2014-02-03 (ma 4 dhj) Paus Franciscus, De drie voorbeeldige houdingen van David bij tegenspoed

 

Rome (ZENIT.org)

In de moeilijke momenten van het leven, moet men niet “met God onderhandelen” door beroep te doen op de anderen om zich te redden: de juiste houding is boete doen, door zijn zonde te erkennen en zich aan de Heer toe te vertrouwen, zonder toe te geven aan de bekoring “zichzelf recht te doen”.
Paus Franciscus gaf commentaar bij de lezing uit het boek Samuël, met het voorbeeld van koning David, “heilige en zondaar” op het “duistere ogenblik” van zijn vlucht uit Jeruzalem, na het verraad van zijn zoon Absalom.
Een verslag van L’Osservatore Romano.

 

Het leven van het volk


“Wij hoorden de droevige geschiedenis van David, dat hij moest vluchten omdat zijn zoon hem verraden had.” David noemt Absalom “zijn bloedeigen zoon” en ten overstaan van dit “grote verraad”, aangezien het volk “de kant van de zoon kiest tegen de koning”, is het voor David, “alsof zijn zoon dood is”.

De paus wees op “drie houdingen” van David. Vooreerst, “David is een beleidsman en neemt de werkelijkheid zoals ze is. Hij weet dat deze oorlog veel doden kan maken onder het volk”, omdat “een deel van het volk tegen het andere gekant is”. En met zin voor realiteit, kiest hij ervoor “zijn volk niet te laten sterven”. Hij had “in Jeruzalem kunnen vechten tegen de krijgsmacht van zijn zoon. Maar zei: nee, ik wil niet dat Jeruzalem vernietigd wordt!”. Hij zag ervan af de ark van het verbond mee te nemen en gaf de zijnen de opdracht haar in Jeruzalem te laten: “dat de ark van God in de stad blijve!”. Dat alles wijst op “de eerste houding” van David, die “God noch zijn volk gebruikt om zich te verdedigen” omdat hij van beiden “heel veel houdt”. 

« In de moeilijke momenten van het leven kan het gebeuren dat men zich uit wanhoop probeert te verdedigen zoals men kan”, door “God en de mensen te gebruiken”. De “eerste houding” die David toont, is juist “God en Zijn volk niet te gebruiken”.

 

Een weg van boete


De tweede houding van David is boete : « hij weende en ging de berg op, het hoofd bedekt en blootsvoets”. Doch, “bedenk wat het betekent, blootsvoets de berg op te gaan”! En het volk dat bij hem was, deed hetzelfde: het “bedekte het hoofd en ging wenend de berg op”.

“Het is een weg van boete.” Misschien dacht David op dat moment “in zijn hart” aan “al de verkeerde dingen” en “alle zonden die hij begaan had”. En misschien zei hij tot zichzelf: “ik ben niet onschuldig! Het is niet juist dat mijn zoon mij dat aandoet, maar ik ben geen heilige!”. In die geest “kiest David voor boete: hij weent, hij doet boete”. En de berg “die hij opgaat”, “doet ons denken aan de berg die Jezus opgaat. Ook hij bestijgt de berg, lijdend en blootsvoets, met Zijn kruis”.

En wij, vervolgt de paus, “als iets dergelijks ons overkomt, proberen wij ons altijd te rechtvaardigen – het is een instinct in ons”. “David daarentegen, rechtvaardigt zich niet. Hij is realistisch. Hij probeert de ark van God en zijn volk te redden. En hij doet boete, door de berg op te gaan. Om die reden is hij “groot: een groot zondaar en een grote heilige”. Zeker, zei de paus nog, alleen “God weet hoe die twee samen gaan. Maar het is de waarheid!”.

 

Zijn vertrouwen stellen op God


Op zijn boeteweg ontmoet de koning een man die Simi heet, en die hem en zijn gevolg “met stenen bekogelt”. “Een vijand” die David vervloekt en tegen hem “tiert”. Daarom stelt Abisai, “één van Davids vrienden” de koning voor hem te onthoofden en te doden: hij noemt hem “die dode hond” om in de taal van zijn tijd te tonen “hoe slecht” Simi wel is. Maar David belet het hem en “in plaats van zich tegen zoveel beledigingen te wreken, verkiest hij zich aan God toe te vertrouwen”. David zegt: “Kijk eens, mijn bloedeigen zoon staat mij naar het leven. Wat hebben we dan van een Benjaminiet te verwachten? Laat hem vloeken, want de Heer heeft hem dat ingegeven. Misschien ziet de Heer neer op mijn ellende en geeft hij mij het geluk weer terug, in plaats van zijn vervloeking van vandaag”. Dat is de derde houding: David “vertrouwt zich toe aan de Heer”.

Het zijn precies “deze drie houdingen van David, op een duister ogenblik, een ogenblik van beproeving, die ons allemaal kunnen helpen” wanneer wij ons in een moeilijke situatie bevinden. Wij moeten niet “onderhandelen over aan wie we toebehoren”. Maar “boete aanvaarden”, de redenen begrijpen waarom we “moeten boete doen” en dan “wenen om onze fouten, onze zonden”. Tenslotte mag men niet proberen voor zichzelf recht te laten geschieden maar men moet “zich aan God toevertrouwen”.

Paus Franciscus besloot de homilie met een uitnodiging David te aanroepen, die wij « als heilige vereren” en hem te vragen ons “deze houdingen” aan te leren “in de harde ogenblikken van het leven”. Opdat iedereen “een man” zou zijn “die God bemint, die zijn volk bemint en niet onderhandelt; een man die weet dat hij zondaar is en die boete doet, een man die zeker is van zijn God en die op Hem vertrouwt”.

Zoals het traditie is op het feest van de heilige Basilius, gaven op het einde van de H. Mis twee priesters aan de paus en de aanwezige personen de zegen met twee kaarsen gekruist over de keel.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap