toen ik opnieuw op iemand wachtte om mij aan te kleden, was ik ongeduldig, en het spijtte mij dat mijn kleed op de rug dichtknoopte. Ik schoof alles op de rug van “de groten die in hun stoutheid de kleinsten in hun macht hebben”. Tenslotte, omdat ik niet langer wou wachten, zei ik: “Mijn God, als gij bestaat en werkelijk almachtig zijt, knoop dan mijn kleed dicht op mijn rug zodat ik naar buiten kan in de tuin”. Ik had mijn woorden nog niet uitgesproken of mijn kleed was dichtgeknoopt. Ik stond met open mond, verschrikt door het effect van mijn woorden. Met trillende benen, ging ik voor de spiegel van de kast zitten om te zien of het wel waar was en om mijn adem terug te vinden. Ik wist nog niet wat de uitdrukking “God op de proef stellen” betekende, maar ik begreep dat ik tot stof herleid zou worden als ik mij tegen zijn wil zou verzetten. Een heel leven van heiligheid is op deze ervaring gevolgd en getuigt dat het geen droom geweest is of de verbeelding van een klein meisje.

 

God is liefde en dus Drie-eenheid

Vervolgen wij nu onze overweging over de levende God. Tot wie richten wij ons, wij christenen, wanneer wij het woord “God” uitspreken zonder verdere precisering? Op wie heeft dit “Gij” betrekking wanneer wij met de woorden van de Psalm zeggen: “God, mijn God zijt Gij” (Ps 62,2)? Wie antwoordt bij wijze van spreken aan de andere kant van de draad? Dit “Gij” is niet gewoon God de Vader, de eerste Goddelijke Persoon, alsof zij al was het maar voor een ogenblik zonder de twee Andere bestond of denkbaar was. Het is evenmin de onbepaalde Goddelijke essentie, alsof een Goddelijke essentie bestond die pas later zou gespecificeerd worden in God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De enige God, die in de Bijbel zegt: “Ik ben!” is de Vader die de Zoon verwekt en die met Hem de Geest ademt en hun heel Zijn Godheid meedeelt. Het is de God die gemeenschap van liefde is, in wie eenheid en drieheid uit dezelfde oorsprong en dezelfde daad voortkomen en een Drie-eenheid vormen, waarin geen van de twee – de eenheid en de veelheid – voorafgaat aan de ander of bestaat zonder de ander, en waar geen van de twee niveaus hoger of dieper is dan het andere.

Dit “Gij” tot wie wij ons in het gebed richten, kan volgens het geval en de genade van eenieder, één van de drie Goddelijke Personen in het bijzonder zijn: de Vader, de Zoon Jezus Christus of de Heilige Geest, zonder daarbij het geheel te verliezen. Maar in deze drievuldige gemeenschap, zijn in elke Goddelijke Persoon de twee andere aanwezig. De Drie-eenheid is zoals een muzikale triangel die over haar geheel trilt en dezelfde klank voortbrengt, waar men ze ook aanraakt.

Tot slot is de levende God van de christenen niets anders dan de levende Drie-eenheid. De leer over de Drie-eenheid is in de kiem bevat in de openbaring dat God liefde is. Te zeggen “God is liefde” (1 Joh 4,8), komt erop neer te zeggen: God is drieheid. Iedere liefde impliceert iemand die bemint, iemand die bemind wordt en liefde die hen verenigt. Iedere liefde is liefde voor iemand of voor iets; men geeft geen liefde die leeg is, zonder voorwerp. Wie bemint God nu, om liefde genoemd te worden? De mens? Maar dan is Hij pas liefde sinds enkele honderden miljoen jaren. Houdt Hij van het universum? Dan is Hij pas liefde sinds enkele tientallen miljoen jaren. En van wie hield God dan voordien, om liefde te kunnen zijn?

De Griekse denkers en in het algemeen godsdienstige filosofen van alle tijden, die God vooral zagen als een “idee”, konden antwoorden: God dacht zichzelf, Hij was “zuivere gedachte”, “de gedachte van het denken”. Maar dat is niet meer mogelijk sinds men zegt dat God vooral liefde is, want “liefde alleen voor zichzelf” zou puur egoïsme zijn, niet de grootste verheffing van de liefde doch de totale ontkenning ervan. Dit is het antwoord van de openbaring, die de Kerk uitlegt. God is liefde van in de eeuwigheid, ab aeterno, want lang voordat er buiten Hem een voorwerp bestond om lief te hebben, had Hij het Woord in zich, de Zoon die Hij met een oneindige liefde bemint, dat wil zeggen “in de Heilige Geest”.

Dat verklaart echter niet “hoe” de eenheid tegelijk drieheid kan zijn. Dat is een mysterie dat onbekend voor ons blijft en alleen in God bestaat. Maar het helpt ons begrijpen “waarom” de eenheid in God ook veelheid moet zijn: omdat “God liefde is”! Een God die louter kennis, louter wet of louter macht zou zijn, zou zeker niet de behoefte hebben om trinitair te zijn. Dat zou de dingen eerder ingewikkeld maken en trouwens, geen enkel triumviraat heeft het in de geschiedenis lang volgehouden! Dat is niet het geval met een God die vooral liefde is, want “onder minder dan twee kan er geen liefde zijn”. Henri de Lubac schreef: “De wereld dient te weten: de openbaring dat God liefde is, keert alles ondersteboven wat voordien over de godheid gedacht werd”. Wij, christenen, geloven “in één God” en niet in een God die alleen is!

 

De Drie-eenheid beschouwen om de hatelijke onenigheid in de wereld te overwinnen

 

Geen enkele verhandeling over de Drie-eenheid kan ons zo rechtstreeks in contact met Haar brengen als de ikoon van de Drie-eenheid van Roublev, waarvan wij een reproductie zien in de mozaïek hier voor ons, boven op de muur. Geschilderd in 1425 voor de kerk van de heilige Serge, werd de ikoon in 1551 door het “Concilie van de honderd hoofdstukken” uitgeroepen tot model van alle voorstellingen van de Drie-eenheid.

Maken wij hieromtrent onmiddellijk volgende bemerking. Zij wil de Drie-eenheid zelf niet voorstellen, die per definitie onzichtbaar en onuitspreekbaar is; dat zou trouwens in tegenspraak geweest zijn met alle canons van de Byzantijnse Kerkelijke ikonografie. Wel stelt zij het tafereel voor van de drie engelen die aan Abraham verschenen bij de eik van Mamre (cf Gen 18,1-15), wat bevestigd wordt door het feit dat zowel voor als na Roublev, op de ikoon ook Abraham voorkomt, Sara, het kalf en op de achtergrond de eik. Dit gebeuren wordt door de ogen van de patristieke traditie, namelijk gelezen als een voorafbeelding van de Drie-eenheid. De ikoon is één van de vormen die de geestelijke lectuur van de Bijbel volgt, dat wil zeggen, zij interpreteert een feit uit het Oude Testament in het licht van het Nieuwe Testament.

Het dogma van de eenheid en de drieheid van God wordt uitgedrukt door het feit dat de voorgestelde Personen met drie zijn, goed van elkaar onderscheiden, doch zeer gelijkend op elkaar. Zij staan op een perfecte manier in een kring, wat hun eenheid tot haar recht laat komen, terwijl de beweging verschilt, vooral van het hoofd, wat op hun onderscheid wijst. In het origineel dragen zij alle drie een gewaad van blauwe kleur, teken van hun gemeenschappelijke Goddelijke natuur. Maar erboven of eronder, draagt ieder een kleur die haar van de anderen onderscheidt. De Vader (in het algemeen geïdentificeerd met de engel links naar wie de twee andere Personen het hoofd neigen) draagt een gewaad van onbepaalde kleuren, bijna zuiver licht, teken van Zijn onzichtbaarheid en ontoegankelijkheid; de Zoon, in het midden, draagt een donkere tuniek, teken van de mensheid die Hij heeft aangenomen; de Heilige Geest, de engel rechts, een groene mantel, teken van leven, aangezien Hij degene is “die leven geeft”.

Iets dringt zich op wanneer men de ikoon van Roublev beschouwt: de diepe vrede en de eenheid die uit het geheel stralen. Een stille kreet welt uit de ikoon op: “Wees één zoals Wij één zijn”. De heilige voor wiens klooster de ikoon werd gecreëerd, de heilige Serge van Radonez, heeft zich in de geschiedenis van Rusland onderscheiden door het herstel van de eenheid tussen  leiders die met elkaar in conflict waren, zodat Rusland bevrijd werd uit de handen van de Tartaarse indringers. Zijn devies was: “Door het beschouwen van de Allerheiligste Drie-eenheid, de hatelijke onenigheid in de wereld overwinnen”. Roublev heeft het geestelijk erfgoed willen verzamelen van deze grote heilige, die de Drie-eenheid tot inspiratiebron van zijn leven en werk had gemaakt.

Wij willen allemaal eenheid. Na het woord “geluk” is er geen ander woord dat beantwoordt aan een diepere nood van het mensenhart dan “eenheid”. Wij zijn “eindige wezens, bekwaam tot oneindigheid”, wat wil zeggen dat wij beperkte schepselen zijn die hopen onze limiet te overschrijden, om “enigszins alles” te zijn, quodammodo omnia, zegt men in de filosofie. Wij berusten er niet in om slechts te zijn wat we zijn. Wie herinnert zich in zijn jeugdjaren geen momenten, dat een diepe behoefte aan eenheid zich liet gevoelen, dat men gewild had dat heel het universum zich in één enkel punt verzamelde om met alle anderen in dat ene punt te zijn, terwijl het gevoel van scheiding en eenzaamheid in de wereld zo sterk en pijnlijk was? De heilige Thomas van Aquino legt dit uit: “Aangezien eenheid (unum) een principe is van het zijn, zoals ook goedheid (bonum) dat is, vloeit daaruit voort dat iedereen van nature naar eenheid verlangt, zoals iedereen naar goedheid verlangt. Zoals liefde voor het goede of het verlangen naar het goede, lijden veroorzaakt, zo is dat ook met liefde voor eenheid of het verlangen ernaar” .

Wij willen dus allemaal eenheid, wij verlangen het in het diepst van ons hart. Waarom is het dan zo moeilijk eenheid te bewerken, aangezien wij ze allemaal zo vurig verlangen? Omdat wij eenheid willen, ja, maar … rond ons standpunt. Het lijkt ons zo vanzelfsprekend, zo redelijk, dat we verwonderd zijn dat de anderen zich daar geen rekenschap van geven en integendeel op hun standpunt blijven. Wij gaan zelfs tactvol te werk om de anderen te brengen waar wij staan en zij ons in ons centrum zouden vervoegen. Het probleem is dat de ander exact hetzelfde doet met mij. Zo komen wij nooit tot eenheid. Zo gaat men de omgekeerde weg.

De Drie-eenheid wijst ons de ware weg naar eenheid. De Oosterse christenen hebben de Goddelijke eenheid niet vanuit het begrip “natuur” van de Goddelijke Personen uitgelegd. Zij deden dat door de leer van de perichoresis. Toegepast op de Drie-eenheid, drukt perichoresis (dat wil zeggen het “elkaar doordringen”) de eenheid van de drie Personen uit in een uniek wezen. Door de perichoresis zijn de drie Personen verenigd maar niet met elkaar verward: elke Persoon “identificeert zich” tegenover de andere, geeft zich aan de andere en laat de andere zijn. Dit concept is gefundeerd op de woorden van Christus: “Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij” (Joh 14,11).

Jezus heeft dit principe uitgebreid tot de relatie tussen Hem en ons: “Ik ben in mijn Vader en gij in Mij en Ik in u” (cf Joh 14,20); “ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn” (Joh 17,23). De weg van de ware eenheid ligt in de imitatie van de Goddelijke perichoresis tussen ons, in de Kerk. De heilige Paulus wijst op het fundament ervan waar hij zegt “wij zijn de ledematen van het lichaam” (cf Rom 12,5). In God baseert de perichoresis zich op de eenheid van natuur, in ons op het feit dat wij “één lichaam en één geest” zijn.

De Apostel helpt ons begrijpen wat de perichoresis of het wederzijds doordringen voor ons in de praktijk betekent: “Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde” (1 Kor 12,26); “Helpt elkaar zulke lasten te dragen: op die manier zult ge de wet van Christus vervullen” (Gal 6,2). De lasten van de anderen, dat zijn ziektes, limieten, zorgen, maar ook gebreken en zonden. De perichoresis beleven, betekent “zich identificeren” met de ander, in de huid van de ander kruipen, zoals men zegt, proberen begrijpen vooraleer te oordelen.

De drie Goddelijke Personen verheerlijken elkaar altijd. De Vader verheerlijkt de Zoon; de Zoon verheerlijkt de Vader (cf Joh 17,4); de Vertrooster zal de Zoon verheerlijken (cf Joh 16,14). Elke persoon geeft zich te kennen terwijl Zij de ander kenbaar maakt. De Zoon leert ons “Abba!” roepen; de Heilige Geest leert ons roepen “Jezus is de Heer!” en “Kom, Heer Jezus”, “Maranatha”. Zij leren niet hun eigen naam aan, maar die van de andere Personen. Er is slechts één “plaats” ter wereld waar de regel “bemin uw naaste als uzelf” in absolute zin in praktijk wordt gebracht, en dat is de Drie-eenheid! Elke Goddelijke Persoon bemint de ander exact zoals zichzelf.

De sfeer in een sociaal corps zou heel anders zijn als men probeerde deze sublieme idealen zichtbaar te beleven! Denken we aan een gezin waar de echtgenoot zijn vrouw verdedigt en ophemelt ten overstaan van zijn kinderen en vreemden, evenals de vrouw ten overstaan van haar echtgenoot; denken we aan gemeenschap waarin men zich inspant de aanbeveling van de heilige Jakobus in praktijk te brengen : “Broeders, spreekt geen kwaad van elkander” (Jak 4,11) of die van de heilige Paulus: “Acht anderen hoger dan uzelf” (Rom 12,10). In deze optiek zou iemand zich kunnen verheugen over een benoeming die hij waardevol vindt, waardoor iemand een vooraanstaande rol toebedeeld krijgt (bijvoorbeeld het kardinalaat), alsof hij die benoeming zelf had gekregen.

Maar laten wij de heiligen daarover aan het woord, de enigen die er het recht toe hebben want zij brengen het in praktijk. In één van zijn vermaningen, zegt de heilige Franciscus van Assisi: “Gezegend is de dienaar die zich niet meer verhoogmoedigt over het goede dat de Heer door hem zegt en bewerkt, dan over het goede dat Hij zegt en bewerkt door een ander”. En de heilige Augustinus zei tot het volk: “Als ge van eenheid houdt, bezit ook gij al wat iemand daar binnen bezit! Wees helemaal niet jaloers en al wat ik bezit zal u toebehoren en als ik zelf niet jaloers ben, zal wat gij bezit, van mij zijn. Jaloezie veroorzaakt scheiding; eenheid is het effect van naastenliefde. (…) Zo is ook de hand het enige lidmaat dat werkt; maar werkt zij alleen voor zichzelf? Zij doet het tevens voor het oog. Zo ook, als men niet een hand maar een gelaat zou willen slaan, zegt de hand dan: ik verzet me niet, want ik ben het niet die men wil pijn doen?”
Dat betekent, als u probeert het welzijn van de gemeenschap te laten voorgaan op uw eigen bevestiging, zal elk charisma en elke eer die daar aanwezig zijn, de uwe zijn; zo zal ook in een gezin dat samenhangt, het succes van één lid het geluk van allen zijn. Daarom is liefde de “weg die verheven is boven alles” (1 Kor 12,31) want zij vermenigvuldigt de charisma’s, zij maakt het charisma van de ene tot het charisma van allen. Ik besef dat het gemakkelijk is deze dingen te zeggen, maar moeilijk om in praktijk te brengen; het is echter mooi te weten dat het met Gods genade mogelijk is en dat sommige zielen ze gerealiseerd hebben en ze voor ons in de Kerk ook realiseren.

De Drie-eenheid beschouwen, helpt werkelijk om “de hatelijke onenigheid van de wereld” te overwinnen. Het eerste wonder dat de Heilige Geest met Pinksteren bewerkte, was de leerlingen “eensgezind” te maken (Hand 1,14), “één van hart en één van geest” (Hand 4,32). Hij is altijd bereid dit wonder opnieuw te doen, door onenigheid telkens om te vormeren tot eensgezindheid. Men kan naar de geest verdeeld zijn – in wat ieder denkt over doctrinaire of pastorale kwesties die nog legitiem in de Kerk besproken worden – maar men mag nooit verdeeld van hart zijn: In dubiis libertas, in omnibus vero caritas. Dat is de eenheid imiteren van de Drie-eenheid die namelijk “eenheid in verscheidenheid” is.

 

Binnengaan in de Drie-eenheid


Wij kunnen nog iets beter voor de Drie-eenheid doen dan Haar beschouwen en imiteren: in Haar binnengaan! Wij kunnen de oceaan niet omvatten, maar wij kunnen er wel in gaan; wij kunnen het mysterie van de Drie-eenheid met onze geest niet omvatten, maar wij kunnen er wel binnengaan!

Christus heeft ons een concreet middel nagelaten om het te doen, de Eucharistie. In de ikoon van Roublev bevinden de drie engelen zich in een kring rond een tafel; op deze tafel staat een beker en in de beker bemerkt men een lam. Men had niet eenvoudiger noch efficiënter kunnen zeggen dat de Drie-eenheid ons dagelijks rendez-vous geeft in de Eucharistie. Het feestmaal van Abraham bij de eik van Mamre stelt dit feestmaal voor. Het bezoek van de Drie aan Abraham hernieuwt zich voor ons telkens wij te communie gaan.

Ook daar, wat de Eucharistie betreft, geeft de leer over de trinitaire perichoresis ons licht. Zij zegt ons dat waar een Persoon is van de Drie-eenheid, ook de twee andere zijn, en onafscheidelijk verenigd. Op het ogenblik van de communie realiseert zich in strikte zin het woord van Christus, “Ik in hen en Gij in Mij”, “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh 14,9). Wie Mij ontvangt, ontvangt de Vader. Wij zullen de genade die ons geboden wordt, nooit naar haar echte waarde kunnen schatten. Namelijk metgezellen van de Drie-eenheid te zijn!

De heilige Cyrillus van Alexandrië formuleerde met zijn bekende theologische nauwgezetheid, de waarheid die Drie-eenheid en Eucharistie onlosmakelijk verbindt. Hij zegt: “Wij worden door Christus tot eenheid gebracht met God de Vader. Door lichamelijk en geestelijk in ons te ontvangen wat Christus van nature is, hebben wij inderdaad deel aan heel de opperste natuur en verenigen ons daarmee” .

Dezelfde persoon wiens getuigenis ik in het begin gaf, vertrouwde mij bij een andere gelegenheid een ervaring toe, die zij later van de Drie-eenheid had. Ik veroorloof mij ook die met u te delen omdat zij ons zegt dat de Kerk niet alleen is wat de mensen zien of van haar zeggen. Zij zei: “Een andere avond, maakte de Geest mij vertrouwd met het mysterie van de trinitaire liefde. De boeiende uitwisseling van geven en ontvangen gebeurde eveneens langs mij: van Christus met wie ik verenigd was, naar de Vader en van de Vader naar de Zoon. Maar hoe het onuitsprekelijke uitdrukken? Ik zag niets, maar het was meer dan zien en mijn woorden zijn machteloos om deze jubelende uitwisseling te verwoorden, die beantwoord werd, elkaar nauw opvolgde, ontvangen werd en zich gaf. Uit deze uitwisseling vloeide intens leven van de Ene naar de Andere, zoals de lauwe melk die uit de borst van de mama in het mondje van het kind vloeit, dat van dit welbehagen geniet. Als ik dit kind was, had heel de schepping deel aan dit leven, dit koninkrijk, deze heerlijkheid, want zij herleefde door Christus. O Heilige en levende Drie-eenheid! Ik bleef twee of drie dagen als buiten mijzelf en tot op vandaag is deze ervaring diep in mij geprent”.

De Drie-eenheid is niet alleen een mysterie en een geloofsartikel. Zij is een levende en tastbare werkelijkheid.Zoals ik in het begin zei,is de levende God van de Bijbel die wij zoeken, niemand anders dan de levende Drie-eenheid. Moge de Geest ook ons daarmee vertrouwd maken en ons Zijn zoet gezelschap laten smaken.

 

vert. Maranatha-gemeenschap


H. de Lubac, Histoire et Esprit, Aubier, Paris 1950, ch. 5.

Ik geef hier gedeeltelijk weer wat ik schreef in mijn boek Contempler la Trinité, Editions des Béatitudes, 2006.

Sint-Thomas, Somma teologica I-IIae , q. 26,a.3.

Cf. Ps. Cyrillus van Alexandrië, De Trinitate, 23 ; PG 77 1164B ; Heilige Johannes Damascenus, De fide orthodoxa, 3, 7.

Sint-Augustinus, Verhandeling over Johannes, 32, 8.

Heilige Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op Johannes, XI, 12 (PG 74, 564).