DE VREUGDE VAN HET LOFGEBED

Ligt niet een andere reden, waarom onze tijd zo weinig vreugde kent, hierin: dat wij de blijdschap verleerd zijn van het lofgebed. Misschien zelfs wel van elk gebed. Wij bestormen God met smeekbeden en vragen. Maar waar is de stilte gebleven die zo nodig is voor de gratuite aanbidding? Zo zelden prijzen, danken en loven we God om Hemzelf.

Een mens die niet meer bidden kan, wordt droef: hij is immers alleen. Wie heeft hij nog om zich helemaal aan toe te vertrouwen? Er zijn wel talloze mensen rondom hem: een partner, een vriend, een psycholoog of dokter. Hij kan met hen spreken, maar van al deze mensen is er niemand die zo totaal luisteren kan, dat je er terecht kan met alles wat in jou omgaat, met al je verlangens en behoeften, met heel je onrust en je angst.

Slechts God kan ons ten volle begrijpen en aanvaarden. Want Hij alleen weet hoe wij gemaakt zijn (Ps. 103, 14) In het gesprek met God ligt de bron van de allerdiepste vreugde, die geen enkele dialoog onder mensen kan aanboren. Die dialoog tussen God en ons hebben wijzelf niet aangevat maar kwam er omdat God zelf het initiatief nam.

Opdat wij niet alleen zouden zijn heeft God de stilte van zijn kant doorbroken, om tot ons te spreken door zijn Zoon. En nadat God als eerste gesproken had waren ook wij in staat ons geheel uit te spreken.
Toen kwam in de wereld de vreugde van het gebed. Maar niet eender welk gebed. Want vaak is ons gebed dor; het brengt slechts halve vreugde.

Want de blijdschap van het bidden verzandt zo vaak in eentonigheid, in het steeds weerkerend spreken of klagen in onze nood. Zo’n bidden cirkelt dan al teveel rond ons zelf, rond eigen noden en kwalen. Het wordt eng en zelfbetrokken. Wie enkel of vooral in smekende stijl bidt, ademt niet voluit met heel het volume van zijn longen. Hij is kortademig, beklemd. Het ontbreekt hem aan adem en aan ruimte.

Lofgebed kan echt bevrijden. De jubel om God geeft adem en stelt ons is de openheid. Wat zijn onze noden en al onze smart of ellende vergeleken bij de heerlijkheid, de grootheid, de macht en de trouw van onze God? Wat zijn onze zonden tegenover zijn barmhartigheid? Of onze angst voor de toekomst en onze zorgen in verhouding met zijn voorzienigheid? Wat is ons sterven bij zijn leven?

Er is een vreugde die eigen is aan de bijbel: de blijdschap God te kunnen loven. Dat lofgebed ligt heel dicht bij een andere vorm van bidden: het dankgebed. De bijbel vernoemt ze vaak in één adem. Beide kunnen de mens uitzinnig blij maken.

Toch heeft het lofgebed zijn eigen originaliteit. Wie looft, denkt aan God alleen om God zelf om Hem en om zijn diepste wezen.

Hij denkt niet eens aan wat Hij voor ons doet of vroeger heeft gedaan. God loven is zich helemaal in Hem verliezen en al het andere - zichzelf incluis - vergeten. Wie looft duikt diep in aanbidding en gaat een weg die wegleidt van zichzelf en van eigen noden of gekregen geschenken. God loven staat los van elke context van ontvangen of vragen. Daar is de mens zonder meer extatisch: naar buiten en naar boven gekeerd.

De lofspraak voedt zich aan het diepe bewustzijn van God als een eindeloze oceaan van majesteit, volmaaktheid en heiligheid: “Verheerlijk, mijn ziel de Heer, wat zijt Gij groot, Heer mijn God! Met glorie en luister zijt Gij gekleed, uw mantel is zuiver licht. De hemel hebt Gij als een tentdoek gespannen en boven de wateren liggen uw zalen. De wolken hebt Gij als wagen genomen, Gij rijdt op de rug van de wind. De storm hebt Gij tot uw bode gemaakt, de bliksemflitsen uw dienaars.”
(Ps 104, 1-4 )

Het O.T. staat vol met zulke hymnen: ze liggen alle gerechtigen op de lippen bestorven en vullen de helft van het psalmenboek.

Die lofzang houdt ook nooit op: “U wil ik loven, mijn God en Koning, uw Naam verheerlijken voor altijd. U wil ik prijzen iedere dag, uw Naam verheerlijken voor altijd.” (Ps. 145, 1-2)

De lofspraak is een explosie van leven en vitaliteit, hét lied van de levenden voor hun God. Want de doden kunnen God niet meer loven zegt het O.T. “Niet zij die gestorven zijn loven de Heer, geen mens die het dodenrijk inging; Maar wij, die leven, wij zegenen Hem vandaag en in eeuwigheid.” (Ps 115, 17 vv.)

Ook Paulus’brieven staan vol hymnen. Vaak wordt het hem te machtig en barst zijn dogmatisch betoog open als de klappervrucht aan een kokosboom, in kreten van lof: “O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Wie kent de gedachte des Heren? Wie is zijn raadsman geweest? Wie kan vergoeding eisen voor wat hij God heeft gegeven? Want uit Hem en door Hem en voor Hem zijn alle dingen: Hem zij de glorie in eeuwigheid! Amen.” (Rom. 11, 33-36 )

Twee plaatsen in de Schrift zijn echte concentraties van hymnische stukken: het begin van het Lucasevangelie en de Apokalyps.

Bij Lucas staan drie hymnen bijeen op een paar bladzijden: het Benedictus van Zacharias, het Magnificat van Maria en het Nunc Dimittis van de oude Simeon.

Ook Maria had reden te over om te smeken, nu zij het kind in zich droeg, dit kind met heel zijn geheim. Toen Elisabeth haar had gefeliciteerd: “Gezegend zijt Gij onder de vrouwen!” antwoordt zij niet met een woord over zichzelf. Maria’s antwoord verwijst naar God: “Mijn ziel prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Redder.” (Luc. 1, 46-47 )

In het Boek van de Openbaring van Johannes is er bijna op elk blad een loflied. Daar wordt ononderbroken gezongen door engelen, oudsten, door de vier dieren en door de 144.000 uit de stammen van Israël en de menigte uit alle naties, rassen en talen: “Waardig is het Lam dat geslacht werd, te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof. En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde, en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen: Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen! En de vier dieren zeiden: “Amen”. En de oudsten vielen in aanbidding neer.” (Ap. 5, 12-14 )

Gebed om de genade en de vreugde van het lofgebed.

Vader in de hemel, Heer van hemel en aarde
van U is alles uitgegaan en naar U keert alles terug:
de schepping en alle mensen.
Uit U zijn wij geboren, naar U keren we terug.
Laat niet toe
dat we alleen naar onszelf zouden zien
en naar al onze noden.

Als wij steeds opnieuw met ongeduld U willen vragen wat wij gaan eten of drinken
of waarmee ons te kleden,
neem dan alle overbezorgdheid weg uit ons hart.
Gij weet immers wat wij nodig hebben,
en dit alles zult Gij ons geven.

Laat ons gebed niet opgaan
in louter smeken of in zelfbeklag.
Geef ons veeleer de weelde van de lofspraak,
de vreugde U te mogen prijzen
tot wij onszelf daarbij vergeten.
En als wij iets vragen, dat het dan eerst zou zijn:
dat uw Naam worde geheiligd,
uw Koninkrijk kome, en uw Wil geschiede.
Daarna willen we ons begeven in de bede om dagelijks brood, om de vergeving van de schuld en om de verlossing van de Boze.

Geef ons het hart van Maria,
die U alleen voor ogen houdt, uw almacht belijdt
en uw barmhartigheid bezingt.
Tot in het huis van Elisabeth - het huis van de zorgen en de hulpvaardigheid - denkt zij eerst aan U en zegt: “Magnificat, U prijs ik groot, o Heer,
en in U jubelt mijn geest van vreugde
om God, mijn Redder.”

Schenk ons de vreugde van het lofgebed. Amen

Kardinaal Danneels