2014-02-12 Paus Franciscus. Audiëntie. De Eucharistie vergroot de openheid naar de anderen

 

Rome (ZENIT.org)

 

De Eucharistie moet de gedoopte ertoe brengen de anderen “als broeders en zusters” te zien, zij moet in hem “de bekwaamheid” vergroten “zich te verheugen met wie blij is en te wenen met wie weent”, evenals de bekwaamheid “naar de armen, zieken, marginalen te gaan”, verklaart paus Franciscus.
De “manier om naar de anderen te kijken” is namelijk “een aanwijzing die ons zegt of wij de Eucharistie wel goed beleven, of niet”, meent hij.
Na het doopsel en het vormsel, wijdt de paus deze audiëntie aan een tweede catechese over de Eucharistie. Hij nodigde de duizenden bezoekers op het Sint-Pietersplein uit voor een gewetensonderzoek: “ik, die naar de H. Mis ga, ben ik begaan met mensen die problemen hebben, kom ik dichter bij hen, bid ik voor hen? Of ben ik een beetje onverschillig?”.
De paus gaf nog twee andere aanwijzingen om te weten of een christen de Eucharistie waarachtig beleeft: “de genade zich vergeven te weten en bereid zijn te vergeven” en “de samenhang tussen liturgie en leven”.

Dierbare broeders en zusters, goeie dag !

In de vorige catechese heb ik het feit belicht dat de Eucharistie ons werkelijk in gemeenschap brengt met Jezus en Zijn mysterie. Nu kunnen wij ons enkele vragen stellen over de band tussen de Eucharistie die wij vieren en ons leven als Kerk en als persoon, als christen. Stellen wij ons de vraag: hoe beleven wij de Eucharistie? Wanneer wij ’s zondags naar de H. Mis gaan, hoe beleven wij haar? Is het alleen maar een feestelijk moment, een gevestigde traditie, een gelegenheid mekaar terug te zien of in regel te zijn, of is het meer?

Er zijn zeer concrete tekenen die ons laten verstaan hoe wij dit beleven, hoe wij de Eucharistie beleven; tekenen die ons zeggen dat wij de Eucharistie goed beleven of niet. De eerste aanwijzing is onze manier om naar de anderen te kijken. In de Eucharistie realiseert Christus op een altijd nieuwe manier zijn zelfgave op het kruis. Heel Zijn leven is een daad van totale mededeelzaamheid van zichzelf uit liefde; daarom hield Hij ervan met Zijn leerlingen te zijn en met de mensen die Hij leerde kennen. Dat betekende voor Hem hun verlangens delen, hun problemen, delen wat hun ziel en leven bewoog. En wanneer wij deelnemen aan de H. Mis, zijn wij samen met mannen en vrouwen van alle soorten: jongeren, bejaarden, kinderen, armen, welgestelden, mensen van op de hoek of vreemden, in gezinsverband of alleen … Maar doet de Eucharistie mij hen allemaal werkelijk zien als broeders en zusters? Vergroot zij in mij de bekwaamheid mij te verheugen met wie blij zijn en te wenen met wie wenen? Stuwt zij mij om naar de armen, zieken, marginalen te gaan? Helpt zij mij in hen het gelaat van Jezus te erkennen? Wij gaan allemaal naar de H. Mis omdat wij van Jezus houden en omdat wij in de Eucharistie willen delen in Zijn lijden en verrijzenis. Maar houden wij van die meest behoeftige broeders en zusters, zoals Jezus het wil? Wij hebben bijvoorbeeld de laatste dagen veel sociaal onbehagen gezien in Rome, omwille van de regen die in hele wijken heel wat schade heeft aangericht, of omwille van gebrek aan werk als gevolg van de economische crisis in de wereld. Ik stel mij de vraag en ieder kan zich die vraag stellen: ik, die naar de H. Mis ga, hoe ga ik daar allemaal mee om? Ben ik begaan met mensen die problemen hebben, kom ik dichter bij hen, bid ik voor hen? Of ben ik een beetje onverschillig? Of misschien verkies ik roddelpraatjes: hebt ge gezien hoe ze gekleed is, die daar, of hebt ge haar gezien, hoe zij gekleed is? Dat is wat na de H. Mis soms gebeurd, en zo zou het niet mogen zijn! Wij moeten begaan zijn met onze broeders en zusters die in nood zijn omwille van een ziekte of probleem. Het zal ons goed doen, vandaag aan onze broeders en zusters te denken die hier in Rome problemen hebben: door de tragedie van de regen of door sociale problemen en werk. Vragen wij aan Jezus, die wij in de Eucharistie ontvangen, dat Hij ons helpt om hen te helpen.

Een tweede, heel belangrijke aanwijzing, is de genade zich vergeven te weten en bereid zijn te vergeven. Soms hoort men deze vraag: “waarom naar de kerk gaan? Die er gewoonlijk zijn, zijn zondaars zoals iedereen”. Hoe dikwijls hebben wij dat gehoord! Wie Eucharistie viert, doet dat niet omdat hij zich beter acht dan anderen of beter wil lijken dan anderen, maar juist omdat hij de behoefte erkent opgenomen en verlevendigd te worden door Gods barmhartigheid die in Jezus Christus vlees geworden is. Indien iemand van ons niet voelt dat hij Gods barmhartigheid nodig heeft, niet voelt dat hij zondaar is, is het beter dat hij niet naar de H. Mis gaat! Wij gaan naar de H. Mis omdat wij zondaars zijn en Gods vergeving willen ontvangen, omdat wij willen deelhebben aan Jezus’ verlossing, aan Zijn vergeving.

Het “ik belijd” dat wij in het begin van de H. Mis zeggen, is niet “voor de vorm”, het is een ware akte van boete! Ik ben zondaar en belijd het, zo begint de H. Mis! Wij mogen nooit vergeten dat het laatste avondmaal van Jezus plaatshad in “de nacht waarin Hij werd overgeleverd” (1 Kor. 11,23). In dat brood en die wijn die wij opdragen en waarrond wij allemaal verenigd zijn, vernieuwt zich telkens de gave van het Lichaam en het Bloed van Christus voor de vergeving van onze zonden. Wij moeten nederig naar de H. Mis gaan, als zondaars, en de Heer verzoent ons. Dat drukt het best de diepste zin uit van het offer van de Heer Jezus en verruimt op zijn beurt ons hart voor de vergeving van de broeders en voor verzoening.

Een laatste en kostbare aanwijzing wordt ons geboden door de relatie die bestaat tussen de viering van de Eucharistie en het leven van onze christengemeenschappen. Men moet steeds voor de geest houden dat de Eucharistie niet iets is dat wij zelf doen ; wij herdenken niet wat Jezus gezegd en gedaan heeft. Het is waarlijk een handeling van Christus! Het is Christus die hier optreedt, die op het altaar is. Het is een gave van Christus die aanwezig komt en ons rond Hem verenigt om ons met Zijn woord en zelfs Zijn leven te voeden. Dat betekent dat de zending en zelfs de identiteit van de Kerk daar ontspringen, uit de Eucharistie, en het is daar dat zij vorm krijgen. Een viering kan van buitenaf gezien, vlekkeloos zijn, heel mooi, maar als zij ons Jezus niet laat ontmoeten, loopt zij het gevaar geen enkel voedsel aan te brengen voor ons hart en leven. Door de Eucharistie wil Christus daarentegen binnenkomen in ons leven en er Zijn genade inprenten zodanig dat er samenhang is tussen liturgie en leven in heel de christengemeenschap.

Ons hart is vol vertrouwen en hoop als we denken aan Jezus’ woorden uit het Evangelie: “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven en Ik zal hem op de laatste dag doen verrijzen” (6,54). Laten wij de Eucharistie beleven in een geest van geloof en gebed, vergeving, boete, gemeenschapsvreugde, bezorgdheid voor behoeftige mensen en voor de noden van al onze broeders en zusters, met de zekerheid dat de Heer zal volbrengen wat Hij beloofd heeft: het eeuwige leven. Zo zij het!

 

 

Vert. Maranatha-gemeenschap