Het sacrament van het huwelijk (deel 2)

 

Mgr Léonard in Pastoralia

In het eerste deel van onze overwegingen rond het sacrament van het huwelijk (zie: Pastoralia, mei 2011) ontdekten we wat een enorme waardigheid Jezus toekende aan ons aardse lichaam. Is dat echter eveneens het geval wat de seksuele dimensie van onze persoon en de menselijke liefde betreft?

 

DE GROOTSHEID VAN DE MENSELIJKE LIEFDE

 

‘Man en vrouw schiep Hij hen’


De hele Bijbel spreekt ons over de zegen die rust op de menselijke liefde en bijgevolg ook op de seksualiteit. Staat er in het boek Genesis niet reeds te lezen: ‘God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen’ (Gen. 1, 27). Het seksuele onderscheid tussen man en vrouw wordt dus in verband gebracht met de schepping zelf van de mens naar het beeld van God! Dit geeft aan dat man en vrouw, doorheen hun menselijke liefde en haar vruchtbare gerichtheid op een kind, een gemeenschap beleven die wonderbaarlijk op deze van God als drie-eenheid gelijkt.

 

Een liefdeslied in de Bijbel


Een Oudtestamentisch boek is volledig gewijd aan het bezingen van de hartstochtelijke liefde die man en vrouw verenigt. Dat liefdeslied waarin ruim aandacht wordt besteed aan een welbegrepen erotiek, maakt dus deel uit van de Bijbelse openbaring, het Woord Gods aan de mensheid. Het gaat om het Hooglied, waarvan volgende verzen het bekendste zijn:

‘Ik ben van mijn lief;
naar mij gaat zijn verlangen uit.
Kom, mijn lief laten wij naar buiten gaan,
laten we overnachten in de dorpen.
Dan trekken we ‘s ochtends vroeg
de wijngaarden in
om te zien of de wijnstok al uitbot,
of de knoppen zijn opengebroken
en de granaatbomen al bloeien.
Dan zal ik je met liefkozingen overstelpen!
(Hoogl. 7, 11-13)

Is dat niet de poëtische duiding van wat het boek Genesis al verwoordde: ‘Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen één worden’ (Gen. 2,24)?

 

Het liefdeshuwelijk van Jezus


Jezus zelf heeft de echtelijke liefde gezegend. Niet enkel door zijn aanwezigheid op de bruiloft te Kana (cf. Joh. 2, 1-12) en zijn uitdrukkelijke afwijzing van echtscheiding en hertrouw (cf. Mc. 10, 1-12), maar door zelf het grootste liefdeshuwelijk van de hele mensengeschiedenis aan te gaan.
Voor een goed begrip: Jezus is ongehuwd gebleven. En Maria-Magdalena was niet zijn  geliefde! Het tegendeel zou trouwens ondenkbaar zijn. Hoe ZOU de mensgeworden Zoon van God, neergedaald voor het heil van allen, zich exclusief hebben kunnen binden aan één welbepaalde persoon? Het is juist de liefde waarin Jezus zich wegschenkt aan de gehele mensheid, die door het Nieuwe Testament als een waar huwelijksverbond wordt beschouwd.

 

‘Ik neem u als mijn bruid, voor altijd’


Het Oude Testament had de liefde van de Heer voor zijn volk al verwoord in termen van een echtelijke verbintenis tussen man en vrouw: ‘Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en mededogen, als mijn bruid, in trouw: dan zult u de Heer leren kennen’ (Hos. 2, 21-22). In lijn met deze traditie begreep ook Sint-Paulus op  dezelfde wijze de liefde van Christus voor zijn Kerk. Zo schrijft hij: ‘Mannen, heb uw vrouw lief, zoals ook Christus de Kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd om haar heilig en rein te maken, door het waterbad en het woord, om haar tot zich te voeren in haar luister, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onbesmet’ (Ef 5, 25-27).

 

De Kerk is Iemand!


Om de betekenis van deze tekst ten volle te vatten, moet men begrijpen dat voor Jezus de Kerk niet datgene is waarvoor men ze soms houdt, namelijk een organisatie, een anoniem instituut of een of ander verbazingwekkend ‘apparaat’. Voor Jezus is de Kerk Iemand. De Kerk, dat zijn wij allen. In Jezus’ ogen is de Kerk dat deel van de mensheid, dat zich van zijn liefde laat doordringen en die liefde ook beantwoordt. Voor Jezus is de Kerk, in zijn tedere liefde voor alle schepselen, de uitverkoren partner. Vandaar dat de Kerk in haar diepste wezen gesymboliseerd wordt door een levende persoon, een vrouw, de Maagd Maria.

 

De Kerk, bruid van Christus


In dit perspectief zijn de woorden van Paulus bijzonder veelzeggend. Christus hield en houdt van de Kerk zoals een persoon een ander kan liefhebben, zoals een man kan houden van een vrouw. Hij heeft zichzelf voor haar overgeleverd aan het kruis. Doorheen de geschiedenis heeft Hij haar gezuiverd en geheiligd door het doopwater. Telkens over een nieuw kind van God de rituele woorden: ‘Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ worden uitgesproken, onttrekt Jezus opnieuw een mensenkind aan de macht van het kwade. Hij neemt het op in zijn teerbeminde bruid, van wie Hij wenst dat ze heilig en onbevlekt is, met name de Kerk.

 

Het grote mysterie van de liefde en de seksualiteit


Christenen worden uitgenodigd om de ultieme draagwijdte van de liefde tussen man en vrouw te plaatsen binnen deze liefde van Christus voor zijn bruid, en uiteindelijk ook de diepe betekenis van de seksualiteit te kaderen in dit huwelijksverbond russen Jezus en ons die zijn Kerk uitmaken. Verwijzend naar de mysterievolle grootsheid van de menselijke liefde, benadrukt Paulus dan ook wat verder in zijn brief ‘Dit geheim is groot. Ikzelf betrek het op Christus en de Kerk’ (Ef 5,32).
Het is niet toevallig dat Jezus, Zoon van God - een man dus - in deze wereld is gekomen en dat de Kerk in wezen vrouwelijk is (de geliefde, de bruid, de moeder) en in haar geheel wordt verpersoonlijkt door een vrouw, Maria! Niet voor niets schiep God hen ‘in het begin’ als man en vrouw. Dat alles betekent dat de menselijke liefde ingeschreven is in het hart van de Schepper zelf en dat de echtelijke vereniging van man en vrouw onlosmakelijk verbonden is met de grootste liefdesdaad uit de geschiedenis: de liefde van Jezus die op het kruis zijn bloed vergiet tot heil van de mensheid.
Nu rest ons nog de belangrijkste kenmerken te benadrukken van dit liefdesverbond russen Hem die de theologen wel eens ‘de Nieuwe Adam’ noemen - te weten Jezus en haar die ze aanduiden als ‘de Nieuwe Eva’ - namelijk de Kerk, verpersoonlijkt door Maria.

 

HOE HEEFT JEZUS ZIJN BRUID LIEF?

 

Het liefdesverbond tussen Jezus en ons, zijn Kerk, heeft vier bijzondere kenmerken. Ze geven een aanzet om het wezenlijke van het christelijke seksualiteitsbegrip (dat uiteraard ook vatbaar is voor een filosofische reflectie) op het spoor te komen. Ze zullen ons ook toelaten verder in te gaan op enkele aspecten van het christelijke huwelijk.

 

Een authentieke zelfgave


De liefde van Jezus toont zich allereerst in een waar verbond, dat echter meteen ook een zichzelf wegschenken aan een ander in zich draagt. Jezus’ liefde is niet narcistisch, niet op zichzelf gericht. Naar het beeld van de eeuwige God - liefdeseenheid tussen de drie goddelijke personen — cijfert Jezus’ liefde zichzelf in overgave weg. ‘Christus heeft de Kerk liefgehad en heeft zich voor haar overgeleverd’ (Ef. 5, 25). En Paulus voegt eraan toe: ‘Mijn sterfelijk leven is een leven in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij’ (Gal. 2, 20).

 

Een liefde van hart en lichaam, die uitmondt in het bruiloftsmaal van de Eucharistie


Dit verbond is tegelijk spiritueel en lichamelijk. Her eerste spreekt voor zich: Jezus bemint ons met heel zijn verstand, heel zijn wil en heel zijn hart — dus op authentiek spirituele wijze. Maar - en dat is minstens even belangrijk - Hij bemint ons ook op een manier die we met enige omzichtigheid ‘lichamelijk’ kunnen noemen. Want inderdaad, om ons helemaal te redden, om het Lichaam van zijn Kerk te vrijwaren, stemde Hij ermee in zijn lichaam van vlees en bloed voor haar te offeren.
Is dat niet de ware lichamelijke liefde? Maar er is meer. Her christelijke geloof durft het aan een diepe gelijkenis te zien tussen Jezus’ liefde voor de Kerk - liefde die ons wordt aangeboden in de Eucharistie - en de lichamelijke liefde tussen man en vrouw. In de seksuele ontmoeting komt, na de dialoog en het liefdesspel, het moment dat de man zijn zaad, vanuit zijn meest intiemste ik, toevertrouwt aan de schoot van de vrouw. Het is het moment van stilzwijgende eenwording, van gedeeld welbehagen, gewoonlijk gevolgd door enkele ogenblikken van rust, van louter samenzijn in gemeenschappelijke dankbaarheid voor de voldoening en de vreugde, die werd gegeven en ontvangen.
Mits de nodige omzettingen en zonder verschillende taalregisters te verwarren, kan hetzelfde gezegd worden over het eucharistische bruidsmaal tussen de Christus-Bruidegom en zijn Kerk-Bruid. Na een moment van luisterbereidheid - de dienst van het Woord - en na een moment van wederzijdse aanwezigheid - de eucharistische dienst - , komt het moment van de communie. In een grootse beweging van liefde schenkt de Heer daarbij vanuit zijn diepste menselijkheid het levenszaad, zijn eucharistisch Lichaam: ‘Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt.’ Dat levenszaad vertrouwt Hij toe aan ons vlees, legt Hij in de schoot van zijn Kerk. Het is het moment van stilzwijgende eenwording (communio), van wederzijds welbehagen waarbij de Kerk - dat wil zeggen: elk van ons - zoals de bruid uit het Hooglied zachtjes kan fluisteren: ‘Ik ben van mijn lief en mijn lief is van mij’ (Hoogl. 6, 3). Daarna volgt een moment van dankzegging en gemeenschappelijke rust. Jezus vindt rust in ons en wij vinden rust in Jezus. Hierbij zijn we hem dankbaar om zijn aanwezigheid en trachten wij zijn liefde voor ons te beantwoorden met onze liefde voor hem.

 

‘Met eeuwige liefde ontferm Ik mij over u’


Het huwelijksverbond tussen Christus en zijn Kerk is ook een onverbrekelijk verbond. Onverbrekelijk omdat, ongeacht onze ontrouw of zelfs ons verraad, de Heer ons eeuwig trouw blijft. Eenmaal gesloten kan het verbond - tenminste vanuit zijn kant — niet verbroken worden. ‘Al wijken de bergen en wankelen de heuvels, mijn gunst wijkt niet van u, en mijn vredesverbond wankelt nooit,’ zegt de Heer (Jes. 54, 10). Dat is ook wat Jezus ons wou duidelijk maken doorheen zijn hele lijdensverhaal, zijn gegeseld lichaam, zijn vergoten bloed en zijn doorboorde hart: ‘Met eeuwige liefde ontferm Ik mij over u’ (Jes. 54, 8); ‘tot het uiterste gaat mijn liefde’ (cf. Joh. 13, 1).

 

Een mateloze en vruchtbare liefde


Het onverbrekelijke en trouwe verbond van Christus en de Kerk is ten slotte vruchtbaar: het is een bron van leven. Vanuit deze liefde zijn wij als christenen geboren voor het nieuwe leven in het rijk Gods. We noemen de Kerk ook dikwijls ‘onze moeder de heilige Kerk’, waarin wordt uitgedrukt dat de ontelbare gedoopten allen kinderen zijn van deze liefde. Ze zijn de mateloze vrucht van het huwelijk tussen Jezus en zijn Kerk, ingezegend op her Kruis en voltrokken in de Eucharistie. Dat alles opent enkele perspectieven…

+ André-Jozef Léonard,
aartsbisschop van Mechelen-Brussel