'OM TE GROEIEN IN DE ‘KUNST VAN HET VIEREN’ ( 3) Mgr Léonard

 

 

Nadat ik in een eerste artikel (Pastoralia nummer 7, september 2010) het algemeen belang van deze reflecties onderstreepte en de opbouwende geest benadrukte waarin ik ze met u wil delen, heb ik het in een tweede bijdrage (Pastoralia nummer 8, oktober 2010) gehad over de opening van de misvieringen: de liturgie van het Woord. Nu wil ik, even concreet, ingaan op enkele aandachtspunten met betrekking tot de eucharistische dienst.

DE EUCHARISTISCHE DIENST

De bereiding van de gaven


Na de voorbeden begint de eucharisti­sche dienst zelf. Allereerst is er de berei­ding van de gaven. Het kan overbodig lijken eraan te herinneren dat wat be­treft het te consacreren brood het dient te gaan om ongedesemd tarwebrood. Enkele zeer zeldzame misbruiken no­pen ons er echter toe kort de aandacht op dit punt te vestigen (cf. § 48). Het is dus misplaatst om gewoon gefermen­teerd tarwebrood (als dat van bij de bakker), of brood waaraan vruchten, suiker of honing is toegevoegd (`kra­miek' zoals we het in België zeggen) te gebruiken. Het is daarom het meest oordeelkundig, zoals dat gewoonlijk gebeurt, te kiezen voor professioneel vervaardigde hosties, bij voorkeur de wat dikkere die beter het eigen karak­ter van het broodteken oproepen. We moedigen de celebranten ook aan een of meer grotere hosties te voorzien die bij de communie gebroken kun­nen worden. Het is tevens aangewezen tijdens de communieviering een voldoende aantal kleine hosties te consacreren, zodat men niet onnodig dient terug te vallen op de eerder ge­consacreerde hosties uit het taberna­kel (cf. § 49). In sommige kloosters en neocatechumenale gemeenschappen kiest men voor dikker en zachter on­gedesemd tarwebrood. Dit werkt hier zeer goed omdat deze voldoende ge­vormd zijn en de nodige zorg dragen voor de soms toch wat grotere brood­stukjes die na de communie in de pa­teen overblijven. In de eerder gewone gemeenschappen is het verkieslijk de gebruikelijke hosties te gebruiken die het voordeel hebben amper kruimels na te laten.


Het gebruikelijke vaatwerk


Het vaatwerk dat de hosties en de wijn bevat, en dat - na de consecratie - het Lichaam en het Bloed van de Heer mag ontvangen, kan behoudens uiterste noodzaak geen gewoon vaatwerk zijn. Het is voorbehouden aan liturgisch gebruik. Men dient dus zorgzaam af te zien van mandjes of gewone drinkglazen. Men zal dus een resolute voorkeur geven aan patenen, schalen en kelken uit edelmetaal. Wanneer men vaat­werk uit de pottenbakkerij gebruikt, dient het te gaan om zeer degelijke voorwerpen met een artistieke waarde (cf. § 117). Indien er bij de offerande ook andere gaven worden aangebracht dan het brood en de wijn, zal men er­over waken dat, naast een zekere sober­heid, deze giften niet op het altaar ge­plaatst worden.

 

De bewieroking en de handwassing


Na het aanbrengen van de gaven, is het bij zondagsvieringen en tijdens hoog­feesten aangewezen de offergaven en vervolgens de gelovigen te bewieroken, net zoals men bij de aanvang van de vie­ring en bij de lezing van het evangelie het evangelieboek heeft bewierookt. Als afsluiting van de offerande zie ik geen reden om de handwassing ach­terwege te laten, zoals dat in sommige parochies of gemeenschappen gebrui­kelijk is. Naast zijn mogelijk praktische nut, drukt dit gebaar de innerlijke zuiverheid uit, waarmee de celebrant de liturgie aanvangt, zoals ook het bege­leidende gebed bij dit gebruik het ver­woordt.


De prefatie en het eucharistisch gebed


Na het gebed over de gaven, begint het grote eucharistisch gebed, het hart van de misviering. Dit start met de prefa­tie, zijnde het dankgebed dat de ge­meenschap situeert in de liturgische tijd of het gevierde feest.
Net als bij verscheidene gebeden zou men voor de prefatie, bij gelegenheid, een beroep kunnen doen op teksten uit bepaalde liturgische tijdschriften. Deze hebben het voordeel dat ze ver­wijzen naar de Bijbelse zondagslezin­gen. Maar die referentie is niet nood­zakelijk, vermits de misviering geen educatieve activiteit is, gericht op de verwerking van een thema. Bovendien evenaart niets de beknopte en eenvou­dige schoonheid, van de gebeden en prefaties uit het missaal. Het aanbod is dermate groot dat men er altijd passende keuze kan uit maken.
Men moet daarentegen in het bijzonder onverzettelijk zijn met betrekking tot de eucharistische gebeden zelf. Het missaal voor Franstalig België telt er waaronder de vier klassieke, gemeenschappelijk aan de universele Kerk, zes andere aangepast aan bijzondere gelegenheden (verzoening, groter samenkomsten en vieringen met veel kinderen). Het missaal, gebruikt in Vlaanderen en Nederland, kent elf eucharistische gebeden, waaronder sommige in verschillende versies. Het komt zowel het geloof als de schat van de Eucharistie ten goede dat men zich noodzakelijkerwijs houdt aan deze goedgekeurde gebeden en resoluut afziet van andere gangbare teksten, en in het bijzonder eigen ontwerpen. Elke andere handelwijze is een ernstige inbreuk die de eenheid van de Kerk schaadt (cf. § 51).
Voor de erkende eucharistische gebeden, en in het bijzonder voor de vier basisversies, heeft in menige parochie de gewoonte ingang gevonden nooit te kiezen voor de eerste, met name de Romeinse Canon. Ook het gebruik van de vierde, een nochtans schitterende versie met eigen prefatie, is in onbruik geraakt. Het is waar, deze eucharisti­sche gebeden vergen enkele bijkomen­de minuten, maar is dat dan een reden om ze naast zich neer te leggen?

 

Een ernstige dwaling die moet bijgestuurd worden

 

Met betrekking tot het eucharistisch gebed dien ik met nadruk een zeer ernstig misbruik onder de aandacht te brengen dat in een aantal parochies plaatsvindt. Het bestaat erin dat de hele gemeenschap of een deel ervan, alternerend met de priester, passages uit het eucharistisch gebed mee uitspreekt, soms zelfs het gebed in zijn geheel, met inbegrip van de consecra­tie (cf. § 52). Dit is een zeer zware fout met gewichtige gevolgen, vermits ze erop neerkomt dat ze de eigen rol van de priester als voorganger in de eucha­ristie totaal vervaagt. Dit doet afbreuk aan een essentiële structuur binnen de katholieke Kerk die inhoudt dat - pre­cies zoals in de orthodoxe Kerk - de gewijde bedienaar noodzakelijk is om Christus die in eigen persoon de eucharistie viert, te ‘vertegenwoordigen’ en ‘tegenwoordig te brengen’ tot eer van God en voor het heil van de wereld.

Het is dus een totale misvatting te menen dat de specifieke rol van de priester die de enige gemandateerde is om het eucharistisch gebed uit te spreken, een vorm van machtsmisbruik is. Het gaat erom te erkennen dat, vanuit zijn eigen zending, de priester Christus tegenwoordig brengt in de gemeenschap als Hoofd van de Kerk die zijn Lichaam is, en als Man van de Kerk, die zijn teerbeminde Echtge­note is. Trouwens, de gemeenschap blijft hoegenaamd niet passief tijdens het eucharistisch gebed. Naast een in­nige betrokkenheid bij het gebed, gaat ze in dialoog met de priester bij het begin van de prefatie en zingt ze het ‘Sanctus’. De gemeenschap spreekt na de consecratie mee de anamnese uit , en verenigt zich in het ‘Amen' op het  einde van de doxologie (‘Door Hem, en met Hem en in Hem...'), waarmee de priester het eucharistisch gebed besluit. Daarenboven voorziet de orde van dienst tijdens het eucharistisch gebed bij kindervieringen in acclama­ties. Deze kan men ook inpassen bij vieringen met volwassenen, net zoals de twee ‘aanroepingen van de Heilige Geest' (epicleses), de ene die vooraf­gaat aan de consecratie en de andere die erop volgt, waarbij de eerste ge­richt is op de gaven (brood en wijn) en de tweede op het verzamelde gods­volk, samengebracht in de Eucharistie. (cf. § 54).
Het bezwaart mij deze elementaire za­ken in herinnering te moeten brengen, maar het behoort tot mijn taak zowel de gelovigen als de priesters te wijzen op het belang van deze kwesties. In­derdaad, deze ontoelaatbare praktij­ken hebben vaak ideologische conno­taties. Op min of meer uitgesproken wijze willen ze, doorheen de liturgie, de idee doen ingang vinden van een Kerk die best kan leven zonder aposto­lische bediening of priesterschap. En dat betekent een totale breuk met het Tweede Vaticaans Concilie dat het on­derscheid tussen het priesterschap van alle gedoopten en het gewijde priester­schap met klem benadrukt. Zelfs in kerkelijke gemeenschappen die hun oorsprong vonden in de Hervorming, heeft men vaak de zin van het aposto­lische dienstwerk bij de viering van het Avondmaal van de Heer beter bewaard dan in sommige van onze parochies. Daar waar nodig, roep ik op tot een heilzame nieuwe start.

 

De gemeenschap met de diocesane en universele Kerk

 

Elke eucharistie wordt gevierd in ge­meenschap met de plaatselijke dio­cesane en universele Kerk. Trouwens, een priester viert in de parochie slechts eucharistie als plaatsvervanger van de bisschop, opvolger van de Apostelen, die door de omstandigheden verhin­derd is zelf overal voor te gaan. Van­daar zal men ook nooit nalaten, en dit volgens een zeer oude traditie, tijdens het eucharistisch gebed de naam van de paus en deze van de diocesane bis­schop (en eventueel de hulpbisschop) te vermelden. Deze nalatigheid brengt de gemeenschap van de Kerk, essenti­eel voor de viering van de eucharistie, in gevaar (cf. § 56).
Hiermee besluit ik de bedenkingen rond het eerste deel van de eigenlijke eucharistische liturgie. In een volgen­de bijdrage komen de communie en het slot van de viering aan bod.

 

+ANDRE JOZEF LEONARD, Aartsbisschop van Mechelen-Brussel