'OM TE GROEIEN IN DE ‘KUNST VAN HET VIEREN’ ( 5) Mgr Léonard

 

Ik breng graag in berinnering dat de vijf artikels over ‘de kunst van het vieren' gekaderd zijn binnen het pastoraal werkjaar dat gewijd is aan de initiatiesacramenten. Na in een eerste bijdrage het algemeen belang van deze reflecties te hebben onderstreept, en de opbouwende geest waarin ik ze met u wil delen te hebben benadrukt, heb ik achtereenvolgens de opening van de misvieringen de liturgie van bet Woord behandeld. Nadien heb ik ook enkele aandachtspunten met betrekking tot de eucharistische dienst aangestipt, en ten slotte heb ik het over de communieritus gehad. Vandaag zou ik deze beschouwingen over ‘de kunst van bet vieren' willen afronden met enkele meer algemene bedenkingen, gericht op een warmere en meerhartelijke wijze van bet eucharistie vieren.

 

OVER HET AANMOEDIGEN VAN TEGELIJKERTIJD WAARDIGE EN FEESTELIJKE VIERINGEN

 

Een echte mis moet ons optillen naar de hoogte...

 

Ik zou vandaag het authentiek feestelijke karakter van onze vieringen willen beklemtonen. Een echte mis moet ons optillen naar de hoogte. Ze dient ons te leiden tot een ontmoeting met de Heer. Ze mist dus haar ware zin, tenzij ze ons ertoe brengt om tot in de diepte deelachtig te worden aan het glorierijke kruis van Jezus, gestorven en verrezen om hei leven te schenken aan zijn volk. Met andere woorden, de mis is niet zomaar een feestje, maar een liturgische viering. De eucharistische maaltijd is geen gezellige picknick, maar een heilig feestmaal. We ontvangen er als voedsel Hem die zich heeft opgeofferd voor de heerlijkheid van God en voor het heil van de wereld. Laten we dat nooit vergeten.


... in een sfeer van innige broederlijkheid


Maar laten we er tegelijk naar streven onze vieringen werkelijk ook broederlijk en levendig te maken. Het merendeel van de praktiserende christenen be­steedt slechts een uurtje per week aan de eucharistie. Dit korte samenzijn met de Heer zou zo weldadig mogelijk moeten zijn. Sta mij toe in dit verband enkele suggesties te formuleren.
Het ware goed dat in onze kerken een sfeer van bezinning en stilte zou heersen voor, tijdens en na een dienst. Dat hoeft er ons echter niet van te weerhouden bij het binnenkomen of het verlaten van de kerk de tijd te nemen om elkaar te begroeten als broeders en zusters in het geloof. Laten we er ook over waken dat we voor de viering goed gegroepeerd zitten. We moeten komaf maken met de al te grote verspreiding van de gelovigen in het kerkgebouw, waarbij ze her en der, en liefst nog achteraan plaatsnemen. Dat maakt een actieve deelname onmogelijk. Het meest jammerlijke is wel dat men in sommige gevallen de kinderen en adolescenten op de eerste rijen plaatst, terwijl er achter hen een grote leegte gaapt. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat ze, zo snel als ze maar kunnen, afhaken. Een gemeenschap die niet aan elkaar hangt en levendigheid uitstraalt, is gedoemd om te verdwijnen.


Bidden met het lichaam en met gezang

 

We mogen ook niet vergeten te bidden met ons lichaam met inachtneming ook van de door de liturgie voorziene hou­dingen - rechtstaand, zittend of geknield, al naargelang het moment. In dezelfde zin moeten we ernaar streven dat de antwoorden en de gebeden die de gelovigen toekomen, ook samen worden gezegd en dat men actief deelneemt aan de samenzang. De koren moeten inderdaad oog hebben voor een keuze van kwaliteitsvolle liederen die door de hele kerkge­meenschap hetzij in hun geheel, hetzij in het refrein kunnen hernomen worden. Maar als aan deze voorwaarden is voldaan, moet men er voluit voor gaan, en dat in de overtuiging dat zingen twee keer bidden is. Niets is zo triest als een gemeenschap die verspreid is over de hele ruimte of die niet zingt.


Moge iedereen deze functies uitoefenen die hem of haar toekomen.

 

Het is van vitaal belang voor de ware liturgie dat iedereen deze functies uitoefent die hem of haar toekomen. Zo komt het de leken toe tussen te komen voor de Bijbelse lezingen, behalve het Evangelie, en voor de voorbeden en de offerandeprocessie, zonder hierbij evenwel het zo waardevolle dienstwerk van de mannelijke of vrouwelijke acolieten over het hoofd te zien (§§ 43-47). Dat alles vraagt natuurlijk enige vorming, in het bijzonder voor de lectoren die traag, rustig en gedragen moeten leren voorlezen, en hierbij ook moeten leren oordeelkundig gebruik maken van de microfoon. In enkele zeldzame parochies heb ik gemerkt dat alweer de priester zelf de lezingen op zich nam! Dit is totaal af te raden. Wanneer er een diaken is, zal men diens liturgische bediening eerbiedigen, vanuit de veronderstelling dat hij zich met de nodige zorg over zijn vorming op dit gebied heeft gekweten. De liturgie zal des te mooier zijn zo elkeen wordt opgeroepen om er, volgens de eigen verantwoordelijkheid en zending, aan deel te nemen.
De kwaliteitsvolle muzikale intermezzo's zijn meer dan welkom om de feestelijke dimensie van onze vieringen kracht bij te zetten. Maar ze moeten telkens zo opgevat worden dat ze met overkomen als een uitvoering of een concert dat alle aandacht voor zichzelf opeist. Ze dienen zich in de liturgie in te passen, zonder zich te doen gelden. Vanuit dit oogpunt vragen de zogenaamde ‘liturgische dansen' of ‘liturgische choreografieën', die in onze Latijnse liturgie soms ingang hebben gevonden, om enig voorbehoud. In andere culturen, voornamelijk in Afri­kaanse, zijn ze van nature ingebed in de vieringen, en worden ze in geen en­kel opzicht als een toegevoegd ‘extra' ervaren. En geen mens zou eraan den­ken, na de opvoering, te gaan applau­disseren voor de dansers en danseressen. In onze Westerse cultuur daarentegen doen ze zich onvermijdelijk voor als een vanbuiten uit kunstmatig in de liturgie geïnjecteerd bestanddeel. Teken hiervan is dat dergelijke voorstelling soms na afloop applaus uitlokt bij de aanwezigen. Dit verraadt dat ze het als een ‘weliswaar sympathiek, maar aan de ware zin van de liturgie vreemd' ‘spektakel' hebben ervaren.
Dit gezegd zijnde, belet niets dat de gemeenschap occasioneel op het einde van een viering of na een bijzonder roe­rende toespraak, door een applaus uit­drukking geeft aan haar bemoediging jegens een groep of een persoon die in de kijker stond. Maar dit gebeurt gewoonlijk buiten de liturgie zelf en doet dus geen afbreuk aan haar eigenheid.


Een speciale plaats voorzien voor de kinderen en de adolescenten

 

Men dient ervoor te zorgen dat de aanwezige kinderen en adolescenten regelmatig een plaats krijgen in de Liturgie van het Woord en de offerandeprocessie of tijdens andere geschikte momenten. Hierbij zal men ervoor zorgen dat hun zo wenselijke actieve deelname niet ontaardt in een schouwspel. Het moet om een bijdrage gaan die van nature verbonden is met de liturgische handeling. Op dit gebied kan er nog veel verbeelding ontwikkeld worden.

 

Tijd maken voor ontmoeting na de viering.


Laten we na de mis de tijd nemen om elkaar te begroeten en even van ge­dachten te wisselen met onze broeders en zusters in het christelijk geloof. Een eenvoudig aperitief dat samen wordt genomen, kan in bepaalde omstandig­heden bijdragen om de banden binnen de gemeenschap nauwer aan te halen. Behalve wanneer het echt nodig is, ge­beurt dit echter uiteraard bij voorkeur niet in de kerk zelf, en dit vooral om het gewijde karakter van het gebouw te eerbiedigen.
Rond deze thematiek kunnen nog tal­loze andere bedenkingen gemaakt worden. U kunt ze wellicht zelf bevroe­den en vermoedt wel waar ik heen wil. In een woord, in honderd of duizend woorden, het is mijn wens dat u de eu­charistie moge beleven met diepgang en in blijdschap, in het bijzonder tij­dens dit pastoraal werkjaar gewijd aan de initiatiesacramenten. Zo zult u de vreugde mogen kennen de vieringen voor te gaan of eraan deel te nemen, wat een helder licht zal werpen op uw verdere leven. Op de drempel van 2011 zegen ik u van ganser harte.


+ ANDRE JOZEF LEONARD, Aartsbisschop van Mechelen-Brussel