DE GULZIGHEID

 

Is de gulzigheid een lelijke ondeugd? Toch niet waar zeker! Dat diegene die er nooit tegen gezondigd heeft, de eerste steen gooie! Nochtans is de gulzigheid een open mond, een deur die op een kier wordt gezet om andere demonen binnen te laten...

 

5.1 OMSCHRIJVING

 

Hun buik wordt hun god.


De gulzigheid is een “lieftallige zonde”. Een kinderzonde, waaraan  men met toegevendheid en tederheid terug denkt. Met glinsterende ogen verontschuldigt men zich en zegt halfmonds:
”Het is een lekkerbek!” Op de spijskaarten van de befaamde restaurants vervangt ”lekkernij” het woord “nagerecht”. En misschien duidt dit woord juist aan, dat men aan het genot van het eten een lekkernij toevoegt waardoor men tot overdrijving overgaat! Het is de hoogmoed die de mensheid tot zondeval gebracht heeft, maar het is de gulzigheid die haar de schotel aan-gereikt heeft:”De vrouw zag dat het goed eten was van die boom” (Gen. 3,6). De mens geeft toe aan de Verleider en keert zich af van zijn Schepper. Maar hij behoudt die dorst naar de oneindigheid, die alleen door God kan gevuld worden. Tevergeefs (en vain et en vin) zoekt hij voldoening in de aardse gerechten.  Zoals de slang begint hij op zijn buik te kruipen. Zijn buik wordt zijn god en doet hem kruipen. Paulus berispt streng diegenen”voor wie hun buik, hun god geworden is” ( Fil. 3,19)

 

Een ongeordende drang om te eten

 

Waarom aanvaardt men met tegenzin dat de gulzigheid een zonde is? Een jansenistische invloed die altijd heropleeft doet ons denken dat elk genot slecht of gevaarlijk is voor de menselijke natuur. Zo stelt men de gulzigheid gelijk aan eetgenot. Maar de zonde is niet het genot, maar is het ongeordend genot. De H. Thomas bepaalt de gulzigheid als “een ongeordende drang om te eten”. Welke ongeordendheid? De pastoor van Ars, specialist in rotte aardappelen en biechtstoel, die men zeker  niet van laksheid kan beschuldigen antwoordt het volgende: Zondigen we door gulzigheid, wanneer we graag iets eten wat goed en lekker is? Neen, wij zijn gulzig wanneer we overdrijven in de hoeveelheid die we eten, wanneer we meer eten dan ons lichaam nodig heeft”. Men kan ook zondigen door ondeugd. Zich niet voldoende voeden, een gerecht niet waarderen, zijn eten binnen slikken, dat zijn ook fouten tegen het goede gebruik van het voedsel en van de vreugden van het samen eten. Zoals elke morele deugd is het de soberheid die onze juiste verhouding tot het voedsel bepaalt en ons de gulden middenweg toont.

 

Eén gulzigheid kan een andere verbergen.


De gulzigheid is de zonde die men het gemakkelijkst bedrijft en dus de wanorde die het meest voor de hand ligt. Men kan in alles gulzig zijn, zelfs in het zoeken naar geestelijke vertroostingen, dat is geestelijke gulzigheid. De gulzigheid is een matriochka, die vele kinderen verstopt onder haar sympathieke uiterlijke vorm. Wij beperken ze meestal tot kwantitatieve overdrijvingen. Nochtans,  leggen we in ons spraakgebruik schakeringen  tussen: een gulzigaard, een vraatzuchtige, een lekkerbek, een slokop. Natuurlijk is men gulzig wanneer men een bepaalde maat onverschreidt: vijf everzwijnen eten wanneer er drie genoeg zijn om ons te verzadigen. Maar we kunnen ook gulzig zijn in de kwaliteit, wanneer men enkel uitgelezen gerechten kiest; in de tijd, wanneer men vóór de bepaalde tijd zich een welverdiende voldoening gunt. Maar ook in de manier van  eten, wanneer men eet zonder rekening te houden met de regels van beleefdheid en goed gedrag. Want eten is een sociale bezigheid: men zondigt wanneer men zich eerst bedient, wanneer men van een schotel begint te eten zonder op de anderen te wachten, wanneer men het beste eruit kiest, wanneer men met begerigheid alles verslindt...

 

De verborgen redenen van onze gulzigheid.


Heel de publiciteit is verleidelijk, de uitstalramen bekoren ons, de kastjes in de grootwarenhuizen, gevuld met snoepjes zijn als blikvangers wanneer men aan de kassa aanschuift. Wij gaan meer stroomopwaarts (met de psychologie) dan stroomafwaarts (met de spriritualiteit) om de verborgen redenen te vinden van onze papilwaanzin, om de inhoud van de gulzigheid te verstaan. Het voedsel is onze allereerste  genotservaring. De voldoeningen maar ook  de frustraties van elk kind zijn verbonden met het smaakgenot. Elk gemis aan eten roept een diep gebrek aan troost op - zegt men niet van iemand die drinkt dat hij aan de zuigfles drinkt? Vandaar dat een heel deel afwijkingen in het eten en in het drinken meer voortkomen uit kwetsuren, dan uit zonden. Hier gaat het niet over ziekelijke, zware en complexe gevallen van alcolisme, noch over anorexia, of boulimie. Maar de moeilijkheid om zich iets te ontzeggen in het eten, wat men vooral in de vasten vaststelt, heeft een fysiologische en geen morele uitleg. Deze verwondingen leggen gedeeltelijk of volledig de overdaad uit. Men kan gemakkelijk van iemand een gulzigaard maken, door zijn ijdelheid te vleien, bevestigt C.S. Lewis. Ge moet hem gewoon doen geloven dat hij een fijn aanvoelen heeft op gebied van wat de keuken betreft.

 

Een geopende deur voor andere zonden.


De gulzigheid is toch niet de ergste zonde? Wanneer La Bruyère spot met de gulzigaards is hij minder streng dan in zijn spot tegenover de dwazen, de gierigen of tegen de sterke geesten” schrijft Sébastien Lapaque. Maar indien de gulzigheid de minst erge is van de hoofdzonden, toch hebben de woestijnvaders vastgesteld dat ze een open deur is om andere demonen binnen te laten. Die van de ontucht natuurlijk ( de overdrijving begint aan tafel en eindigt in het bed). Maar ook die van de luiheid en de woede. Ze maakt ons eerst zwaar, in de figuurlijke en letterlijke zin. Zij veroorzaakt een stompzinnigheid van het verstand, en verzwakt het vermogen om geestelijke waarheden te vatten. ”Zorg er voor, zegt de Heer dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap...” (Lc 21, 34). De gulzigheid gaat gepaard met vrijheid: ”Eerst moeten we, door de onderwerping van ons vlees, bewijzen dat we echt vrij zijn” zei Johannes Cassianus. Volgens de H. Paus Leo bevordert de gulzigheid  sommige “uiterlijke gedragingen” : de neiging tot praatzucht ( kwaadsprekerij en laster staan op de loer!); een uitbundigheid die te ver kan gaan; zijn fysiek voorkomen verwaarlozen.

 

Het vagevuur (le purgatoire) verdient zijn naam.


Laten we er nogmaals de nadruk op leggen: de gulzigheid is op zichzelf geen zware zonde. Zelfs de H. Augustinus vindt dat er verzachtende omstandigheden zijn: ”Heer, is er wel iemand die in het eten en in het drinken zich nooit buiten de grenzen van het noodzakelijke laat meeslepen?” Getuigenissen X, 31) . Maar ze is een sleutelzonde, een test in zelfbeheerzing. “ Wanneer de maag beheerst wordt door een zachte en verstandige dwang, kan een stoet van deugden de ziel binnen treden”, verzekert de H. Nil Sorsky. En indien Dante ons zegt in de Divina Comedia, dat “heel die stoet die zingt en weent omdat ze mateloos, uit honger en dorst  de verlangens van de mond hebben ingevolgd, hier geheiligd wordt”, mogen we niet vergeten dat deze zuivering in het Vagevuur plaats vindt... die haar naam nooit zo goed verdiend heeft. (In het frans is “vagavuur”, “purgatoire” ...na de zonde van gulzigheid hebben we “een purge” nodig!
Pascal Ide (Famille Chrétienne N° 1227, août 2000)


5.2 MIDDELEN TEGEN DE GULZIGHEID:

 

Uw motivaties herzien:


Neem de tijd om u af te vragen waaróm eet ik? Welk goed streef ik na? “Het eten is er om in onze levensbehoeften te voorzien, en niet voor het genot” zei Johannes Cassianus “ Het aangename is niet altijd goed”, beweerde een wijze man. Het genot dat men eraan beleeft is geen bewijs dat datgene wat men eet of drinkt goed is; vooral wanneer een ongeregeld gebruik ervan onze smaakzin misvormd heeft.
Het voedsel als een geschenk van God beschouwen.
“Of ge eet of drinkt, doe alles tot Gods eer en glorie” (1 Kor 10, 31). Dank God vóór en na het eten.

 

Zijn lichaam heropvoeden.


De hedendaagse mens moet opnieuw leren naar zijn gehele lichaam te luisteren en niet alleen naar datgene wat hem aangenaam is. Wij weten heel goed wanneer we overgaan van het noodzakelijke naar een ongeregeld genot. Ons lichaam bevat een wijsheid; en kan ons een “stop” toeroepen. En, voelen we geen grote vreugde wanneer we de tafel kunnen verlaten zonder een zwaartegevoel van overdaad?
In woorden.
Je kunt de tafelgenoegens verlengen door de herinnering eraan: laat de herinnering aan die of die goede maaltijd niet het hele gesprek beheersen. Onmatigheid bestaat ook in de herinnering.
Maar omgekeerd: je kunt ook overdrijven in de manier waarop je je beklaagt over het eten. Matigheid begint bij het accepteren van wat er op je bord ligt.

 

De onthechting.


We moeten ons niets inbeelden: het is onmogelijk tot zelfbeheersing te komen zonder een minimun van onthechting. Zó weten we wie bij ons de bovenhand heeft- onze wil of onze genotzucht- op de dag dat we “neen”  kunnen zeggen aan een bepaald genot. Wanneer we het er zó moeilijk mee hebben om te vasten tijdens de Vasten dan is het omdat we in de rest van het jaar de gewoonte niet hebben om ons iets te ontzeggen.
Een paar tips die we regelmatig kunnen toepassen: iets nemen waar we niet of nauwelijks van houden; niet bijnemen van iets waar we verzot op zijn; niets nemen van iets wat we speciaal lekker vinden.

 

De houding aan tafel.


Een geestelijke leidsman deed opmerken: Indien je wil weten in welke mate iemand met God verbonden leeft, moet je zijn houding aan tafel bekijken. Indien hij aandacht heeft voor de anderen, wees er zeker van dat hij in Gods aanwezigheid leeft. Maar indien hij alleen bekommerd is om zijn eigen maag te vullen en zich vóór de anderen bedient, zijn eigen verhaal vertelt zonder naar de anderen te luisteren, de belangrijkste personen opzoekt en niet naast de eenvoudige mensen gaat zitten, kan men de diepte van zijn vereniging met God in twijfel stellen.

 

Concrete daden stellen.


Ga eens de verschillende soorten snoeplust na en probeer er tegen in te gaan. Bijvoorbeeld, als je al voor etenstijd gaat knabbelen, kun je proberen een precieze tijd vast te stellen voor het avondeten en op te houden met knabbelen zogauw je thuis komt of het eten klaarmaakt.

 

De oorzaak aanpakken.


De genoegens van de mond zijn een vorm van compensatie.” We kunnen niet leven zonder genoegens” zei Aristoteles, en eten is het meest directe genoegen. Je kan dus jezelf helpen om minder te eten door je andere gezonde genoegens te gunnen op verschillende andere domeinen (wandelen, sport, ontspanning, fietsen...).

 

Het voorbeeld van Jezus bemediteren.


De H. Ignatius spoort ons aan om Jezus te beschouwen in zijn manier van eten. Didier Decoin voegt eraan toe in “Jésus, l’homme qui riait”:
”Het is niet enkel om zich te voeden dat Jezus aan tafel ging. Eten, is samen zijn. Samen zijn, is delen. Delen is liefhebben. Liefhebben, dat is Jezus.


5.3 DE GEESTELIJKE GULZIGHEID

 

Er bestaat ook een geestelijke gulzigheid. Deze komt  meestal voor bij pas bekeerden. Deze gulzigaard zoekt niet meer de geneugten van de tafel, maar de vertroostingen van de Heilige Tafel. Hij zoekt de genoegens voor de genoegens zelf en verkiest de vertroosting boven de Vertrooster en verkiest het gevoel “van zich goed te voelen in het gebed” boven het gebed zelf.
Dit affectieve verlangen richt de mens op zichzelf.

 

Welke zijn er de tekenen van?


Wanneer God zijn voelbare aanwezigheid wegneemt, zonder zijn geestelijke aanwezigheid te verminderen - de genade van zijn aanwezigheid hangt niet af van het gevoelsmatige - is de ziel ontredderd. Vandaar dat pater d’Elbée in zijn boek “Croire en l’Amour” zegt:” Indien onze geestelijke weg vol rozen is, welke zekerheid hebben we dan dat we naar God gaan voor Hemzelf en niet voor de rozen?”

 

5.4 IS ALCOHOLISME EEN ZONDE?


Tegenwoordig organiseert men feesten, om zich anders te voelen, om aan zichzelf te ontvluchten, om zich van zijn remmingen los te maken, zodanig dat men elke vorm van zelfcontrole verliest. Daarin bestaat juist de ernst van de zonde van dronkenschap, door het nemen van een overdaad van alcoholische dranken : men neemt afstand van datgene wat de waardigheid van de mens uitmaakt, het gebruik van ons verstand en de vrijheid van onze zelfbeheersing. Paulus heeft een heel streng woord:” De dronkaards zullen het Rijk Gods niet binnen gaan.” ( 1 Kor.6, 10; Rom. 13,13). Maar hier gaat het over de zonde van dronkenschap en niet over een gewoonte die voortkomt uit een ondeugd.
De ondeugd vergroot de verantwoordelijkeid niet, maar vermindert en verontschuldigt haar. Hoe dikwijler de zonde bedreven wordt, hoe sterker de invloed van de ondeugd wordt, zonder dat de wil ermee instemt wordt het bijna een dwangmatigheid.  Dat is het geval bij de alcoholieker. Hij wordt afhankelijk, gebonden: hij kan niet meer zonder alcohol, zonder dat hij enorm zou lijden onder dat gemis ervan. Indien er verontschuldigende redenen zijn voor dit gedrag toch kan er zonde  bestaan in:

We willen hier wel doen opmerken dat dit eveneens toepasselijk is voor elke vorm van verslaafdheid.