DE LUIHEID

 

“Wat is een luiaard?” vroeg Tristan Bernard. - Dat is iemand die de moed heeft om niet de indruk te geven dat hij werkt.” Het antwoord van pater Michel Sales s.j. is iets ernstiger, hij zegt:”Een luiaard is niet iemand die niets doet, maar die doet wat hij wil”. Het hart van de luiheid is de droefheid in het uitoefenen van datgene wat men te doen heeft. Sommige luie mensen doen heel opgewonden, geven de indruk van groot werk te verrichten; maar ze stellen hun eigenlijk werk voortdurend uit: de briefwisseling die moet beantwoord worden stapelt zich maar op; de adolescent zal het gras afrijden terwijl hij eigenlijk zijn volgend examen moet herzien... De luiaard verplaatst alles naar morgen, alles wat hij vandaag eigenlijk moest doen...

 

6.1 DE ACEDIA: geestelijke droefgeestigheid.

 

Wat men “luiheid” noemt, is eigenlijk de zevende hoofdzonde en het is dus erger dan een gewoon gebrek. Deze ondeugd met de  mysterieuse benaming van -acedia- brengt een verlamming van de ziel voort. De “geestelijke droefgeestigheid” komt gemaskerd binnen: zij kruipt in de huid van de luiheid zoals een adder vermomd in een niet giftige slang. Haar beet is pijnloos. Maar het gif dat ze inspuit is dodelijk, want het verlamt onopgemerkt de ziel in haar opgang naar God. Deze indommeling is de zonde van de leerlingen van Jezus in Getsemane. Het is dikwijls ook de onze.
De acedia staat in de eerste lijst van de hoofdzonden, die door Evagrius Ponticus opgesteld werd op het einde van de 4de eeuw. De luiheid vernoemt hij niet.  De Oudsten gaven haar ook de bijnaam van “de middagduivel”, want deze “bekoring in het midden van de dag”, deze geestelijke anorexia, deze afkeer van het geestelijke, dit verlangen om ergens anders te gaan kijken, stak vooral de kop op op het middaguur van het leven.
Het is tijdens de Renaissance dat de acedia vervangen werd door de luiheid, als zevende van de hoofdzonden. Deze verdwijning is één van de meest geslaagde vervormde informaties van de laatste eeuwen. Zelfs De Katechismus van de Katholieke Kerk lijdt eronder, zij vernoemt als laatste van de hoofdzonden: “de luiheid of de acedia”. Het is hoog tijd dat we die twee onderscheiden want het tweede is veel erger dan het eerste.

 

Vergif voor de Hoop en voor de Liefde.


Het is geen toeval dat de reeks van de hoofdzonden begint met de hoogmoed en eindigt met de acedia. Het zijn de hoofdzonden die het meest “antitheologaal” zijn. De “acedia”, als “acide, een zuur”: knaagt aan de Liefde, en verbreekt de verbondenheid met God, die het opperste doel is van deze theologale deugd. Dat veroorzaakt een bloeddrukverlaging van de Liefde in de ziel. Als de jaloersheid een droefheid is die het goed van de anderen niet kan verdragen, is de acedia een droefheid die het Goede dat God is niet verdraagt. Deze virus verwekt een afkeer  om God van aanschijn tot aanschijn te ontmoeten in het gebed. “Als we gaan bidden, is het de acedia die ons eraan herinnert dat er nog heel wat dringende en noodzakelijke dingen te doen zijn”, zegt de heilige Johannes Climacus. Welke huismoeder heeft het nog niet meegemaakt, dat juist op het ogenblik dat ze voor een ikone knielt om te bidden, haar te binnen schiet dat ze dringend iemand moet opbellen?

 

De mens die aan acedia lijdt is een zieke, die zijn ziekte niet kent en wel om vier verschillende redenen .

De eerste is het activisme. De acedische mens dwaalt rond en kan niet ter plaatse blijven. Hij beweegt zich voortdurend om zijn verveling te verdrijven en om van zichzelf te vluchten. De monnik wil zijn monasterium verlaten, de priester wil naar de missies vertrekken; om de drie jaar verandert de hogere bediende van bedrijf; de echtgenoot vindt ineens al de vrouwen mooi, behalve de zijne enz. De katholiek die aan acedia lijdt verandert van parochie, van biechtvader, van gebedsgroep...
Een mens die aan acedia lijdt zoekt overal en leeft verspreid. Deze onstandvastige mens kan veel goeds bewerken, maar vergeet wat hem hier en nu gevraagd wordt: zijn eigenlijke plicht van staat. In die zin is hij lui. Hij zoekt verschillende compensaties om zijn innerlijke leegte op te vullen. De meest voor de hand liggende dingen die hem genot bezorgen, de “angst-beschermers” zijn zeker die van de tafel en van het T.V. scherm, zo vindt men de acedische mens geboeid voor de televisie terwijl hij zich vol propt met apennootjes.
Nadien installeert  de acedia  zich meer en meer in hem, en dringt binnen zonder dat de persoon er zich echt bewust van is. ”Er is werkelijk te veel te doen gedurende mijn verlovingstijd: mijn huwelijk voorbereiden, een appartement zoeken, enz.; Na mijn huwelijk zal ik wel elke avond de tijd vinden om te bidden.” En tien jaar later:” Ik had nooit gedacht dat het opvoeden van kinderen zo vermoeiend kon zijn. Als ze groot zijn zal ik de tijd hebben om elke avond te bidden”. Tien jaar later:” Mijn beroepsleven neemt me helemaal in beslag. Als we met pensioen zullen zijn, dan zal ik de tijd hebben om elke avond te bidden”. Wij bedriegen onszelf. Telkens opnieuw vergeten we onze halve beslissingen en camoufleren onze innerlijke zwakheid achter een scherm van gezond verstand.

De tweede reden is dat de acedische mens zijn onstandvastigheid en zijn activisme goedkeurt. Hij vindt altijd de gepaste motieven om zijn gebed te verwaarlozen:” Ik heb het gebed niet nodig, terwijl ik werk ben ik in Gods tegenwoordigheid. Hij is altijd bij me”, of “ Ik bid terwijl ik met de auto rijd”, enz., Wat  zou een verloofde zeggen wanneer haar geliefde haar zou zeggen:” Ik hou van u, dat weet ge wel, ik denk heel dikwijls aan u tijdens mijn werk, of in de auto, maar ik heb echt geen tijd om u op te bellen of om u te komen bezoeken?” Een ander antwoord dat de acedische mens geeft:” Is het niet beter  zich voor goede werken in te zetten dan hier in die cel onnodig opgesloten te blijven?” Hoeveel ontmoedigingen, diepe droefheid, zijn niet het gevolg van een pastoraal activisme, dat op zijn beurt veroorzaakt wordt door een depressieve acedische mens die er zich niet bewust van is?

De acedia is moeilijk te verjagen, dit is de derde reden,- want ze ent zich bij voorkeur op sommige verwondingen. Hier volgt een getuigenis. Jean-Romain is een zeer gewaardeerde jongen, hij is altijd goed gezind; een moderator die de hoekjes afrondt zowel in de fysische als in de figuurlijke betekenis. Een ‘goeie dikke” die voelhorens heeft, waardoor hij aanvoelt wat elkeen nodig heeft. Dàt voor het uiterlijke. Maar dat bedriegt.  Jean-Romain is zelf  bedrogen door dit uiterlijke. Tot op het ogenblik waarop zich herhaalde spanningen voordoen met zijn vrouw, waardoor hij inziet dat zij veel leed onder zijn pantoffelachtige aard en zijn neiging om altijd thuis te blijven. Hij zag in dat zijn goedzakkigheid, die zo gewaardeerd werd, eigenlijk een vorm van passiviteit was en een extreme zorg om zijn eigen rust te bewaren. Als jongste, geboren na een grotere broer die  systematisch  zijn ouders trotseerde, heeft hij heel vlug een systeen van beveiliging opgebouwd.
Hij zorgde altijd om de conficten te regelen, want hij kon ze niet aan. Hij was volgzaam in de groep en sprak niemand tegen, want hij was niet bekwaam initiatieven te nemen en dat verlangen had hij ook volledig in zich verdrongen. Toen hij jong was  had niemand interesse  getoond voor wat hij dacht, voelde, verlangde of wilde. In deze kwetsuur van onbeslistheid en van “geen verlangen te hebben” heeft de zonde van acedia zich geënt die juist bestaat in een “afkeer van elk werk”.

Dit is de vierde reden waarom de acedia niet gemakkelijk als een kwaal herkend wordt. De publiciteit, de T.V. Een vrouw installeert zich in een pneumatische zetel op een helder water, terwijl een helicopter kartonnen eetwaren neerlegt aan de boord van het zwemdok. Deze spot eindigt met de woorden:” Doe volgende zaterdag geen boodschappen. Laat u bevoorraden. Ja, dat is luiheid. En dan? De reclame neemt elk schuldgevoel weg in verband met de hoofdzonden: luiheid, gulzigheid, jaloersheid, enz... de reden daartoe is, dat zij de grootste bevoorraders zijn van de consumptie.
De tijdgeest is acedisch: hij is paradoxaal heel hyperactief maar nodigt uit tot  luiheid. Hij nodigt uit om datgene te doen waar men zin in heeft, om het genot zo hoog mogelijk op te drijven in de meest gevarieerde vormen. Alles, onmiddellijk en altijd vlugger. De hedendaagse onrust is een vorm van acedia. De adolescent is verwonderd dat hij na één trainingsweek er nog niet toe komt om 1,50 meter te springen, en dat hij de finale van de Sonate, na één jaar oefening, nog niet kan spelen. De reclame belooft dat men in drie maanden tijd spaans kan leren. Resultaat, de humoristische bekentenis van Woody Allen, die de methode van snel lezen gebruikt had:”Ik heb “Oorlog en Vrede” in 20 minuten gelezen: dat gaat over Rusland!”

 

Van droefheid naar wanhoop.


De acedische wereld doet de afkeer van God nog toenemen om een andere reden. Kardinaal Ratzinger verklaart dit in een doordringende analyse van onze maatschappij ( “Regarder le Christ”, Fayard, 1992): de huidige mens- vooral de westerling- gelooft niet meer in de grootheid en de schoonheid van zijn goddelijke roeping. Hij “ wil niet geloven dat God met hem bezig is, hem kent, bemint, bekijkt en naast hem staat”. Het gaat nog verder, de demonische geest van de acedia laat  in onze tijd “een eigenaardige haat bij de mens tegen zijn eigen grootheid” druppelsgewijze binnenzijpelen, zegt de prefect van de Congregatie van de geloofsleer. Een intieme en diepe opstandigheid, waardoor hij zich zelfs “te veel” gaat voelen. Hij beeldt zich in dat hij een “feest-stoorder” is, een mislukt schepsel, getekend door het niet zijn. “Zijn bevrijding en die van de wereld zou er dus in bestaan  zichzelf te vernietigen”. De acedia brengt een cultuur van de dood teweeg. Zij is ook de ultieme ondeugd, die de wanhoop als eerste dochter voortbrengt en, een ziel die wanhoopt zoekt geen steun meer bij God. Zij gelooft niet meer dat er Verlossing mogelijk is en twijfelt aan de barmhartigheid. Daarom zegt Evagrius Pontius: ” op deze duivel volgt geen andere: na de strijd zal een toestand van vrede en van onuitwisbare vreugde de ziel vervullen.”


6.2 HULPMIDDELEN TEGEN DE LUIHEID:

 

De hoogmoed, de gierigheid, de woede, de onkuisheid, de gulzigheid en de luiheid zijn hoofdzonden omdat ze andere zonden voortbrengen. De groei en de genezing van onze onbekwaamheid tot beminnen gaat doorheen de kennis van ons hart. Met Pascal Ide ( revue “famille chrétienne” 2001), gaat Koinonia verder met een reeks artikelen over één van deze hoofdzonden. De luiaard is niet iemand die niets doet, maar iemand die doet waar hij zin in heeft! Hij heeft een afkeer van het werk en wat hij moet doen maakt hem droef. De acedische of geestelijk droefgeestige mens heeft een afkeer van de goddelijke goedheid, weigert Gods vreugde. Hoe daarvan genezen?
Uw roeping van kind van God herontdekken.
De acedische mens moet in zichzelf afdalen en herontdekken hoe diep hij  in het verlangen van God aanwezig is. Begeleiding is hierin heel nuttig.

 

Het nu moment beleven.

 

De acedische mens leeft in een illusie door het verleden te idealiseren of te dromen over de toekomst. Maar, in tegenstelling met wat hij zich inbeelt, is het geluk niet in datgene wat voorbij is, noch in datgene wat nog komen moet. De oplossing ligt erin van het nu moment te aanvaarden als een geschenk en het in een liefdesdaad om te vormen. De H. Theresia van het Kind Jezus zei “een speld oprapen uit liefde kan een ziel bekeren”. Elk ogenblik van de dag is een gelegenheid tot beminnen, en is belangrijk in Gods ogen. De methode van Vittoz kan een belangrijke hulp zijn.

 

Het gebed herontdekken.


We moeten ons niets inbeelden: het gebed is dikwijls een strijd (Cfr De Katechismus van de Katholieke Kerk N° 1725-1751). We moeten niet wachten tot de smaak van het gebed terugkomt om opnieuw beginnen te bidden; het is door te bidden dat hij zal terugkomen...of niet terugkomen. Het belangrijkste is onze dagelijkse trouw. De H. Theresia van het Kind Jezus heeft gedurende haar negen jaren in de Carmel bijna voortdurend de dorheid in het gebed gekend; dit heeft God niet belet om in haar hart meer en meer aanwezig te komen.


De trouw.


“In je cel blijven”. Het is de trouw die de acedia zal overwinnen, trouw in het gebed en in de plicht van staat. Zoals Paulus zegt, ”Ga voort met werken” (1 Thim. 4, 11 vv) “Wees standvastig, houd u in de nacht vast aan de trapleuning, houd vol onder het juk en vernieuw uw ijver. Vernieuw uw zelfgave aan God door uw trouw in de kleine dingen” raadt de abt Dom Nault, monnik in Saint-Wandrille aan.


Niet vluchten in de slaap.


Té veel slapen is even abnormaal dan de slapeloosheid. Het is meestal een vlucht uit de realiteit. Trouwens  Ps. 118-119, 28 zegt “Mijn ziel is teneergeslagen uit weerzin”.


Niet van richting veranderen.


Als de acedia u overvalt - wat Ignatius “de troosteloosheid noemt- “ moet men niets in vraag stellen of verandering brengen in datgene wat men in zijn levensstaat reeds beslist had” zegt hij “ maar men moet volharden in datgene wat voordien beslist was.”
De uiterlijke verandering zal geen innerlijke verandering teweeg brengen. In een verwarde periode blijft alleen het verleden overeind. Dat geldt zeker voor belangrijke beslissingen.


Tijdig reageren.


Stop ermee met belangrijke beslissingen uit te stellen. Ge beschikt over een hele voormiddag? In plaats van de confituurpotten te herschikken - een werk dat kan wachten -  zet u neer; maak de lijst op van de dingen die dringend moeten gedaan worden; klasseer ze volgens hun belangrijkheid; evalueer de tijd die voor elk werk nodig is en begin met het eerste punt van de lijst. Achteraf mag je jezelf een beloning gunnen indien je gedaan hebt wat moest gedaan worden.

 

Initiatieven nemen.


Merk je niet op dat anderen (uw echtgenoot, vrienden, collega’s, ...) er genoeg van hebben om altijd alles voor u te beslissen? De nederigheid of de geest van verzoening is niet hetzelfde als de verantwoordelijkheid van u afschuiven. Houd op met een wagon te zijn en wees af en toe ook locomotief.
Stop ermee met de gebeurtenissen zelf in uw plaats te laten beslissen en zo de situaties te laten verrotten. Terwijl ge uzelf goed praat:” Deze half-liefdevolle relatie met mijn secretaresse is niet gezond, maar dat geeft niet, binnen drie maanden gaat ze toch verhuizen. De zaken forceren zou ons beiden veel pijn berokkenen”. Ofwel:” Ik heb vertrouwen in de Voorzienigheid, ik wil niet alles controleren”. Maar zo geraakt gij zelf totaal stuurloos.

 

Ingaan tegen het nietsdoen.


Het nietsdoen is de moeder van alle ondeugden, zegt men. De woestijnvaders legden de nadruk op het belang van de handenarbeid voor de monnik “De monnik die werkt is door één duivel bekoord, maar de monnik die niets doet is het slachtoffer van ontelbare demonen.”


Famille chrétienne 2001,Pascal Ide et Luc Adrian