2014-02-04 (di 4 dhj) Paus Franciscus. Ook God weent. Als een vader die van zijn kinderen houdt

 

Rome (ZENIT.org)

“De Vader kan zichzelf niet begrijpen zonder de Zoon!” en “God weent ook: zijn tranen zijn die van een vader die van zijn kinderen houdt en die hen niet verloochent ook al zijn zij opstandig, maar die altijd op hen wacht”.
De paus gaf commentaar bij de Bijbellezingen uit de H. Mis die twee vaders voorstellen: koning David die weent om de dood van zijn opstandige zoon Absalom, en Jaïrus, de overste van de synagoge die Jezus vraag zijn dochter te genezen.
Radio Vaticaan geeft de essentie van de homilie.

 

David weent wanneer hij verneemt dat zijn zoon gedood werd in de strijd om zijn koninkrijk te veroveren. Het leger van David wint, doch de overwinning interesseert de koning niet: “Hij verwachtte zijn zoon! Al wat hem interesseerde, was zijn zoon! Hij was koning, hij was het hoofd van het land, maar ook vader! En zo, toen hem het nieuws gebracht werd van de dood van zijn zoon, was hij diep geschokt, hij ging naar boven … en weende”.

Hij “liep op en neer, terwijl hij bleef roepen: ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Ach was ik maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ ”: zo is het hart van een vader die zijn zoon nooit verloochent. ‘Hij is een rover, een vijand, maar ook mijn zoon.’ En hij verloochent zijn vaderschap niet, hij weent. Twee keer beweent David een kind: nu en vroeger toen het kind van zijn overspel op het punt stond te sterven. Ook toen heeft hij gevast, deed hij boete om het leven van zijn zoon te redden. Hij was vader!”.

De andere vader is de overste van de synagoge, “een man van aanzien”, benadrukt de paus. “Doch ten overstaan van de ziekte van zijn dochter, schaamt hij zich niet om zich aan Jezus’ voeten te werpen: ‘Mijn dochtertje gaat sterven. Ga haar de handen opleggen opdat zij zou gered worden en leven.’ Hij schaamt zich niet”, hij denkt niet aan wat de anderen zouden kunnen zeggen, omdat hij vader is.

David en Jaïrus zijn allebei vader. De paus verklaart: “Het belangrijkste voor hen is hun zoon, hun dochter! Niets anders. Het enige dat telt! Dat doet ons denken aan het eerste dat wij tot God in het Credo zeggen: ‘ik geloof in God de … Vader …’. Het doet ons denken aan het vaderschap van God. Zo is God. Zo is God met ons ! ‘Maar, vader, God weent niet !’ … Hoezo ? denken wij aan Jezus, toen Hij weende bij de aanblik van Jeruzalem. “Jeruzalem, Jeruzalem! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels”. God weent! Jezus heeft over ons geweend! En Jezus’ tranen zijn juist het beeld van de tranen van de Vader, die ons allemaal bij zich wil”.

“In moeilijke momenten”, zo vervolgde de paus, “antwoordt de Vader. Denken wij aan Isaak, toen hij met Abraham ten offer ging: Isaak was niet dom, hij besefte dat zij hout en vuur droegen doch geen offerlam. Zijn hart was bang! En wat zegt hij? ‘Vader !’ en onmiddellijk daarop volgt : ‘ja, mijn zoon !’. De Vader antwoordt.”

Zo zegt Jezus in de Hof van Olijven “aan doodsangst ten prooi”: “Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan”. En een engel kwam Hem sterken. Zo is onze God: Hij is Vader! Zo een vader is Hij!”. Zo een vader die zijn verloren zoon verwacht die vertrokken was “met al het geld, met heel de erfenis. Maar de Vader wachtte hem op”, alle dagen en hij “zag hem in de verte aankomen”. “Zo is onze God!”, verklaarde paus en “ons vaderschap”, dat van huisvaders evenals het geestelijk vaderschap van bisschoppen en priesters, “moet zo zijn. De Vader heeft als het ware een zalving die van de zoon komt: hij kan zichzelf niet begrijpen zonder de zoon! Daarom heeft hij de zoon nodig: hij verwacht, bemint, zoekt, vergeeft hem, hij wil hem dicht bij zich, heel dicht, zoals een kloek haar kuikens dichtbij zich wil”.

De paus besloot deze oproep tot vertrouwen in de liefde van God de Vader: “Gaan wij vandaag met deze twee beelden naar huis: David, die weent, en de andere, de overste van de synagoge, die zich voor Jezus op de grond werpt, zonder schaamtevrees en menselijk opzicht. Wat op het spel stond, waren hun kinderen: de zoon en de dochter. En zeggen wij met deze twee beelden: ‘ik geloof in God de Vader …’. En vragen wij aan de Heilige Geest – want alleen Hij, de Heilige Geest – kan ons leren ‘Abba, Vader!’ te zeggen. Het is een genade! Met heel zijn hart tegen God ‘Vader!’ te kunnen zeggen, dat is een genade van de Heilige Geest. Men moet het Hem vragen!”.

 

Vert. Maranatha-gemeenschap