Het sacrament van het huwelijk (deel 3)

 

In een eerste beschouwing over het sacrament van het huwelijk ontdekten we de enorme waardigheid die Jezus toekent aan ons aardse lichaam. Hetzelfde geldt voor de seksuele dimensie van onze persoon en de menselijke liefde. Dat was het onderwerp van onze tweede bijdrage. In dit derde deel zullen we het hebben over het gevoelige thema van de onverbreekbaarheid van het huwelijksverbond. Daarbij zullen we achtereenvolgens het pijnlijke probleem van de echtscheiding en de netelige kwestie van de burgerlijke hertrouw van gescheiden personen behandelen.

 

DE ONVERBREEKBAARHEID VAN HET HUWELIJKSVERBOND

 

Het pijnlijke probleem van de echtscheiding


De tragiek van de echtscheiding is zo ingrijpend omdat we te maken hebben met een essentiële dimensie van de menselijke liefde in het algemeen en van het christelijk huwelijk in het bijzonder, met name de exclusieve, trouwe en onomkeerbare verbintenis tussen een man en een vrouw.

 

Een exclusief, trouw en onomkeerbaar verbond


Het enige huwelijksverbond naar het beeld van Christus’ liefde voor zijn Kerk is er een van exclusiviteit, dat wil zeggen monogaam (verwerping van polygamie), trouw (afwijzing van overspel) en onomkeerbaar, met andere woorden onverbrekelijk (weigering van de echtscheiding gevolgd door een hertrouw).
Het eerste punt de monogamie is meer en meer de norm in alle culturen. Het geven van zichzelf, zowel geestelijk als lichamelijk, kan — zich spiegelend aan Jezus die Zich wegschenkt aan zijn bruid - niet ten volle beleefd worden tenzij op een exclusieve manier: jij en jij alleen, tot de dood ons scheidt. Zelfs vanuit louter filosofisch oogpunt vraagt de waardigheid van de menselijke persoon om deze exclusiviteit. Men kan zich niet voluit met lichaam en geest wegschenken aan meerdere personen tegelijkertijd. Vandaar dat polygamie en overspel zowel louter menselijk als christelijk onaanvaardbaar zijn.

 

Kan men zich binden voor altijd?


De kwestie van de onverbreekbaarheid van het huwelijk ligt minder voor de hand. Hoe kan ik vandaag een engagement voor het leven aangaan, als ik geen zicht heb op een groot deel van mijn verdere levensloop, noch op die van mijn partner? De vraag wordt nog moeilijker binnen de hedendaagse cultuur die gericht is op het onmiddellijke en die, door steeds nieuwe ‘recycling’- mogelijkheden aan te bieden, een engagement op lange termijn beknot. Nochtans, enkel het onherroepelijk engagement binnen de huwelijksband is werkelijk in overeenstemming met de waardigheid van personen, die wel in de tijd - met al zijn wisselvalligheden - leven, maar precies in hun spiritualiteit de tijdgeest het hoofd bieden en zich er niet door laten meesleuren. Zich slechts tijdelijk - en afhankelijk van de grillen van het leven - tegenover de ander engageren in liefde van hart en lichaam, is noch mezelf, noch de ander waardig. Op zulke wijze liefhebben is niet langer zich in liefde toevertrouwen aan de ander als persoon, aan diens diepste ‘jij’, maar enkel aan een gedeeltelijke en tijdelijke dimensie van diens mens-zijn. Dat is geen liefhebben in de sterke zin van het woord.

 

De radicaliteit van Jezus’ woorden


Vanuit christelijk perspectief zijn de woorden van Jezus van een helderheid zonder weerga: ‘Maar vanaf het begin van de schepping heeft Hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt. Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één zijn. Ze zijn dus niet meer twee, maar één. Dus: wat God heeft verbonden, moet de mens niet scheiden.’‘Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt echtbreuk tegenover haar, en als zij haar man verstoot en met een ander trouwt, pleegt zij echtbreuk.’ (Mc. 10, 6-12) Deze formele verklaring van Jezus is zeer veeleisend, maar ligt volledig in de lijn van het verbond waarin Jezus christenen die huwen betrekt, namelijk zijn eigen liefdesverbond met zijn Kerk.

 

Naar het beeld van Christus trouw aan de ander, wat er ook moge gebeuren


Hoe bemint God zijn volk, hoe bemint Christus zijn Bruid? Vanuit een liefde die zich totaal aan ons geeft, ondanks ons verraad en onze ontrouw. Niemand is verplicht om een christelijk huwelijk aan te gaan. Maar als men er zich toe verbindt, is het enige verbond dat zich werkelijk spiegelt aan het beeld van Christus, dát waarbij elke partner zich tegenover de ander engageert met de belofte trouw te zijn ondanks mogelijke ontrouw. Dat kan gek klinken, en dat is het ook enigszins. Maar alleen die dwaasheid getuigt van de mateloze liefde van God.
Dat is ook de reden waarom de Kerk, in overeenstemming met het evangelie, sterk vasthoudt aan het feit dat een op een geldige wijze voltrokken huwelijk tussen gedoopten absoluut onverbrekelijk is, eens het is geconsumeerd door de seksuele vereniging. Dat toont ook het grote belang dat het christelijk geloof toekent aan het lichaam. Om een huwelijk onverbrekelijk te maken, volstaat niet enkel de viering van het sacrament, maar dient de verbintenis ook lichamelijk bezegeld te worden.

 

EN DE MISLUKKINGEN?

 

Hoe moet men zich opstellen tegenover de pijnlijke problemen die rijzen als huwelijken mislukken?

 

Het geval van een nietig huwelijk


Er zijn een aantal gevallen waarbij de Kerk, na een grondig onderzoek, kan besluiten dat een beletsel of een ernstige fout bij de instemming tot het huwelijk dat ongeldig maakt en dat er dus geen huwelijk heeft plaatsgehad. In een dergelijk geval ontbindt de Kerk een geldig gesloten huwelijk niet, maar erkent enkel de nietigheid van een huwelijk dat eigenlijk niet geldig was. Voor het overige eigent de katholieke Kerk, geplaatst voor een realiteit die haar overstijgt, zich niet de bevoegdheid toe om een huwelijk te ontbinden dat tussen twee gedoopten geldig is gesloten en lichamelijk is geconsumeerd.
[Even terzijde: Veel christenen zijn geschokt en ik begrijp hen dat de Kerk zich niet het recht toe-eigent om een huwelijk dat is spaak gelopen te ontbinden, terwijl ze soms priesters die niet trouw zijn aan hun celibaat toelaat van hun engagementen te worden ontheven en christelijk te huwen. Dit wekt de ongelukkige indruk dat de Kerk onverbiddelijk is tegenover de leken, terwijl de priesters het onder elkaar regelen . In feite is de situatie heel anders. Wat betreft de onontbindbaarheid van het huwelijk dient de Kerk zich te houden aan de natuur van de dingen en aan de uitdrukkelijke wil van de Heer zelf, terwijl het celibaat niet noodzakelijk verbonden is met het priesterschap en afhangt van een beslissing van de Kerk zelf. De barmhartigheid van de Kerk geniet in dit laatste geval een vrijheid die haar niet is toegekend in het eerste. Niettemin blijft het een schandaal dat een vrijwillig aangegane verbintenis vervolgens verbroken wordt. We kunnen ons erover verheugen dat Rome in de afgelopen jaren nog slechts zeer uitzonderlijk dergelijke dispensaties verleent.]

 

Het christelijk huwelijk vereist een ernstige voorbereiding


Wat de talrijke mislukkingen van christelijke huwelijken betreft, moet er eerst en vooral herinnerd worden aan het belang van een goede voorbereiding op de viering van dit sacrament. Veel christenen hebben er geen moeite mee dat twee of drie jaar noviciaat nodig zijn om zich voor te bereiden op het religieuze leven, terwijl ze vinden dat men wel inderhaast kan huwen zonder een degelijke voorbereidingstijd. Is het huwelijksengagement dan minder belangrijk dan het religieuze of het priesterlijke engagement? Wanneer een huwelijksinzegening amper meer betekent dan een fraaie ceremonie in een mooie kerk, hoeft het niet te verwonderen dat de genade van dit sacrament niet werkzaam blijkt!

 

Zich actief verlaten op de genademiddelen


Na een adequate huwelijksvoorbereiding moeten partners ook voortdurend inspanningen leveren om te leven van de genade die uit de viering van het sacrament voortvloeit. Door te trouwen voor de Kerk (zoals men dat vaak uitdrukt) vragen twee christenen aan Christus om met de liefde waarmee Hij zijn Kerk heeft bemind - liefde die tot het kruis reikt en zich wegschenkt in de eucharistie - borg te staan voor hun liefde. Hierop doordenkend moet men
dan ook besluiten dat een christelijk huwelijk geen stand kan houden tenzij de liefde van de gehuwden zich voortdurend voedt en versterkt met Christus in het gebed, de geregelde biecht en de frequente communie van het Lichaam van de Heer. Wanneer men geen gebruikmaakt van de middelen die de Heer aanreikt om het verbond dat Hij met ons wil aangaan te beleven, hoe kan men dan staande blijven doorheen beproevingen en stormen? En hoe kan men dan de tand des tijds weerstaan?
Omdat ze zich niet verlaten op de middelen die de Heer ons rijkelijk schenkt, omdat ze die niet psychologisch laten doorwerken door de nodige tijd te nemen om samen te zijn en met elkaar te praten, overwegen al te veel koppels, van zodra de eerste ernstige crisis zich voordoet, dadelijk uit elkaar te gaan. Hoeveel scheidingen, met alle dramatische gevolgen voor de kinderen, zouden kunnen vermeden zijn dankzij een leven van een intensere christelijke spiritualiteit?

 

Niet alle echtelijke mislukkingen over dezelfde kam scheren


Wat te doen en hoe te reageren wanneer, ondanks alles, gehuwde christenen de facto uit elkaar zijn gegaan en zelfs burgerlijk scheiden? Het is allereerst van belang het nodige onderscheid te maken en niet alle gevallen over dezelfde kam te scheren. Johannes-Paulus II zelf drong daarop aan in zijn apostolische exhortatie over het christelijke gezin (Familiaris consortio) uit 1981:
‘De herders moeten weten dat zij, uit liefde voor de waarheid, verplicht zijn de situaties goed te onderscheiden. Er is immers verschil tussen degenen die zich oprecht ingespannen hebben om hun eerste huwelijk te redden, maar op volkomen onrechtvaardige wijze in de steek gelaten zijn, en degenen die door hun eigen zware schuld een kerkrechtelijk geldig huwelijk stukgemaakt hebben. Ten slotte zijn er degenen die een nieuwe verbintenis zijn aangegaan met het oog op de opvoeding van de kinderen en die soms in geweten overtuigd zijn dat het vorige huwelijk, dat onherstelbaar verbroken is, nooit geldig is geweest.’ (84, 2)

 

Zij die gebukt gaan onder verlatenheid bemoedigen


Wij allen moeten echtgenoten die ten onrechte verlaten werden en vaak ook tot een scheiding gedwongen werden, terwijl ze - vanuit het volle bewustzijn van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en ondanks de breuk - hun echtgeno(o)t(e) willen trouw blijven en een nieuw burgerlijk huwelijk weigeren te overwegen, omringen met veel sympathie. In tegenstelling tot de wijdverbreide misvatting moet men weten dat deze personen, zolang ze geen nieuwe verbintenis aangaan, te communie mogen gaan en volwaardig kunnen deelnemen aan het leven van de Kerk. Ze zijn trouwens goed geplaatst om innig deel te hebben aan het mysterie van Christus, die zelf ook door de zijnen verraden werd.

 

In het volgende nummer zal ik het hebben over de heikele vraagstukken in verband met de burgerlijke hertrouw - of het samenwonen - van personen van wie ten minste een van beiden gescheiden is na een geldig sacramenteel huwelijk.

+ ANDRÉ-JOZEF LÉONARD